Gaschromatografie (GC)

Gaschromatografie is een analytische scheidingstechniek waarmee vluchtige en semi-vluchtige verbindingen worden geïdentificeerd en gekwantificeerd. De methode is gebaseerd op het verschil in interactie tussen de te scheiden stoffen en een stationaire fase in een kolom, terwijl een inert dragergas de verbindingen door het systeem voert. Gaschromatografie wordt in laboratoria breed ingezet voor kwaliteitscontrole, residuanalyse, milieubemonstering en procesbewaking.

Principe van gaschromatografie

Een vloeibaar monster wordt via een verwarmde injector in gasvorm gebracht en meegenomen door het dragergas (helium of stikstof). In de kolom — een capillair buisje van 15 tot 60 meter, bekleed met een dunne stationaire fase — verplaatsen de afzonderlijke componenten zich met verschillende snelheden. Stoffen met een hogere affiniteit voor de stationaire fase bewegen langzamer dan stoffen die weinig interactie hebben. Elk component verlaat de kolom op een kenmerkend tijdstip: de retentietijd. Een detector registreert het signaal en een software-interface verwerkt dit tot een chromatogram met pieken.

Schematisch overzicht van een gaschromatograaf
Figuur 1 — Schematisch principe van een gaschromatograaf

Retentietijd, dode tijd en kwalitatief versus kwantitatief

Retentietijd en dode tijd

De retentietijd (tR) is de tijd tussen injectie en het maximum van de piek in het chromatogram. Elke verbinding heeft onder vaste omstandigheden (kolom, temperatuurprogramma, dragergas, flow) een karakteristieke retentietijd die als identificatieparameter wordt gebruikt.

De dode tijd (t0) — ook holdup time of void time genoemd — is de tijd die een niet-retinerende stof nodig heeft om de kolom te passeren. Dit is puur de tijd in de gasfase zonder enige interactie met de stationaire fase. De dode tijd wordt bepaald door injectie van een niet-retinerend gas (methaan bij FID, of lucht bij TCD).

Op basis van beide waarden wordt de gecorrigeerde retentietijd (t'R) berekend:

t'R = tR − t0

De retentiefactor (k) — ook capaciteitsfactor k' — is dimensieloos en systeemonafhankelijker dan de absolute retentietijd:

k = t'R / t0 = (tR − t0) / t0

Een k-waarde tussen 2 en 10 is ideaal: te laag (k < 1) betekent onvoldoende retentie en slechte scheiding van het solventfront; te hoog (k > 20) geeft brede pieken en lange analysetijden. Bij temperatuurprogrammering varieert k tijdens de run — dit is de reden waarom temperatuurprogrammering wordt ingezet voor monsters met componenten van sterk uiteenlopende kookpunten.

Is gaschromatografie kwalitatief of kwantitatief?

GC is beide, afhankelijk van hoe het chromatogram wordt gebruikt:

Kwalitatief Kwantitatief
Wat wordt gebruikt? Retentietijd van de piek Piekoppervlakte of piekhoogte
Hoe? Vergelijking met retentietijd van referentiestandaard onder identieke omstandigheden Kalibratie via externe standaard, interne standaard of standaardadditie
Betrouwbaarheid identificatie Tentatief — twee stoffen kunnen dezelfde retentietijd hebben Definitief via GC-MS (massa-spectrum + retentietijd)
Nauwkeurigheid RSD < 1 % bij geoptimaliseerde methode met interne standaard

Onderdelen van een GC-systeem

Dragergas

Het dragergas is een inert gas dat het monster door het systeem voert. Helium wordt het meest gebruikt vanwege de gunstige diffusie-eigenschappen en brede compatibiliteit met detectoren. Stikstof is goedkoper maar geeft een smallere optimale stroomsnelheid. Waterstof biedt de hoogste efficiëntie maar vereist veiligheidsmaatregelen. De keuze en aansluiting van de bijbehorende gasfles, drukregelaar en zuiverheidsgraad worden behandeld in het artikel over werken met gasflessen in het laboratorium.

