Indicatoren in het laboratorium: werkingsprincipe, typen en keuze

Een indicator is een stof die door een zichtbare verandering — doorgaans een kleurverandering, maar ook troebelheid, fluorescentie of gasvorming — signaleert dat een bepaalde chemische toestand is bereikt. In analytische chemie worden indicatoren gebruikt om het eindpunt of het equivalentiepunt van een titratie zichtbaar te maken. Buiten de titrimetrie dienen indicatoren ook om zuurgraad te schatten (pH-papier), om sterilisatieprocessen te bewaken en om scheiding op dunnelaagchromatografie te visualiseren. Dit artikel bespreekt de meest voorkomende indicatortypen, hun werkingsprincipe en de criteria voor een goede keuze.

Wat is een indicator en hoe werkt het?

De meeste laboratoriumtoepassingen dragen de term "indicator" in de betekenis van een kleurindicator: een stof waarvan de kleur (of het ontbreken ervan) afhangt van een heersende fysisch-chemische toestand, zoals de zuurgraad (pH), het redoxpotentiaal of de aanwezigheid van een bepaald ion. De indicator functioneert daarmee als een in-situ meetinstrument dat geen eigen apparatuur vereist.

Het centrale principe is een evenwichtsreactie waarbij twee vormen van de indicatormolekuul worden omgezet: de ene vorm overheerst in toestand A (bijv. zuur milieu) en de andere in toestand B (bijv. basisch milieu). Beide vormen hebben een sterk verschillende lichtabsorptie, waardoor de kleur zichtbaar omslaat zodra de toestand verandert. Bij sterilisatie-indicatoren is het mechanisme anders: daar geeft een onomkeerbare chemische reactie of biologische inactivering aan dat een bepaalde procesparameter (temperatuur, tijd, druk) is bereikt.

Wat is het verschil tussen een indicator en een elektrode bij titraties?

Een visuele indicator geeft het eindpunt van een titratie aan via kleurverandering, waarna u zelf het volume afleest. Een pH-elektrode of redox-elektrode meet continu het potentiaal tijdens de toevoeging van titrant en bepaalt het equivalentiepunt wiskundig uit de omslagcurve. De elektrode geeft meer informatie (de volledige titratiecurve), werkt ook bij gekleurde of troebele oplossingen en is minder afhankelijk van subjectieve beoordeling. Visuele indicatoren zijn goedkoper, vereisen geen kalibratie en zijn toereikend voor routine-titraties waarbij de oplossing helder is. In geautomatiseerde systemen (autotitrators) is een elektrode-detector de standaard; in het onderwijs en bij handtitraties wordt vaker de visuele indicator gebruikt. Meer over elektrochemische eindpuntdetectie leest u in het artikel over titrimetrie.

Zuur-base indicatoren (pH-indicatoren)

Zuur-base indicatoren zijn zwakke zuren (of zwakke basen) waarvan de geprotoneerde en gedeprotoneerde vorm een verschillende kleur vertonen. Het onderliggende evenwicht is:

HIn  ⇌  H⁺ + In⁻

In zuur milieu (hoge [H⁺]) wordt het evenwicht naar links gedrukt: de protonvorm HIn overheerst en de kleur A is dominant. In basisch milieu trekt het evenwicht naar rechts: de deprotoneerde vorm In⁻ overheerst en kleur B domineert. De indicator verandert van kleur wanneer de pH het omslaggebied bereikt. Dat omslaggebied omspant doorgaans het interval pKₐ(HIn) ± 1, dus circa 2 pH-eenheden breed. Binnen dat interval zijn beide kleurvormen aanwezig en ziet de oplossing er gemengd (tussenkleur) uit.

Waarom verandert een indicator van kleur bij een bepaalde pH?

