Deze standaard werkprocedure beschrijft de correcte bediening van een laboratoriumcentrifuge (tafelmodel of vloermodel) voor de scheiding van mengsels door centrifugaalkracht. De procedure is merk- en type-onafhankelijk. De van toepassing zijnde normen zijn IEC 61010-2-020:2016 (veiligheidseisen voor centrifuges) en de fabrikantspecificaties voor de gebruikte rotor. Centrifugeren zonder correcte balancering is een ernstig veiligheidsrisico en kan leiden tot rotorverlies met gevaar voor de operator.
Verwante onderwerpen: SOP-kennisbank overzicht, SOP-structuur en opbouw, SOP-beheer.
Deze SOP borgt dat centrifugeren veilig en reproduceerbaar wordt uitgevoerd. De procedure is van toepassing op alle medewerkers die een laboratoriumcentrifuge met swingout-rotor of hoekrotor bedienen voor het scheiden van waterige biologische of chemische monsters.
IEC 61010-2-020:2016 — Safety requirements for electrical equipment for measurement, control, and laboratory use; particular requirements for laboratory centrifuges. Arbowet en Arbobesluit (NL) — Machinerichtlijn 2006/42/EG voor CE-markering van laboratoriumapparatuur. Fabrikanthandleiding van de specifieke centrifuge en rotor — verplicht beschikbaar naast het apparaat.
RCF (Relative Centrifugal Force): centrifugaalkracht uitgedrukt als veelvoud van de zwaartekracht (× g); berekend als RCF = 1,118 × 10⁻⁵ × r × n², waarbij r de rotorradius in cm is en n het toerental in rpm (bij r in mm: coëfficiënt 1,118 × 10⁻⁶). k-factor: maatstaf voor de pelleteertijd van een rotor; lagere k = efficiëntere pelletering. Maximale RCF: door de fabrikant opgegeven absolute bovengrens voor de rotor; overschrijding veroorzaakt rotorvervorming of rotorbreuk. Balanceren: het zodanig verdelen van de vulgewichten over de posities van de rotor dat het totale massamoment gelijk is.
Gecertificeerde centrifuge met geldig keuringslabel en bijbehorende rotor met geldig gebruiksregistratie (datum ingebruikname, aantal runs bij ultracentrifuges). Centrifugebuizen geschikt voor de te bereiken RCF en de te centrifugeren vloeistof (controleer chemische bestendigheid). Analytische of semianalytische balans voor gewichtscontrole van tegenoverstaande buizen. Persoonlijke beschermingsmiddelen conform de risicobeoordeling van het monster.
Stap 5.1 — Controleer het keuringslabel van de centrifuge: aanwezig en niet verlopen. Verlopen keuring: centrifuge niet gebruiken, melden bij verantwoordelijke.
Stap 5.2 — Controleer de rotor op zichtbare beschadiging, corrosie, haarscheuren of putcorrosie. Beschadiging aanwezig: rotor uit gebruik nemen, labelen als "afgekeurd" en melden. Gebruik nooit een beschadigde rotor; rotorverlies bij hoge snelheid is levensbedreigend. Ga niet verder.
Stap 5.3 — Controleer of de rotor geschikt is voor de beoogde RCF: raadpleeg de rotorspecificatiekaart voor de maximale RCF en het maximale buisvolume en -gewicht. Bereken de benodigde RCF via: RCF = 1,118 × 10⁻⁵ × r (cm) × n² (rpm), of equivalent RCF = 1,12 × r (mm) × (n/1000)². Stel het toerental zodanig in dat de benodigde RCF wordt bereikt zonder de rotorgrens te overschrijden.
Stap 5.4 — Controleer de centrifugebuizen op integriteit: geen scheuren, geen beschadigde dop. Gebruik altijd buizen die zijn gespecificeerd voor de te bereiken RCF.
Stap 5.5 — Vul de buizen en sluit ze. Weeg elk paar tegenoverstaande buizen op een balans. Maximaal toegestaan gewichtsverschil per tegenpositie: conform fabrikantspecificatie, doorgaans ≤ 0,1 g voor hoekrotors tot 20.000 rpm en ≤ 0,01 g voor ultracentrifugerotors. Breng het gewichtsverschil in evenwicht door de lichtere buis bij te vullen met dezelfde vloeistof (of water bij biologische monsters) tot de gewichten binnen de tolerantie liggen. Noteer de eindgewichten.