Injector

De injector verdampt het vloeibare monster bij hoge temperatuur (doorgaans 200–280 °C) en brengt het in de gasstroom. De meest gebruikte injectietechnieken zijn split (voor hoge concentraties, waarbij een deel van het monster wordt afgevoerd) en splitless (voor spooranalyse, waarbij het volledige monster de kolom ingaat). Via een septum en een liner wordt het monster uit een GC-vial reproduceerbaar ingespoten — voor vloeibare monsters met een microliter-precisiespuit, voor gasvormige monsters of headspace-bemonstering met een gasdichte injectiespuit (zie gasmeetspuit) die het volume zonder lekkage of diffusie overbrengt.

Wat is het verschil tussen split en splitless injectie?

De keuze tussen split en splitless injectie hangt af van de concentratie van de te analyseren componenten en de gewenste gevoeligheid. Bij split-injectie wordt slechts een fractie van het verdampte monster de kolom ingevoerd — de rest wordt via de splituitlaat afgevoerd. De splitverhouding (bijv. 1:10 of 1:50) bepaalt welk deel de kolom bereikt. Dit voorkomt overbelasting van de kolom bij hoog geconcentreerde monsters en geeft scherpe, symmetrische pieken. Nadeel: de meeste stof gaat verloren, waardoor de methode ongeschikt is voor spooranalyse. Bij splitless-injectie wordt de splitklep gedurende 0,5–1 minuut gesloten zodat het volledige monster de kolom ingaat. Dit verhoogt de gevoeligheid aanzienlijk, maar vereist een goede focussering van de bandvorm aan het kolomhoofd (koud-trap of solvent-effect) om brede, uitgerekte pieken te voorkomen. Splitless is de standaard voor residuanalyse, milieumeting en andere toepassingen waarbij concentraties in het µg/l- of ng/l-bereik worden bepaald.

Kolom en oven

De capillaire kolom — typisch met een inwendige diameter van 0,18 tot 0,53 mm en een lengte van 15 tot 60 m — is bekleed met een dunne stationaire fase. De polariteit en dikte van deze fase bepalen de selectiviteit. De oven regelt nauwkeurig de kolomtemperatuur. Bij isothermisch meten blijft de temperatuur constant; bij een temperatuurprogramma stijgt de temperatuur geleidelijk om componenten met uiteenlopende kookpunten te scheiden.

Stationaire fasen: types en keuze

De stationaire fase in een GC-capillaire kolom is een vloeibaar polymeer dat als dunne film (0,1–5 μm) op de binnenwand van het capillair is aangebracht. De polariteit van de fase bepaalt welke verbindingen worden geretineerd en in welke volgorde ze elueren. De vuistregel is: like dissolves like — een apolaire fase retineert apolaire verbindingen het sterkst; een polaire fase retineert polaire verbindingen het sterkst.

Fase Polariteit Typische toepassing Voorbeelden
100 % dimethylpolysiloxaan Apolair Koolwaterstoffen, PCB's, pesticidenscreening, gesimuleerde destillatie DB-1, HP-1, Rtx-1, CP-Sil 5
5 % phenyl / 95 % dimethyl Zwak apolair Universele fase; EPA-methoden voor VOC's, PAK's, semi-vluchtige verbindingen DB-5, HP-5, Rtx-5, VF-5ms
50 % phenyl / 50 % dimethyl Matig polair Aromatische verbindingen, drugs, steroïden DB-17, HP-50+, Rtx-50
Polyethyleenglycol (PEG / Wax) Polair Alcoholen, aroma's, oplosmiddelen, vetzuurmethylesters (FAME) DB-Wax, HP-Innowax, Stabilwax
Cyanopropyl-siloxaan Sterk polair Vrije vetzuren, FAME, polaire pesticiden DB-23, SP-2340, Rtx-2330
Cyclodextrine-derivaten Chiraal Enantiomeerscreening, chiraal zuiverheidsonderzoek van farmaceutica en aroma's (zie ook chirale chromatografie) Cyclosil-B, Chirasil-Dex, Beta DEX

Naast polariteit bepalen drie kolomparameters de scheidingsefficiëntie:

  • Kolomlengte — langere kolom geeft meer theoretische platen (hogere resolutie) maar ook langere analysetijd en bredere pieken. Standaard: 30 m voor de meeste toepassingen; 60 m voor complexe mengsels; 15 m voor snelle screening.
  • Binnendiameter (i.d.) — smaller geeft hogere efficiëntie maar lagere monsterbelasting. 0,25 mm is standaard; 0,18 mm voor HSGC (hoge-snelheid GC); 0,53 mm (wide bore) voor hogere monstercapaciteit en detector-compatibiliteit zonder splitter.
  • Filmdikte (df) — dikkere film geeft hogere retentie (hoger k) en hogere monstercapaciteit; dunne film (0,1 μm) voor hoog-kookpuntverbindingen; dikke film (1–5 μm) voor vluchtige verbindingen en splitless-injectie van verdunde monsters.