De kleurverandering volgt rechtstreeks uit het zuur-base-evenwicht van de indicator zelf. Wanneer de pH gelijk is aan de pKₐ van de indicator zijn beide vormen (HIn en In⁻) in gelijke concentratie aanwezig en ziet u een tussenkleur. Daalt de pH verder onder het omslaggebied, dan overheerst HIn en ziet u kleur A. Stijgt de pH boven het omslaggebied, dan overheerst In⁻ en ziet u kleur B. Het menselijk oog is in staat een kleurverandering waar te nemen zodra de verhouding [In⁻]/[HIn] ruwweg 1:10 tot 10:1 overschrijdt, wat overeenkomt met het genoemde interval van 2 pH-eenheden.

Omslaggebieden van veelgebruikte pH-indicatoren

De figuur hieronder toont de omslaggebieden van de meest gebruikte pH-indicatoren op een schaal van pH 0 tot 14. De gekleurde zones links en rechts van het omslaggebied geven de kleur van de indicator aan in het zure respectievelijk basische gebied; de gradiënt in het omslaggebied verbeeldt de overgang.

Omslaggebieden van veelgebruikte pH-indicatoren op een pH-schaal van 0 tot 14
Figuur 1 — Omslaggebieden van zeven veelgebruikte pH-indicatoren. De gradiënt geeft het omslaggebied aan; de zones daarnaast tonen de dominante kleur in zuur en basisch milieu.
Indicator Omslaggebied (pH) Zuur → Basisch pKₐ (circa) Typische toepassing
Methyloranje 3,1 – 4,4 Rood → Oranje-geel 3,5 Sterk zuur–sterke base; carbonaatbepaling
Methylrood 4,4 – 6,2 Rood → Geel 5,1 Sterk zuur–sterke base; eiwitbepaling (Kjeldahl)
Lakmoes (litmus) 5,0 – 8,0 Rood → Blauw 6,5 Kwalitatief zuur-base-onderzoek; onderwijs
Bromothymolblauw (BTB) 6,0 – 7,6 Geel → Groen (neutraal) → Blauw 7,0 Neutraal equivalentiepunt; zwak zuur–zwakke base
Fenolftaleïne 8,2 – 10,0 Kleurloos → Roze 9,1 Zwak zuur–sterke base; NaOH-standaardisatie
Thymolftaleïne 9,3 – 10,5 Kleurloos → Blauw 9,8 Sterk basisch equivalentiepunt; carbonaat/bicarbonaatbepaling
Universele indicator 2 – 12 (breed) Rood → Violet Globale pH-schatting; onderwijs en veldwerk

Welke indicator gebruik ik voor welke titratie?

De gouden regel is dat het omslaggebied van de indicator moet overlappen met de pH-sprong rond het equivalentiepunt. Bij een sterke-zuur–sterke-base-titratie is die sprong breed (ruwweg pH 4–10), waardoor zowel methyloranje als fenolftaleïne bruikbaar zijn. Bij een zwak-zuur–sterke-base-titratie (bijv. azijnzuur met NaOH) valt het equivalentiepunt in het licht basische gebied (pH ≈ 8,7): fenolftaleïne is hier de aangewezen keuze; methyloranje slaat te vroeg om. Voor een zwakke-base–sterk-zuur-titratie (bijv. ammoniak met HCl) is het equivalentiepunt zwak zuur (pH ≈ 5,1): methylrood past hier beter dan fenolftaleïne. Een gedetailleerde toelichting op de keuze per titratietype, inclusief de berekening van de pH-sprong, vindt u in het artikel over zuurgraadtitratie en acidimetrie.

Kan ik meerdere indicatoren tegelijk gebruiken?

Ja — gemengde indicatoren (ook: mixedindicatoren) combineren twee kleurstoffen zodat de kleurovergang scherper en duidelijker is dan met één indicator. Een bekende combinatie is methyleenblauw met methylrood, die bij het omslagpunt naar grijs-groen kantelt en daarna naar rood-paars, wat de overgang gemakkelijker te beoordelen maakt. Gemengde indicatoren zijn nuttig wanneer de pH-sprong klein is en een nauwkeurig eindpunt vereist is. Ze zijn als kant-en-klare oplossing verkrijgbaar.

