In dit examenpracticum voor klas 5 HAVO onderzoek je de plantensamenstelling van twee habitats (bijv. begraasde weide vs. onbegraasde ruigte) via de kwadrantenmethode. Je berekent de procentuele bedekking, relatieve frequentie en diversiteitsindex, en koppelt aan successie en de invloed van milieufactoren.
Na dit practicum kun je de kwadrantenmethode toepassen voor systematisch vegetatieonderzoek, procentuele bedekking en relatieve frequentie berekenen, de Simpson-diversiteitsindex voor planten berekenen, successiestadia herkennen, en de invloed van begrazing en klimaat op plantengemeenschappen verklaren.
Niveau: HAVO klas 5 (examenjaar) | Vak: Biologie | Domein: P (populatie- en ecosysteemniveau), E (evolutie) (CE) | Kwadrantenmethode, bedekking, frequentie, diversiteitsindex, successie, plantengemeenschap, abiotische factor
Kwadrantenmethode: systematische bemonstering van vegetatie in een vaste oppervlakte. Procentuele bedekking: geschat aandeel van het kwadrant dat door de soort wordt bedekt. Relatieve frequentie: (aantal kwadranten met soort / totaal kwadranten) × 100%. Successie: opeenvolging van levensgemeenschappen in de tijd op een locatie. Klimaatverandering beïnvloedt abiotische factoren (T, neerslag, CO₂) → verschuiving in plantengemeenschappen en fenologische veranderingen (bloeitijden, migratietijden).
V1: Begrazing (locatie A) verhoogt de diversiteit: grote, dominante grassen worden kort gehouden → meer ruimte voor kleinere soorten (kruiden, mossen). De concurrentievoordelen van dominante soorten worden beperkt → meer co-existentie → hogere D. In de ruigte (B) domineert een enkele soort (brandnetel) → lagere D.
V2: Brandnetel (Urtica dioica) is competitief sterk bij hoge stikstofconcentraties (nitrofiete soort). In stikstofrijke ruigten (bijv. door meststofafspoeling, dierlijk urine) heeft brandnetel een groot groeivoordeel door snelle nutrientenopname. Ze schaduwt kleinere planten weg (lichtcompetitie) → dominantie → lage diversiteit.
V3: Klimaatverandering verhoogt de gemiddelde temperatuur. Warmteminnende soorten vinden gunstigere abiotische condities op hogere breedtegraden (vroeger te koud). Plantensoorten breiden hun areaal uit naar het noorden/hoger gelegen gebieden, terwijl ze uit het zuiden verdwijnen. Aanpassingen: veranderde bloeitijden, langere groeiseizoenen. Soorten die niet snel kunnen migreren raken in gevaar (evolutiedruk).
Labvakhandel levert kwadrantsets, prikkers, veldgidsen en determinatiesleutels voor vegetatieonderzoekspraktika in het voortgezet biologieonderwijs.
Bekijk het assortiment of neem contact op voor advies.
Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.