Detector

De meest gebruikte detectoren zijn:

  • FID (Flame Ionization Detector) — detecteert koolwaterstofverbindingen via verbranding in een waterstofvlam; hoge gevoeligheid, geschikt voor organische verbindingen.
  • TCD (Thermal Conductivity Detector) — universeel inzetbaar, ook voor anorganische verbindingen; minder gevoelig dan FID maar niet destructief.
  • ECD (Electron Capture Detector) — bijzonder gevoelig voor gehalogeneerde verbindingen, zoals pesticiden en PCB’s.
  • MS (Massaspectrometer) — koppeling van GC met massaspectrometrie (GC-MS) geeft naast kwantificering ook structuurinformatie en is de gouden standaard voor identificatie. Voor de analyse van vluchtige organische verbindingen (VOC) in adem, voedsel en omgevingslucht wordt GC ook gecombineerd met ion mobility spectrometry (GC-IMS), die conformationele scheiding in de gasfase toevoegt aan de retentietijdidentificatie.

Hoe werkt een FID-detector?

De Flame Ionization Detector (FID) is de meest gebruikte detector in gaschromatografie voor organische verbindingen. Het werkingsprincipe berust op verbranding: de kolomeffluent wordt gemengd met waterstof en lucht en verbrand in een kleine vlam tussen twee elektroden. Wanneer koolstofhoudende verbindingen in de vlam verbranden, worden koolstof-ionen gevormd die een meetbare ionenstroom veroorzaken tussen de elektroden. Deze ionenstroom is evenredig met het aantal koolstofatomen dat per tijdseenheid de detector bereikt. De FID heeft een detectielimiet in het picogram-bereik (10‑12 g/s) en een dynamisch lineair bereik van zeven ordes van grootte, wat hem uitermate geschikt maakt voor kwantitatieve analyse. Belangrijke beperking: de FID reageert niet op verbindingen zonder C‑H-bindingen, zoals water, CO₂, CO, zwaveldioxide en edelgassen — voor die verbindingen is een TCD of specifieke detector vereist. De FID is destructief: het monster wordt verbrand en kan niet worden teruggevoerd.

Toepassingen in het laboratorium

Gaschromatografie wordt toegepast in uiteenlopende sectoren:

  • Voedingsmiddelenindustrie — analyse van aroma’s, vetzuren (FAME), residuen van bestrijdingsmiddelen en migratiestoffen uit verpakkingen.
  • Milieu — bepaling van vluchtige organische verbindingen (VOC’s), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en chloorkoolwaterstoffen in water, bodem en lucht.
  • Farmacie en klinisch — zuiverheidscontrole van API’s, residuele oplosmiddelen (ICH Q3C), bloedalkohol- en toxicologische analyses.
  • Petrochemie — samenstelling van aardgas, benzinekwaliteit, gesimuleerde destillatie als alternatief voor de fysieke fractionering met een Vigreuxkolom of schotelkolom.
  • Forensisch onderzoek — identificatie van brandversnellers, drugs en toxische stoffen.

Voordelen en beperkingen

Voordelen Beperkingen
Hoge scheidingsefficiëntie (duizenden theoretische schotels) Alleen geschikt voor vluchtige en thermisch stabiele stoffen
Hoge gevoeligheid (FID: pg-bereik) Niet-vluchtige verbindingen vereisen derivatisering
Korte analysetijden (5–40 minuten) Beperkte directe identificatie zonder MS-koppeling
Kwantitatief en kwalitatief bruikbaar Monster moet representatief verdampen in de injector

Gerelateerde technieken

Naast gaschromatografie worden in laboratoria vergelijkbare scheidingstechnieken toegepast. HPLC is de aangewezen keuze voor niet-vluchtige en thermisch labiele verbindingen in vloeistofmatrix. Dunnelaagchromatografie (TLC) biedt een snelle kwalitatieve screening. Voor ionenanalyse in waterige oplossingen is ionenchromatografie (IC) de gebruikelijke methode. Molecuulgewichtskarakterisering van polymeren en eiwitten wordt uitgevoerd via grootte-exclusiechromatografie (SEC/GPC). Voor thermisch labiele verbindingen die niet vluchtig genoeg zijn voor GC maar te apolair voor standaard omgekeerde-fase HPLC, biedt superkritische vloeistofchromatografie (SFC) een milieuvriendelijk alternatief.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen GC en GC-MS?

