Practicum: Molberekeningen – massa, mol en molaire massa – Scheikunde Klas 2 HAVO

In dit practicum voor klas 2 HAVO maak je kennis met het mol-begrip via weging en berekening. Je bepaalt de massa van één mol van verschillende stoffen, oefen de formule n = m/M, en pas je dit toe in een eenvoudige stoichiometrische berekening.

Leerdoel

Na dit practicum kun je de formule n = m / M toepassen, de molaire massa berekenen uit de atoommassa’s in het periodiek systeem, en een eenvoudige stoichiometrische berekening uitvoeren om te bepalen hoeveel reactant of product bij een reactie hoort.

Cursusniveau en vakgebied

Niveau: HAVO klas 2 | Vak: Scheikunde | Domein: C2 Chemisch rekenen | Mol, molaire massa, n = m/M, stoichiometrie, Avogadro, concentratie

Benodigdheden

  • Analytische balans (0,01 g)
  • Weegbootjes of maatcilinders
  • Stoffen: NaCl, CuSO₄·5H₂O (blauw), suiker (C₁₂H₂₂O₁¹), ijzervijlsel (Fe)
  • Periodiek systeem (voor molaire massa berekening)
  • Maatcilinder (100 mL), gedestilleerd water

Achtergrondinformatie

Het mol is de eenheid van hoeveelheid stof: 1 mol = 6,022 × 10²³ deeltjes (getal van Avogadro). Molaire massa M: de massa per mol stof, in g/mol (= numeriek gelijk aan de molecuulmassa in u). Formule: n = m / M, dus m = n × M en M = m / n. Voorbeeld: M(NaCl) = 23,0 + 35,5 = 58,5 g/mol → 1 mol NaCl weegt 58,5 g.

Werkwijze

Deel A – Één mol afwegen

  1. Bereken de molaire massa van NaCl, CuSO₄·5H₂O, suiker en Fe.
  2. Weeg per stof de massa die overeenkomt met 0,100 mol af. Controleer met de balans.

Deel B – Concentratie-oplossing bereiden

  1. Bereken hoeveel gram NaCl je nodig hebt voor 100 mL van een 0,500 mol/L oplossing.
  2. Weeg de berekende massa af. Los op in ≈80 mL water in een bekerglas. Voeg gedestilleerd water toe tot exactement 100 mL (maatcilinder). Schud.

Berekeningentabel Deel A

StofFormuleM (g/mol)m voor 0,100 mol (g)m gemeten (g)
KeukenzoutNaCl   
KopersulfaatCuSO₄·5H₂O   
SuikerC₁₂H₂₂O₁¹   
IJzerFe   

Verwerkingsvragen

  1. Bereken de molaire massa van CuSO₄·5H₂O. Gebruik het periodiek systeem.
  2. Hoeveel gram NaCl heb je nodig voor 250 mL van een 2,00 mol/L-oplossing?
  3. Bij de reactie 2 Mg + O₂ → 2 MgO: hoeveel gram MgO entstaat uit 2,40 g Mg? M(Mg) = 24,3 g/mol; M(MgO) = 40,3 g/mol.

Uitwerking

V1: CuSO₄·5H₂O: M = Cu + S + 4O + 5(2H + O) = 63,5 + 32,1 + 64,0 + 5(18,0) = 63,5 + 32,1 + 64,0 + 90,0 = 249,6 g/mol.

V2: n = c × V = 2,00 × 0,250 = 0,500 mol. m = n × M = 0,500 × 58,5 = 29,3 g NaCl.

V3: n(Mg) = 2,40 / 24,3 = 0,0988 mol. Verhouding Mg:MgO = 2:2 = 1:1 → n(MgO) = 0,0988 mol. m(MgO) = 0,0988 × 40,3 = 3,98 g ≈ 4,00 g.

Benodigde laboratoriumapparatuur van Labvakhandel

Labvakhandel levert analytische balansen, maatkolven en weegbootjes voor molberekening-practika in het voortgezet scheikundeonderwijs.

Bekijk het assortiment of neem contact op voor advies.

Meer practicumopdrachten

Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.