Practicum: Bloedgroepen – ABO-systeem – Biologie Klas 2 HAVO

In dit practicum voor klas 2 HAVO bepaal je gesimuleerde bloedgroepen met behulp van anti-A en anti-B antisera. Je interpreteert de agglutinatiereactie en koppelt de uitkomst aan het ABO-bloedgroepensysteem, antistoffen en bloedtransfusieregels.

Leerdoel

Na dit practicum kun je het ABO-bloedgroepensysteem beschrijven (antigenen op erytrocyten, antistoffen in plasma), een bloedgroep bepalen via de agglutinatietest, de bloedtransfusieregels toepassen, en het begrip antigen-antistof-reactie uitleggen.

Cursusniveau en vakgebied

Niveau: HAVO klas 2 | Vak: Biologie | Domein: O (orgaan- en organismeniveau), C (interactie) | ABO-systeem, antigen, antistof, agglutinatie, erytrocyt, bloedtransfusie, immunologie

Benodigdheden

Achtergrondinformatie

Erytrocyten (rode bloedcellen) dragen antigenen op hun oppervlak. Bloedgroep A: A-antigeen; B: B-antigeen; AB: beide; O: geen. Het plasma bevat antistoffen tegen de antigenen die de persoon zelf niet heeft. Agglutinatie: klontering van erytrocyten bij binding van antistof aan het verkeerde antigeen → gevaarlijk bij transfusie. Anti-A + A-antigeen → agglutinatie (klontering); anti-A + B-antigeen → geen reactie.

Werkwijze

  1. Leg 4 objectglaasjes klaar. Label: Onbekend 1, 2, 3, 4.
  2. Breng op elk glaasje links 1 druppel anti-A-serum en rechts 1 druppel anti-B-serum.
  3. Voeg 1 druppel “bloed” (onbekende) toe aan elke zijde. Meng voorzichtig.
  4. Observeer na 30 s: agglutinatie (klontering/granulair) = positief; homogeen = negatief. Noteer per onbekende.

Observatietabel

OnbekendeAnti-A (aggl.?)Anti-B (aggl.?)BloedgroepAntistof in plasma
1    
2    
3    
4    

Verwerkingsvragen

  1. Een patiënt met bloedgroep A krijgt bloed van bloedgroep B. Wat gebeurt er? Verklaar.
  2. Waarom wordt bloedgroep O ook wel de universele donor genoemd?
  3. Iemand met bloedgroep AB kan bloed van alle groepen ontvangen. Verklaar.

Uitwerking

V1: Iemand met bloedgroep A heeft anti-B-antistoffen in het plasma. Donorbloed van groep B heeft B-antigenen op de erytrocyten. De anti-B-antistoffen reageren met de B-antigenen → agglutinatie van de donor-erytrocyten → bloedklontering in de bloedvaten → levensgevaarlijke transfusiereactie.

V2: Bloedgroep O heeft geen A- of B-antigenen op de erytrocyten. Ontvangers van elke bloedgroep (A, B, AB, O) hebben geen antistoffen gericht tegen O-erytrocyten → geen agglutinatie. Let op: O-bloed heeft zowel anti-A als anti-B antistoffen in het plasma, dus O-patiënten kunnen alleen O ontvangen.

V3: Bloedgroep AB heeft geen antistoffen in het plasma (noch anti-A, noch anti-B). Daardoor kunnen AB-personen bloed van alle groepen (A, B, AB, O) ontvangen zonder dat hun plasma de donor-erytrocyten agglutineert.

Benodigde laboratoriumapparatuur van Labvakhandel

Labvakhandel levert gesimuleerde bloedgroepkits, objectglaasjes en druppelpipetten voor immunologiepraktika in het voortgezet biologieonderwijs.

Bekijk het assortiment of neem contact op voor advies.

Meer practicumopdrachten

Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.