Bij standaard GC wordt een enkelvoudige detector gebruikt (FID of TCD) die een elektrisch signaal afgeeft als functie van de hoeveelheid stof. GC-MS koppelt de gaschromatograaf aan een massaspectrometer: elk piek krijgt niet alleen een retentietijd maar ook een massa-spectrum, waardoor definitieve structuuridentificatie mogelijk is. GC-MS is de referentiemethode voor bevestigingsanalyse.

Welk dragergas is het beste?

Voor de meeste toepassingen met FID-detectie is helium de voorkeurskeuze vanwege de optimale bandbreedte en compatibiliteit. Bij gebruik van een TCD is stikstof of argon beter, omdat helium en waterstof zelf een hoge thermische geleidbaarheid hebben en het signaal verstoren. Waterstof geeft de hoogste plategetallen maar vraagt om voorzichtige omgang in het lab.

Hoe wordt een GC-kolom gekozen?

De kolomkeuze hangt af van de polariteit van de te analyseren stoffen. Een apolaire fase (zoals DB-1 of DB-5) scheidt op kookpunt en is geschikt voor koolwaterstoffen en vetzuren. Een polaire fase (zoals DB-Wax) retineert polaire verbindingen langer en is gebruikelijk voor alcoholen en aroma’s. Naast de stationaire fase spelen kolomlengte, binnendiameter en filmdikte een rol in de gewenste resolutie en analysetijd.

Wat is een GC-standaard en hoe wordt die gebruikt voor kwantificering?

Een GC-standaard is een oplossing van een bekende verbinding met een bekende concentratie, die wordt gebruikt om de detector te kalibreren en kwantitatieve resultaten te berekenen. Er zijn drie gangbare kalibratiestrategieën. Bij de externe standaard wordt een kalibratieserie van de doelstof in bekende concentraties afzonderlijk gemeten; de piekoppervlakten worden uitgezet tegen de concentraties om een ijklijn op te stellen. Eenvoudig maar gevoelig voor injectievariatie. Bij de interne standaard wordt een bekende hoeveelheid van een structuurverwante maar in het monster afwezige verbinding aan elk monster en elke kalibratiesolution toegevoegd vóór injectie. De verhouding van piekoppervlak doelstof tot piekoppervlak interne standaard corrigeert automatisch voor variaties in injectievolume en instrumentrespons — dit geeft de hoogste nauwkeurigheid (RSD < 1 %). Bij standaardadditie worden bekende hoeveelheden doelstof toegevoegd aan het echte monster; dit compenseert voor matrixeffecten maar is arbeidsintensiever. Gecertificeerde referentiematerialen (CRM's) voor GC zijn verkrijgbaar in oplosmiddelen als methanol, aceton of hexaan met nauwkeurig gecertificeerde concentraties.

Wat is derivatisering in GC en wanneer is het nodig?

Derivatisering is een chemische voorbehandeling waarbij niet-vluchtige of thermisch instabiele verbindingen worden omgezet in een vluchtig, stabiel derivaat dat wel met GC kan worden geanalyseerd. Verbindingen met vrije hydroxyl-, carbonzuur-, amine- of thiolgroepen zijn vaak te polair, te weinig vluchtig of te thermisch labiel om direct te injecteren. Door ze te derivatiseren worden die polaire groepen geblokkeerd, de vluchtigheid verhoogd en de thermische stabiliteit vergroot. Gangbare derivatiseringsreacties zijn silylering (bijv. met BSTFA of TMS-reagens, voor suikers, aminozuren, vrije vetzuren), methylering (voor vetzuren tot FAME) en acylering (voor aminen en aminozuren). Derivatisering voegt een stap toe aan de monstervoorbereiding en vereist aandacht voor volledige reactie en reproduceerbaarheid, maar maakt GC-analyse mogelijk van verbindingen die anders alleen via HPLC toegankelijk zijn.

Wat is headspace-analyse in GC?