Waarom is bromothymolblauw groen bij neutrale pH?

Bromothymolblauw (BTB) is een van de weinige pH-indicatoren met een duidelijk zichtbare drie-kleuren-overgang: geel in zuur milieu (pH < 6,0), groen rond neutrale pH (pH ≈ 7,0) en blauw in basisch milieu (pH > 7,6). De groene kleur bij pH 7 is geen mengfout maar het directe gevolg van de verhouding tussen de gele geprotoneerde vorm (HIn) en de blauwe gedeprotoneerde vorm (In²−): bij gelijke concentraties absorberen ze complementaire golflengten, waardoor het oog het resulterende mengsel als groen waarneemt.

Dit maakt BTB bijzonder bruikbaar als visuele indicator voor het neutraal pH-punt, bijvoorbeeld bij de titratie van een zwak zuur met een zwakke base of bij de controle van buffersystemen rond pH 7. In het onderwijs is de drie-kleuren-overgang van BTB een klassiek demonstratie-experiment: voeg druppelsgewijs zuur of base toe aan een BTB-oplossing en volg de kleuren geel → groen → blauw. Voor de keuze van de meest geschikte indicator per titratietype zie de sectie Welke indicator gebruik ik voor welke titratie? hierboven.

Metallochrome indicatoren (complexometrische titraties)

Bij complexometrische titraties — waarbij een chelaatvormend reagens zoals EDTA wordt gebruikt om metaalionen te bepalen — worden metallochrome indicatoren ingezet. Deze indicatoren vormen gekleurde complexen met het te bepalen metaalion. Tijdens de titratie neemt EDTA het metaalion over van de indicator; zodra alle vrije metaalionen gebonden zijn, laat de indicator het ion los en slaat de kleur om naar de vrije indicatorkleur.

Bekende metallochrome indicatoren zijn:

  • Eriochrome Black T (EBT) — blauw in vrije vorm, wijnrood als metaalcomplex; veelgebruikt bij de bepaling van waterhardheid (Ca²⁺ + Mg²⁺). Werkt bij pH 9–10 (ammoniakbuffer). Wordt blauw zodra alle Ca²⁺ en Mg²⁺ door EDTA zijn gebonden.
  • Murexide (ammoniumzoût van purpurinezuur) — oranje-geel in vrije vorm, violet als Cu²⁺- of Ca²⁺-complex; geschikt voor Ca²⁺ bij pH 12 (in aanwezigheid van KOH dat Mg²⁺ neerslaat).
  • Calcon (Cal-Red) — blauw vrij, rood gebonden; gebruikt als alternatief voor EBT bij waterhardheidstitraties.
  • Calmagite — blauw vrij, rood gebonden; heeft het voordeel dat het stabieler is dan EBT in oplossing en bij hogere temperaturen goed werkt.
  • Xylenol oranje — geel vrij, rood-violet gebonden; geschikt voor Bi³⁺, Th⁴⁺ en zeldzame aarden bij lage pH (1–4).
  • PAN (1-(2-pyridylazo)-2-naphthol) — geel vrij, rood-violet gebonden met Cu²⁺, Zn²⁺, Co²⁺; geschikt voor titraties bij pH 3–6.

De pH van het monstermedium is bij metallochrome indicatoren cruciaal: zowel de stabiliteit van het metaal-EDTA-complex als die van het metaal-indicatorcomplex hangt sterk af van de pH. Buffering op de juiste pH is daarvoor essentieel. Voor de achtergrond over buffers verwijzen wij naar het artikel buffers bereiden en bufferkeuze in het laboratorium. De toepassing bij waterhardheid en de bijbehorende EDTA-titratieprocedure zijn uitgebreid beschreven in de artikelen over waterhardheid bepalen en complexometrie en EDTA-titratie.

Waarom werkt Eriochrome Black T niet bij hoge temperatuur of in de aanwezigheid van Fe³⁺?

