In dit practicum voor klas 4/5 havo bepaal je het natriumchloridegehalte (keukenzout) in een voedingsmiddel naar keuze met de Mohr-titratie. Je gebruikt zilvernitraat om chloride-ionen neer te slaan en herkent het eindpunt aan een plotselinge kleurverandering van kleurloos naar roodbruin. Zo controleer je zelf of de opgave op het etiket klopt.
Na dit practicum kun je in eigen woorden uitleggen hoe een neerslagtitratie werkt en waarom het eindpunt zichtbaar is, een titratie zelfstandig voorbereiden en uitvoeren, het eindpunt correct herkennen aan de kleur, en het zoutgehalte berekenen uit het verbruikte volume zilvernitraat.
Niveau: HAVO klas 4/5 | Vak: Scheikunde | Domein: Stoffen en reacties / Kwantitatieve analyse | Trefwoorden: neerslagtitratie, Mohr-titratie, zilvernitraat, kaliumchromaat, NaCl, kwantitatieve analyse
Zilvernitraat is oxiderend en maakt permanente vlekken op huid en kleding — draag altijd handschoenen en een labjas. Kaliumchromaat is giftig en mogelijk kankerverwekkend; vermijd huidcontact en inademing. Werk op een goed geventileerde werkplek.
Wanneer je zilvernitraat druppelt in de monsteroplossing, reageert het zilverion (Ag⁺) direct met het aanwezige chloride (Cl⁻). Er vormt zich een wit neerslag van zilverchloride:
Ag⁺ + Cl⁻ → AgCl↓ (wit neerslag)
Zolang er nog chloride aanwezig is, wordt de indicator — kaliumchromaat, die de oplossing lichtgeel kleurt — nog niet aangesproken. Zodra alle chloride neergeslagen is, reageert het eerste overtollige zilver met de indicator:
2Ag⁺ + CrO₄²⁻ → Ag₂CrO₄↓ (roodbruin neerslag)
Die roodbruine kleur die 30 seconden aanhoudt is het eindpunt van de titratie. De Mohr-titratie is een klassieke neerslagtitratie die nog altijd wordt toegepast in de voedingsmiddelenindustrie, de waterkwaliteitscontrole en de farmaceutische analyse.
Stap 1 — mol AgNO₃ verbruikt: mol = 0,1 × V / 1000
Stap 2 — mol NaCl (1:1-verhouding met AgNO₃): mol NaCl = mol AgNO₃
Stap 3 — massa NaCl in het pipetvolume (10 mL): m(NaCl) = mol × 58,44 g/mol
Stap 4 — massa NaCl in de totale monsteroplossing (100 mL): m(NaCl) totaal = m(per 10 mL) × 10
Stap 5 — zoutgehalte: zoutgehalte (%) = m(NaCl) totaal / m(monster) × 100%
V1: Zolang er chloride aanwezig is, neerst Ag⁺ bij voorkeur als AgCl (wit). Pas als alle Cl⁻ neergeslagen is, reageert het eerstvolgende Ag⁺ met de indicator CrO₄²⁻ tot roodbruin Ag₂CrO₄. De kleurovergang markeert dus precies het moment dat de chloride op is.
V2: Kaliumchromaat fungeert als indicator. In kleine concentratie kleurt het de oplossing lichtgeel. Zodra alle chloride neergeslagen is, reageert het overtollige zilver met chromaat tot het roodbruine Ag₂CrO₄ — het zichtbare eindpuntsignaal.
V3: De berekende waarde wordt te hoog: het extra verbruikte volume leidt tot een overschatting van de hoeveelheid Cl⁻ en dus van het NaCl-gehalte.
V4: Het gemiddelde van beide waarden: (12,3 + 12,7) / 2 = 12,5 mL. Controleer of het verschil acceptabel is (≤ 0,2 mL voor HAVO-niveau); zo niet, voer een derde titratie uit.
V5: Bijvoorbeeld bij de productie van vleeswaren, kaas of soepen, waar het zoutgehalte wettelijk aan normen moet voldoen voor voedselveiligheid en etiketteringsverplichtingen.
Labvakhandel levert buretten, pipetten, maatkolven, analytische balansen en veiligheidsmiddelen die geschikt zijn voor dit practicum in het voortgezet scheikundeonderwijs. Bekijk ons scheikunde-assortiment of neem contact op voor advies.
Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.