Bij headspace-analyse wordt niet het vloeibare of vaste monster zelf geïnjecteerd, maar de dampfase (headspace) boven het monster in een afgesloten vial. Het monster wordt in een thermostaat op een vaste temperatuur gebracht zodat vluchtige componenten een evenwicht instellen tussen de vloeibare en de gasfase; vervolgens wordt een nauwkeurig afgemeten volume van de gasfase ingespoten in de GC. Statische headspace is eenvoudig en breed toepasbaar (alcoholbepaling in bloed, residuele oplosmiddelen in farmaceutische producten, aroma's in voedsel). Dynamische headspace (purge-and-trap) wordt gebruikt voor nog lagere concentraties: het monster wordt doorgespoeld met een inert gas dat de vluchtige componenten meeneemt en op een adsorptiebuis concentreert, waarna thermische desorptie volgt. SPME (solid-phase microextraction) combineert adsorptie en desorptie in één stap via een gecoate vezel die direct in de headspace of het monster wordt gedompeld en daarna in de injector wordt gedesorbeerd — een solventvrije en gevoelige techniek voor spooranalyse.

Wat is kolombloeding (column bleed) en hoe voorkomt u het?

Kolombloeding (column bleed) is het geleidelijk vrijkomen van stationaire-fasemateriaal uit de GC-kolom als gevolg van thermische afbraak bij hoge temperaturen. Het manifesteert zich als een stijgende basislijn die bij het opwarmen van de oven toeneemt en bij afkoelen weer daalt. Bij GC-MS is kolombloeding herkenbaar aan karakteristieke ionen (m/z 207, 281, 355 voor polysiloxaanfasen). De belangrijkste oorzaken zijn overschrijding van de maximale bedrijfstemperatuur van de kolom, aanwezigheid van zuurstof in het dragergas (oxidatieve afbraak) of vochtindringing. Kolombloeding vermindert u door de kolomtemperatuur minimaal 20 °C onder de opgegeven maximumtemperatuur te houden, een oxygentrap en moisture-trap te plaatsen in de dragergas-lijn, en de kolom periodiek te conditioneren (langzaam opwarmen naar de maximumtemperatuur zonder detector). Een verouderde kolom met structurele bloeding moet worden vervangen.

Waarom is GC milieuvriendelijker dan HPLC?

Bij HPLC is de mobiele fase een vloeistof — doorgaans een mengsel van water met organische oplosmiddelen als acetonitril of methanol — die continu door de kolom wordt gepompt en als afvalstroom het systeem verlaat. Een typische HPLC-methode verbruikt 5–20 ml oplosmiddel per minuut, wat bij een analyse van 30 minuten resulteert in 150–600 ml chemisch afval. GC gebruikt als mobiele fase uitsluitend een inert dragergas (helium, stikstof of waterstof) dat kosteloos en zonder afvalprobleem wordt afgevoerd. Het enige oplosmiddel bij GC zit in de monsteroplossing zelf, doorgaans enkele microliters. Per analyse is de oplosmiddelvoetafdruk van GC daarmee een factor 1000 tot 10.000 kleiner dan van HPLC. Bovendien vereist GC geen gevaarlijke oplosmiddelen als mobiele fase, wat de arbeids­hygiënische risico's en afvalverwerkingskosten sterk vermindert. Dit is een van de redenen waarom GC de voorkeur geniet voor vluchtige verbindingen wanneer de chemische aard van het monster de keuze toelaat.

Hoe verloopt een GC-analyse stap voor stap?

