In dit practicum laat je de DNA-fragmenten uit het vorige practicum over een agarosegel lopen. Onder invloed van een elektrisch veld worden de fragmenten op lengte gescheiden. Je maakt de banden zichtbaar met methyleenblauw, bepaalt de lengte van de fragmenten met een ijkgrafiek en koppelt de techniek aan het maken van een DNA-profiel.
Dit is deel 2 van 2. Je hebt in Practicum: DNA knippen met restrictie-enzymen het λ-DNA geknipt en de gel gegoten. In deze les (45 minuten) laad je de gel en laat je de fragmenten lopen. De kleuring en ontkleuring gebeuren buiten de les (zie voorbereiding). De verwerking doe je in een tweede lesdeel of als huiswerk.
Na dit practicum kun je uitleggen waarom DNA in een gel naar de positieve pool beweegt en waarom kleine fragmenten sneller lopen dan grote, een gelelektroforese zelfstandig uitvoeren, uit de afgelegde afstanden een ijkgrafiek maken en daarmee de lengte van onbekende fragmenten bepalen, en de betrouwbaarheid van je resultaat beoordelen.
Vak: Biologie | Domein: Zelfregulatie – DNA (restrictie-enzym, DNA-profiel, PCR, sequencen) | Duur: 1 les van 45 minuten + verwerking van ca. 30 minuten
Dit practicum is een gangbare methode, maar de uitkomst hangt af van uw enzym, gelkamer en kleurstof. Voer daarom vóór de eerste les één proefrun uit met de materialen die u gaat gebruiken, en herhaal die bij nieuw materiaal. Reken op ca. 1,5 uur voor beide delen van de proef samen.
Noteer na afloop: elektrodeafstand, spanning, looptijd, kleurduur, aantal zichtbare banden in de HindIII-baan.
Klassiek wordt DNA op een gel zichtbaar gemaakt met ethidiumbromide (Muta. 2, H341), in combinatie met een UV-lamp, en loopt de gel in TBE-buffer met boorzuur (Repr. 1B, H360FD). Deze stoffen horen bij de CMR-stoffen en zijn in het voortgezet onderwijs niet toegestaan zonder uitgebreide risicoanalyse.
Praktische noot: methyleenblauw is aanzienlijk minder gevoelig dan ethidiumbromide. Kleine fragmenten (onder ca. 1000 bp) zijn daardoor vaak niet te zien. Voor de lengtebepaling in dit practicum is dat geen probleem, omdat de grotere fragmenten voldoende zijn. Heeft de school een blauwlichtkast en een niet-mutagene fluorescente DNA-kleuring, dan kan die als alternatief worden gebruikt; controleer dan eerst de classificatie in het veiligheidsinformatieblad.
Tijdsplanning (45 minuten): 0–5 min: instructie en veiligheid • 5–12 min: gel in de kamer, buffer erbij • 12–22 min: monsters laden • 22–42 min: run (en theorievragen) • 42–45 min: spanning uit, gel overbrengen naar het kleurbad en opruimen.
Noot: is in deel 1 (DNA knippen) alleen met HindIII gewerkt, geef dan in well 3/7 een onbekend docentmonster (bijvoorbeeld λ-DNA geknipt met een ander enzym waarvan u de fragmentlengtes kent). De leerlingen bepalen de lengtes met de ijking van baan 2.
Groep B leest well 5, 6 en 7 als baan 1, 2 en 3. De verwerkingsvragen en de ijking verwijzen naar de baannummers van groep A.
Theoretische fragmentlengtes van λ-DNA (in bp), voor de ijking en de vergelijking:
V1: De fosfaatgroepen in de DNA-ruggengraat zijn bij de pH van de buffer negatief geladen. In het elektrische veld wordt een negatief geladen deeltje aangetrokken door de positieve pool.
V2: De lading per basenpaar is vrijwel gelijk, dus langere fragmenten hebben evenredig meer lading en worden niet sneller aangetrokken. Wel moeten ze door de poriën van het agarosenetwerk. Grote fragmenten komen daar moeilijk doorheen en blijven achter; kleine glijden er gemakkelijk door. Dus: hoe kleiner het fragment, hoe groter de afgelegde afstand.
