Practicum: Bodemonderzoek – biodiversiteit – Biologie Klas 2 HAVO

In dit practicum voor klas 2 HAVO inventariseer je bodembewoners op twee verschillende locaties (bijv. schooltuin vs. sportveld) en vergelijk je de biodiversiteit via de Simpson-diversiteitsindex. Je koppelt het resultaat aan de ecologische kwaliteit van de bodem.

Leerdoel

Na dit practicum kun je een soorteninventarisatie uitvoeren, de Simpson-diversiteitsindex berekenen (D = 1 − Σ(n/N)²), de ecologische kwaliteit van twee biotopen vergelijken, en het belang van biodiversiteit voor ecosystemen beschrijven.

Cursusniveau en vakgebied

Niveau: HAVO klas 2 | Vak: Biologie | Domein: P (Populatie- en ecosysteemniveau) | Biodiversiteit, Simpson-index, soortenrijkdom, bodembewoners, biotoop, ecologische kwaliteit

Benodigdheden

  • Berlese-trechter (of witte schaal + pincet voor oppervlak-sampling)
  • Spade, zeef (3 mm maaswijdte)
  • Petri-schalen, loep of stereomicroscoop
  • Determinatietabel voor bodemorganismen (miljoenpoten, regenwormen, pissebedden, spinnen, kevertjes, springstaarten etc.)
  • Turfplanten (2 locaties: ruig gras en asfaltveld of opgravingplek)

Achtergrondinformatie

Biodiversiteit omvat soortenrijkdom (aantal soorten) en evenredigheid (gelijke verdeling). Simpson-diversiteitsindex: D = 1 − Σ(ni/N)², waarbij ni = aantal individuen van soort i, N = totaal aantal individuen. D = 0 = geen diversiteit (één soort); D = 1 = maximale diversiteit. Bodembewoners zijn goede indicatoren van bodemkwaliteit: een rijke fauna duidt op organische stof, weinig verstoring en een goed functionerend ecosysteem.

Werkwijze

  1. Steek per locatie een blok grond uit (25×25×20 cm). Zeef de grond.
  2. Verzamel alle organismen in een witte schaal. Determineer tot op de orde of familie.
  3. Tel per soort het aantal individuen (ni). Noteer het totaal N.
  4. Bereken D voor beide locaties. Vergelijk.

Inventarisatietabel (voorbeeld)

Soort/groepni Locatie A(ni/N)² loc. Ani Locatie B(ni/N)² loc. B
Regenworm    
Pissebed    
Springstaart    
Spin    
Miljoenpoot    
Totaal N Σ = Σ =
D = 1 − Σ  

Verwerkingsvragen

  1. Locatie A heeft D = 0,82; locatie B heeft D = 0,35. Welke locatie heeft de betere bodemkwaliteit? Verklaar.
  2. Een locatie heeft 50 regenwormen en niets anders. Bereken D.
  3. Noem twee factoren die de diversiteit van bodembewoners negatief beïnvloeden.

Uitwerking

V1: Locatie A heeft de betere bodemkwaliteit (D = 0,82 is hoog). Een hoge Simpson-index wijst op veel soorten in een evenwichtige verdeling — kenmerkend voor een gezond, weinig verstoord ecosysteem met voldoende organische stof, structuur en weinig chemische belasting.

V2: Slechts één soort: n1/N = 50/50 = 1. D = 1 − (1)² = 1 − 1 = 0. Geen biodiversiteit.

V3: (1) Gebruik van pesticiden/herbiciden: giftig voor bodembewoners, vermindert het voedselweb. (2) Verdichting van de bodem (bijv. door berijden met zwaar landbouwmateriaal): vermindert het luchtgehalte en levensruimte. Andere factoren: verzuring, overmatige bemesting, verwijdering van organisch materiaal.

Benodigde laboratoriumapparatuur van Labvakhandel

Labvakhandel levert Berlese-trechters, zeefsets, petri-schalen en stereomicroscopen voor bodemonderzoeks-praktika in het voortgezet biologieonderwijs.

Bekijk het assortiment of neem contact op voor advies.

Meer practicumopdrachten

Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.