  1. Monstervoorbereiding — het monster moet vloeibaar of in oplossing zijn, vrij van niet-vluchtige residuen die de kolom of injector kunnen vervuilen. Filtreer vloeistofmonsters vooraf door een spuitfilter (0,45 µm) om deeltjes te verwijderen, en los op in een geschikt oplosmiddel (dichloormethaan, hexaan, aceton — afhankelijk van de toepassing). Vaste monsters worden geëxtraheerd (soxhlet, QuEChERS, headspace); waterige monsters worden vloeistof-vloeistof geëxtraheerd of via SPME geconcentreerd.
  2. Instrument instellen — stel de injectortemperatuur in (typisch 20–50 °C boven het kookpunt van de hoogst kokende component), het temperatuurprogramma van de oven en de detectortemperatuur (altijd hoger dan de kolomtemperatuur om condensatie te voorkomen). Laat het systeem stabiliseren tot een stabiele basislijn.
  3. Injectie — injecteer typisch 0,5–2 μl met een gasdichte microsyringe. Bij split-injectie wordt de splitverhouding ingesteld (bijv. 1:10 of 1:50) om kolomoverbelasting te voorkomen. Bij splitless wordt de splitklep 0,5–1 minuut gesloten voor volledige monsteroverbrenging naar de kolom.
  4. Scheiding in de kolom — de oven voert het temperatuurprogramma uit: begintemperatuur (vaak 40–60 °C, net onder het kookpunt van het oplosmiddel), gevolgd door een stijgingssnelheid (5–20 °C/min) tot de eindtemperatuur. Een hogere stijgingssnelheid geeft kortere analysetijd maar slechtere resolutie tussen naburige pieken.
  5. Detectie en chromatogram — de detector geeft een signaal per component; software verwerkt dit tot een chromatogram. Controleer na de run: basislijnstabiliteit, piekvormen (geen tailing of fronting), aanwezigheid van het solventpiek op de verwachte retentietijd.

Hoe lees je een GC-chromatogram af?

Een systematische aanpak voor het interpreteren van een GC-chromatogram:

Stap Wat te controleren Wat wijst op een probleem?
1. Basislijn Vlak en stabiel vóór en na pieken Stijgende basislijn: kolombloeding (column bleed) bij te hoge temperatuur of verouderde kolom
2. Solventpiek Grote piek op korte retentietijd; moet symmetrisch zijn Brede of asymmetrische solventpiek: septumlek of te lage injectortemperatuur
3. Dode tijd (t0) Tijd tot eerste niet-retinerende piek (lucht of methaan) Afwijkende t0: flowprobleem of druklekkage
4. Identificatie via retentietijd Vergelijk tR met referentiestandaard of bibliotheek (bij GC-MS) Verschoven retentietijden: druk- of flowinstabiliteit, kolom ingekort
5. Piekvormen Symmetriefactor As = 0,8–1,5 Tailing: actieve sites in injector of kolom; fronting: te hoge injectieconcentratie (column overload)
6. Kwantificering Piekoppervlakte via kalibratie-standaardreeks; interne standaard corrigeert voor injectievolumevariatie Slechte lineariteit: detector buiten lineair bereik; gebruik verdunningsreeks

Wat is een negatieve piek in een GC-chromatogram?

Een negatieve piek (piek die onder de basislijn uitsteekt) is in GC een aanwijzing voor een specifiek signaalverstorend effect en geen gewone analytpiek. De meest voorkomende oorzaken zijn de volgende. Bij een TCD treedt een negatieve piek op wanneer de thermische geleidbaarheid van de eluerendeverbinding lager is dan die van het dragergas: de detector registreert dan minder warmtegeleiding dan de referentiestroom, wat resulteert in een omgekeerd signaal. Dit doet zich voor bij zware organische verbindingen in een heli­umstroom. Bij een FID zijn negatieve pieken zeldzaam maar kunnen ze optreden door een negatieve ionenstroom als gevolg van electronegatieve verbindingen (zoals gehalogeneerde koolwaterstoffen bij bepaalde vlaminstellingen). Een andere oorzaak is solventeffect bij splitless-injectie: als het oplosmiddel een hogere FID-respons heeft dan het dragergas en het monster een component bevat dat de verbranding onderdrukt, kan een korte dip na de solventpiek zichtbaar zijn. Tot slot kunnen negatieve pieken ontstaan door negatieve matrixeffecten bij injectie van complexe monsters of door incorrecte polariteitsinstellingen van de data-acquisitiesoftware. Systematische negatieve pieken rechtvaardigen altijd controle van de polariteitsinstelling, de detectorvlaminstellingen en de keuze van dragergas en detector.

Voor de karakterisering van vaste, onoplosbare monsters — polymeren, elastomeren, coatings en materialen — is pyrolyse-GC/MS de logische uitbreiding van de standaard GC/MS-opstelling: het monster wordt in milliseconden bij 500–800 °C thermisch afgebroken tot kenmerkende fragmenten die vervolgens door dezelfde GC/MS worden geanalyseerd.

Bekijk het assortiment chromatografie-accessoires, of neem contact op voor advies bij de keuze van de juiste materialen voor uw GC-toepassing.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.