EBT oxideert geleidelijk in oplossing en verliest daardoor zijn vermogen om metaalcomplexen te vormen. Dit treedt sneller op bij hogere temperatuur en in aanwezigheid van zware-metaalionen zoals Fe³⁺, die als katalysator optreden. Oplossingen van EBT worden daarom vers bereid, bewaard in de koelkast of gestabiliseerd met hydroxylamine als reductiemiddel. Ijzerionen maskeer je met cyanide of triethanolamine om interferentie te voorkomen. Als alternatief voor EBT in minder gunstige omstandigheden (hogere temperatuur, bewaarprobleem) wordt calmagite aanbevolen, dat stabieler is.

Redox-indicatoren

Bij redoxtitraties — waarbij een oxidatiemiddel of reductiemiddel als titrant wordt gebruikt — signaleert een redox-indicator het equivalentiepunt via een kleurverandering die afhankelijk is van het redoxpotentiaal van de oplossing. Het evenwicht is analoog aan dat van pH-indicatoren, maar dan met elektronen in plaats van protonen:

Inox + n e⁻  ⇌  Inred

De indicator slaat om wanneer het potentiaal in de buurt van het formele potentiaal (E°') van de indicator komt, doorgaans binnen ±0,059/n volt. De keuze van de redoxindicator vereist dus een potentiaal die tussen die van de analyt en die van de titrant ligt, zodat het eindpunt dicht bij het equivalentiepunt wordt gesignaleerd.

Veelgebruikte redox-indicatoren zijn:

  • Ferroin (1,10-fenantrolineijzercomplex) — de meest bekende redox-indicator; rood in gereduceerde vorm (Fe²⁺-complex), zwak blauw-groen in geoxideerde vorm (Fe³⁺-complex). E° = +1,06 V (vs. SHE). Gebruikt bij cerimetrie (cerium(IV)-titraties) en permanganometrie als er geen zelfstandige kleurindicatie is.
  • Difenylamine — kleurloos (gereduceerd) → violet (geoxideerd); E° = +0,76 V. Vroeger standaard bij dichromaattitraties, maar is grotendeels vervangen door ferroin vanwege betere precieze omslag en minder gevoeligheid voor fosforionen.
  • Difenylaminesulfonzuur — verbeterde versie van difenylamine; kleurloos → rood-violet; E° = +0,85 V. Minder storend bij aanwezigheid van fosfaat dan difenylamine.
  • Zetmeel — geen klassieke redox-indicator, maar een specifieke indicator voor jodimetrie: zetmeel vormt een diepblauwe complex met triodide (I₃⁻); de kleur verdwijnt zodra alle jood is verbruikt (bij jodometrische titraties). Feitelijk detecteert zetmeel de aanwezigheid van I₂/I₃⁻ en functioneert zo als indirect eindpuntsignaal.
  • Kaliumthiocyanaat (KSCN) — specifieke indicator bij argentometrie (bepaling van zilver); vormt rood ijzer(III)thiocyanaat als indicator voor zilverovermaat bij de Volhard-methode.

Wat is het verschil tussen een specifieke indicator en een echte redoxindicator?

Een specifieke indicator reageert selectief met de titrant of de analyt zelf (bijv. zetmeel met I₂, kaliumchromaat met Ag⁺), ongeacht het algemene redoxpotentiaal. Een echte redox-indicator reageert op het heersende elektrochimisch potentiaal van de oplossing en verandert van kleur zodra dat potentiaal een bepaalde drempelwaarde passeert — ongeacht welke specifieke verbindingen aanwezig zijn. In de praktijk worden beide typen door elkaar gebruikt en als "indicator" aangeduid.

Adsorptie-indicatoren (neerslagtitraties)

Bij neerslagtitraties (precipitatietitraties) wordt het eindpunt gesignaleerd door de vorming of verdwijning van een neerslag of door een kleurverandering van een indicator die aan het neerslag adsorbeert.