V3: Baan 1 (en baan 5) is de negatieve controle zonder enzym. Hier zie je bovenaan, dicht bij de well, een enkele band (het lange, ongeknipte λ-DNA van ca. 48.500 bp). Dat toont aan dat de banden in de banen 2 en 3 het gevolg zijn van het enzym, en niet van de buffer, temperatuur of de behandeling.
V4: Je telt bij HindIII ca. 4–5 banden en bij EcoRI ca. 5. Theoretisch zijn dat er 8 en 6. Het verschil komt doordat (a) fragmenten van bijna dezelfde lengte (2322 en 2027 bp bij HindIII; 5804 en 5643 bp bij EcoRI) niet apart zichtbaar zijn en (b) kleine fragmenten (564 en 125 bp) te weinig DNA bevatten voor methyleenblauw of de gel uitlopen.
V5: Voorbeeld van de methode: meet de afstanden voor de HindIII-banden en zet afstand (mm) tegen log10(bp). Door de punten ontstaat een (vrijwel) rechte lijn. Voorbeeld: 6557 bp → log = 3,82; 4361 bp → 3,64; 2322 bp → 3,37. Met de trendlijn (y = a·x + b) vind je de lengte van een onbekende band met log10(bp) = a·afstand + b, dus bp = 10(a·afstand + b). De relatieve afwijking is |bpgemeten − bptheorie|/bptheorie × 100 %. Op een korte schoolgel is een afwijking van 5–15 % gebruikelijk. Gebruik het grootste fragment (23130 bp) niet voor de ijking als het niet op de lijn ligt.
V6: (1) Bij EcoRI zijn de fragmenten 5804 bp en 5643 bp bijna even lang en lopen in één band. (2) Ook 4878 bp ligt daar dicht bij; op een korte gel kan die band (gedeeltelijk) meevallen. Andere mogelijke oorzaken: onvolledige digestie of te weinig DNA in de baan. (De kleinste EcoRI-fragmenten zijn 3530 bp; dat ze te klein zijn voor methyleenblauw speelt hier dus niet.)
V7: Als je de afstand op ±1 mm afleest, geeft dat een afwijking in log10(bp) van helling × Δafstand, en de relatieve onzekerheid in de lengte is ongeveer 2,3 × die waarde. Voorbeeld: bij een helling van 0,04 log-eenheden per mm geeft 1 mm een onzekerheid van ca. 2,3 × 0,04 ≈ 0,09, dus ca. 9 % (ca. 360 bp bij 4000 bp). De helling lees je af uit je eigen ijkgrafiek. Andere oorzaken: dikte en breedte van de band (bandverbreding), een scheve of niet goed gestolde gel, een ongelijke elektrische veldsterkte, het meten aan de verkeerde plek van de band, en afwijkingen bij grote fragmenten (niet-lineair bereik).
V8: Eerst het DNA isoleren uit een monster (bijvoorbeeld bloed, haar of wangslijmvlies) en vervolgens specifieke loci met repeats vermeerderen met PCR (daarna eventueel knippen met restrictie-enzymen). Mensen verschillen in het aantal repeats van de korte herhalingen (STR-loci). Verschillende aantallen repeats geven DNA-fragmenten van verschillende lengte, die op de gel op een andere plaats terechtkomen. Het bandenpatroon per persoon is de DNA-fingerprint.
V9: Methyleenblauw is positief geladen (kationisch) en bindt daardoor aan de negatief geladen fosfaatgroepen van het DNA. Daarom werkt de kleuring. Zit de kleurstof al in de gel of de buffer, dan beweegt hij in het elektrische veld naar de negatieve pool, dus de andere kant op dan het DNA. Kleurstof en DNA raken van elkaar gescheiden: de banden worden zwak en de hele gel kleurt blauw. Kleuren na de run voorkomt dat.
Voor dit practicum heeft u onder meer een gelelektroforesekamer, een voeding, micropipetten en pipetpunten, TAE-buffer en methyleenblauw nodig. Bekijk het assortiment voor biotechnologie & moleculaire biologie, elektriciteit & voedingen en moleculaire biologie kits en reagentia, of neem contact op voor advies.
Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.