Stap 6.1 — Beladen rotor: plaats de gevulde buizen symmetrisch in de rotorposities. Bij een even aantal buizen: plaatsen tegenover elkaar. Bij een oneven aantal buizen: verdeel over drie posities op gelijke hoekafstanden (120° voor drie posities in een zesposities-rotor). Nooit een enkele buis zonder tegenwicht centrifugeren.
Stap 6.2 — Rotor plaatsen: zet de rotor op de as volgens de fabrikantinstructie. Draai de borgmoer of borgring handvast aan (tenzij de rotor zelfsluiting heeft). Controleer of de rotor vrij kan draaien zonder te schuren.
Stap 6.3 — Deksel sluiten: sluit het deksel volledig. Start de centrifuge nooit met open deksel. Controleer of de veiligheidsvergrendeling heeft ingeschakeld (indicatie op display of mechanische weerstand).
Stap 6.4 — Parameters instellen: stel toerental (rpm), tijd (minuten) en indien beschikbaar temperatuur (°C) in. Controleer de ingestelde waarden voor u start. Start de centrifuge.
Stap 6.5 — Bewaking tijdens de run: blijf de eerste 30 seconden in de nabijheid om ongebruikelijke trillingen of geluiden te detecteren. Trillingen, ongebruikelijk lawaai of alarm: stop de centrifuge onmiddellijk via de stopknop. Open het deksel pas nadat de rotor volledig tot stilstand is gekomen. Documenteer de afwijking.
Stap 6.6 — Na de run: wacht tot de rotor volledig tot stilstand is gekomen (display toont 0 rpm). Open het deksel. Verwijder de buizen. Controleer de rotorkamer op lekkage of besmetting. Lekkage aanwezig: zie afwijkingsprocedure stap 10.2.
Stap 6.7 — Documentatie: noteer in het logboek: datum, tijdstip, centrifugeID, rotorID, toerental (rpm), RCF (× g), tijd, temperatuur, monstertype en operatornaam.
Go: run voltooid zonder alarm, trillingen of geluidsafwijkingen; geen lekkage in rotorkamer; ingestelde parameters overeenkomen met gewenste waarden.
No-go — overtoerental alarm: stop onmiddellijk. Rotor inspecteren op beschadiging. Monsters als gecompromitteerd beschouwen. Documenteer en meld aan verantwoordelijke.
No-go — trilling of geluid tijdens run: noodstop. Na volledige stilstand: deksel openen, rotor inspecteren op beschadiging en op correcte balancering controleren. Rotorkamer inspecteren. Documenteer.
Visuele inspectie van rotor en rotorkamer: na elke run. Uitgebreide rotorcontrole (visueel op corrosie, putcorrosie, haarscheuren): maandelijks of conform fabrikantschema. Rotor afschrijven na maximaal aantal runs conform fabrikantspecificatie (verplicht bij ultracentrifugerotors). Centrifuge onderhoud en keuring door gecertificeerde technicus: jaarlijks of na incident. Resultaten vastleggen in apparatuurlogboek.
Draag labjas en handschoenen bij het beladen en ontladen. Bij aërosolrisico (besmettelijke monsters): gebruik centrifugebuizen met veiligheidsafsluiting en werk in veiligheidsniveau conform uw risicobeoordeling (minimaal BSL-2 voor humane cellijnen). Verwijder gemorste vloeistof onmiddellijk na openen van het deksel; decontamineer de rotorkamer conform uw desinfectieprocedure. Nooit het deksel forceren tijdens een draaiende rotor.
Afwijking 1 — Lekkage in rotorkamer: decontamineer de rotorkamer met geschikt desinfectans (70 % ethanol of conform uw besmettingsprocedure). Verwijder de rotor voor reiniging. Identificeer de oorzaak (gebarsten buis, losgeraakte dop). Documenteer als non-conformiteit. Beoordeel de besmettingsrisico's voor het laboratorium.
Afwijking 2 — Rotor onjuist bevestigd (niet volledig op as): noodstop. Na stilstand: rotor verwijderen en opnieuw correct bevestigen. Controleer de as op beschadiging. Documenteer.
Afwijking 3 — Temperatuurafwijking tijdens koelcentrifugeren: noteer de gemeten en ingestelde temperatuur. Beoordeel of de afwijking de monsterintegriteit heeft aangetast (eiwitdenaturatie, celschade). Documenteer en raadpleeg de onderhoudsdienst als de temperatuur structureel afwijkt.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische en regulatoire toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende wet- en regelgeving, de relevante normen en de uitvoerende autoriteiten of toezichthouders (zoals ECHA, Nederlandse Arbeidsinspectie, ILT of de bevoegde accreditatie-instantie).
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.