Bij de Mohr-methode (bepaling van chloride met zilvernitraat) wordt kaliumchromaat (K₂CrO₄) als indicator gebruikt. Zolang er chloride-ionen aanwezig zijn, vormt AgNO₃ het witte AgCl-neerslag. Zodra alle Cl⁻ is neergeslagen, reageert een lichte overmaat AgNO₃ met chromaat tot het roodbruine Ag₂CrO₄, wat het eindpunt signaleert.

Bij de Fajans-methode worden adsorptie-indicatoren gebruikt — veelal fluoresceïne of eosin — die op het oppervlak van het neerslag adsorberen en daardoor van kleur veranderen. Vóór het equivalentiepunt is het AgCl-neerslag negatief geladen (door adsorptie van Cl⁻) en wordt de negatief geladen indicatormolekuul afgestoten. Na het equivalentiepunt wordt het neerslag positief geladen (door adsorptie van Ag⁺), waardoor fluoresceïnaat wél adsorbeert en het neerslag van geel-groen naar roze omslaat. De Fajans-methode geeft een scherper eindpunt dan de Mohr-methode en werkt ook bij halogenide-titraties met andere argentumzouten.

Wanneer kies ik de Mohr-methode en wanneer de Fajans-methode?

De Mohr-methode is eenvoudig en geschikt voor chloridebepaling in neutrale tot licht basische media (pH 7–10). Ze werkt niet in zuur milieu (chromaat lost op) en niet bij bepaling van jodide of thiocyanaat. De Fajans-methode met fluoresceïne is breder toepasbaar: ze werkt voor Cl⁻, Br⁻ en I⁻ en geeft een directere, scherpe kleuromslag op het neerslag zelf. Eosin als adsorptie-indicator is geschikt voor Br⁻ en I⁻ maar niet voor Cl⁻ (te sterke adsorptie vóór het equivalentiepunt). In de praktijk wordt de Mohr-methode vaker gebruikt bij routinematige chloridebepaling in drinkwater en voedingsmiddelen; de Fajans-methode bij nauwkeurigere analyses of bij andere halogeniden.

UV-fluorescentieindicatoren (dunnelaagchromatografie)

In de dunnelaagchromatografie (TLC) worden silicagelplaten gebruikt die een UV-fluorescentie-indicator (gangbaar: mangaan-geactiveerd zinksilicaat, F₂₅₄) bevatten. Onder UV-licht bij 254 nm geeft de plaat een groene achtergrondflucrescentie; organische verbindingen die UV-licht absorberen bij of nabij 254 nm verschijnen als donkere vlekken op die groene achtergrond (absorptie-extinctie). Dit maakt niet-gekleurde verbindingen zonder destructieve behandeling zichtbaar. Alternatief wordt 366 nm (UV-A) gebruikt voor verbindingen die fluoresceren (bijv. aflatoxinen, flavonoïden, porfyrinen).

Naast UV-visualisatie worden TLC-platen ook ingespreid of bedampt met chemische reagentia die selectief met bepaalde stofklassen reageren — jood-damp (algemeen), ninhydrine (aminozuren), draggendorff-reagens (alkaloïden), anisaldehyde (terpenen, suikers). Strikt genomen zijn dit geen indicatoren maar detectiereagentia.

Biologische en chemische indicatoren bij sterilisatie

In de zorg, farmaceutische productie en laboratoriumomgevingen worden indicatoren ingezet om sterilisatieprocessen (stoom, droge hitte, ethyleenoxide, gammastraling) te bewaken. Hier heeft "indicator" een andere betekenis dan in de analytische chemie.

Een chemische indicator (CI) is een systeem dat door een onomkeerbare kleurverandering aangeeft dat een bepaalde procesparameter — temperatuur, tijd en/of stoom — is bereikt. De internationale norm EN ISO 11140-1 onderscheidt zes klassen, van eenvoudige klasse-1-procesindicatoren (een streepje op de buitenzijde van een autoclaafpakket) tot klasse-6-emulerende indicatoren die alle kritische parameters simultaan bewaken. Chemische indicatoren geven geen garantie over steriliteit; ze bevestigen slechts dat de procesparameters zijn gepasseerd.

Een biologische indicator (BI) bevat gestandaardiseerde sporen van een hittebestendige testbacterie — Geobacillus stearothermophilus voor stoomsterilisatie (EN ISO 11138-3) en Bacillus atrophaeus voor droge hitte en ethyleenoxide. Na blootstelling aan het sterilisatieproces wordt de BI geïncubeerd: als er geen groei optreedt, zijn de sporen geïnactiveerd en is het proces als effectief beoordeeld. BI's zijn de meest directe manier om sterilisatiedoeltreffendheid aan te tonen en zijn wettelijk vereist bij de vrijgave van steriele medische hulpmiddelen.

Wat is het verschil tussen een chemische indicator en een biologische indicator?

Een chemische indicator toont via kleurverandering dat bepaalde fysische procesparameters zijn bereikt — het geeft een directe en snelle respons, maar bewijst niet dat levende micro-organismen ook werkelijk zijn geïnactiveerd. Een biologische indicator bewijst met echte micro-organismen dat het sterilisatieniveau toereikend is, maar vereist een incubatietijd van 24 tot 48 uur (of 1–4 uur bij snelle BI-systemen met fluorometrische detectie). In de praktijk worden beide typen gecombineerd: chemische indicatoren bij elke lading als snel visueel "go/no-go", biologische indicatoren periodiek of bij elke lading voor medische implantaten.

Droogmiddelindicatoren en vochtsignaleringsystemen

Silicagel — een veel gebruikt droogmiddel in laboratoria — is verkrijgbaar in een zelfindicierende uitvoering met een kleurstof die de mate van vochtopname signaleert. De klassieke uitvoering met kobaltchloride (blauw droog, roze vochtig) wordt vanwege de CMR-classificatie van kobaltchloride steeds vaker vervangen door organische indicatoren op basis van methylviolet of methylgeel (oranje/geel droog, blauw-groen of groen bij verzadiging). De indicatorkleur helpt de gebruiker te bepalen wanneer het droogmiddel moet worden vervangen of geregenereerd door verhitting.

pH-papier en indicatorstrips: indicatoren in vaste drager

pH-papier en indicatorstrips zijn papier- of kunststofdragers geïmpregneerd met één of meer pH-indicatoren. Ze worden gedompeld in de te meten vloeistof en de kleur wordt vergeleken met een meegeleverde kleurenkaart. De nauwkeurigheid is beperkt (doorgaans ±0,5–1 pH-eenheid) maar de methode is snel, goedkoop en vereist geen apparatuur. Toepassingen zijn onder meer: snelle pH-controle van buffers, controle van proceswater, inprocess-controles in productie en veldonderzoek. Voor nauwkeurigere metingen is een gekalibreerde pH-meter vereist.

Naast universele pH-strips bestaan er enkelvoudige indicatorstrips voor smal bereik (bijv. pH 0–3, pH 6–8, pH 10–14) die een nauwkeuriger kleurvergelijking toelaten. Specifieke teststrips zijn ook beschikbaar voor nitraat, ammoniak, hardheid, chloride, peroxide en andere parameters in water, voedsel en milieuanalyse.

Is pH-papier nauwkeurig genoeg voor laboratoriumwerk?

Voor kwantitatief laboratoriumwerk — waarbij een pH-waarde op 0,1 eenheid nauwkeurig nodig is — volstaat pH-papier niet. Het is geschikt voor een globale inschatting of als snelle controle op orde van grootte. Voor titraties, bufferbereiding en analytische bepalingen gebruikt u altijd een gecalibreerde pH-meter met gekwalificeerde elektrode en bufferoplossingen voor kalibratie. pH-papier is wél nuttig voor veiligheidscontroles (is het afval zuur of basisch?) en voor oriënterende metingen in het veld.

Indicatoren kiezen: overzicht per toepassingsgebied

Toepassing Type indicator Voorbeelden
Zuur-base titratie (sterk–sterk) pH-indicator Methyloranje, methylrood, fenolftaleïne
Zuur-base titratie (zwak zuur–sterke base) pH-indicator basisch Fenolftaleïne, thymolftaleïne
Complexometrische titratie (EDTA) Metallochrome indicator EBT, calmagite, murexide, xylenol oranje
Redoxtitratie (permanganaat, ceraat) Redox-indicator Ferroin, difenylaminesulfonzuur
Jodimetrische titratie Specifieke indicator Zetmeel
Argentometrie (halogeniden) Neerslag- / adsorptie-indicator K₂CrO₄ (Mohr), fluoresceïne (Fajans)
Dunnelaagchromatografie UV-fluorescentie-indicator Zinksilicaat F₂₅₄ in silicagel
Sterilisatiebewaking Chemische / biologische indicator Klasse 1–6 CI; BI met G. stearothermophilus
Droogmiddelbewaking Vochtindicator Silicagel met methylviolet of methylgeel
Snelle pH-schatting pH-papier / strip Universeel pH-papier, smalbereikstrips

Praktische aandachtspunten bij het werken met indicatoren

Bij het gebruik van vloeibare indicatoroplossingen gelden een paar vuistregels. Voeg zo weinig indicator toe als nodig: een te hoge concentratie geeft een vaag eindpunt, verhoogt de systematische fout en kan in sommige gevallen het equivalentiepunt verschuiven (indicatorfout). Vijf tot tien druppels van een 0,1 %-oplossing zijn doorgaans voldoende voor een titratie van 25–50 mL. Bewaar indicatoroplossingen in donkere flesjes en ververs ze regelmatig; veel indicatoren oxideren of degraderen in het licht. Voer, wanneer nauwkeurigheid vereist is, een blancobepaling uit met dezelfde hoeveelheid indicator maar zonder analyt, zodat u de indicatorfout kunt corrigeren.

Metallochrome indicatoren voor EDTA-titraties worden vaak als vaste stof aangeboden, gemengd met natriumchloride of natriumsulfaat als drager (bijv. EBT-indicator 1 % in NaCl). Dit verlengt de houdbaarheid aanzienlijk ten opzichte van vloeibare EBT-oplossingen. Voeg slechts een kleine spatel toe aan het monster; de concentratie is minder kritisch dan bij pH-titraties omdat de omslag afhankelijk is van de verhouding vrij/gebonden indicator en niet van de absolute concentratie.

Wat is de indicatorfout en hoe beperk ik die?

De indicatorfout (ook: indicatorbijdrage of titratiefout) is het verschil tussen het eindpunt dat de indicator aangeeft en het werkelijke equivalentiepunt. Deze fout ontstaat doordat de indicator zelf als zwak zuur of zwakke base titreert — bij een te hoge indicatorconcentratie kan dit merkbaar zijn. Daarnaast versleept de kleurovergang over een gebied van circa 2 pH-eenheden, waardoor het visueel gekozen eindpunt niet altijd exact het equivalentiepunt treft. De indicatorfout is bij correct gebruik van de goede indicator en lage concentratie doorgaans kleiner dan de onzekerheid van de buretaflezing (0,02–0,05 mL) en daarmee verwaarloosbaar. Bij zwakke zuren of basen met een smalle pH-sprong kan de indicatorfout groter worden en is een instrumentele eindpuntdetectie te prefereren.

Verwante kennisbankartikelen

Voor pH-indicatoren en -papier, metallochrome indicatoren voor EDTA-titraties en sterilisatie-indicatoren kunt u terecht in ons assortiment indicatoren en pH-papier, sterilisatie-indicatoren en chemicaliën voor titrimetrie. Voor de bijbehorende meetapparatuur bekijkt u ons aanbod elektrochemie en pH-meters. Neem contact op voor advies over de juiste indicator voor uw specifieke titratie of toepassing.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.