Atomaire krachtsmicroscopie (AFM, Atomic Force Microscopy) is een rastersondetechniek waarmee oppervlakken worden afgebeeld door de krachten te meten tussen een uiterst scherpe naald en het monsteroppervlak. De naald, bevestigd aan een flexibele cantilever, rasterscant het oppervlak punt voor punt; de buiging van de cantilever wordt bijgehouden via een laserstraal die reflecteert op een positiegevoelige detector. Zo ontstaat een driedimensionale topografiekaart met een laterale resolutie van 1–10 nm en een verticale resolutie van minder dan 0,1 nm — zonder dat het monster geleidend hoeft te zijn, onder vacuüm moet worden gebracht of speciale voorbereiding vereist. AFM is daarmee een onmisbare aanvulling op elektronenmicroscopie (SEM en TEM) en confocale microscopie, en vormt de basis van het bredere vakgebied van de rastersondemicroscopie (SPM).
AFM werd in 1986 geïntroduceerd door Binnig, Quate en Gerber als uitbreiding van de rastertunnelmicroscoop (STM). Waar STM een tunnelstroom vereist en daardoor beperkt is tot geleidende oppervlakken, detecteert AFM de mechanische krachten tussen naald en monster — en is daarmee toepasbaar op metalen, polymeren, keramiek, biologische membranen en levende cellen. De techniek behoort tot de familie van rastersondemicroscopen (Scanning Probe Microscopy, SPM).
De cantilever is doorgaans gefabriceerd uit silicium of siliciumnitride en heeft een veerconstante van 0,01–50 N/m, afhankelijk van de beoogde operatiemodus. De naaldradius bedraagt typisch 1–20 nm; gespecialiseerde ultra-scherpe tips kunnen tot onder 1 nm worden geslepen. De cantilever deflecteert wanneer er een kracht werkt op de tip; via de optische hefboom (laserspotverplaatsing op de PSD is ordes van grootte groter dan de werkelijke cantileverbuiging) zijn krachten in het bereik van 10 pN tot 100 nN meetbaar. Een xyz-piezoscanner beweegt het monster onder de naald (of de naald over het monster) met sub-nanometer nauwkeurigheid.
Wanneer de AFM-naald het oppervlak nadert, ervaart zij achtereenvolgens aantrekkende van-der-Waals-krachten (langeafstandsinteractie, aantrekkend), gevolgd door repulsieve krachten zodra de elektronenwolken van naald en oppervlak overlappen. Het kracht-afstand profiel heeft daarmee de karakteristieke Lennard-Jones-vorm: een attractief minimum op enkele nanometers afstand en een steil repulsief gebied bij direct contact. In welk deel van deze curve de naald werkt, bepaalt de operatiemodus.
De feedbackloop is de kern van de AFM-meting: een controller vergelijkt het gemeten signaal (deflectie of trillingsparameter) continu met een ingestelde set-point waarde. De afwijking stuurt de z-piezoscanner aan, die het monster omhoog of omlaag beweegt om het signaal constant te houden. De z-correctie die de piezoscanner per rasterpunt uitvoert, is direct evenredig met de lokale hoogte van het oppervlak — zo ontstaat de topografiekaart.
Afhankelijk van de toepassing, het monstertype en de gewenste informatie wordt een van drie basisoperatiemodi gekozen.
In contact mode (ook: statische mode) bevindt de naald zich in het repulsieve regime: zij raakt het oppervlak direct en ervaart een afstotende kracht. De feedbackloop houdt de cantileverdeflectie — en daarmee de contactkracht — constant. Contact mode levert de hoogste laterale resolutie en snelste scansnelheid, maar brengt risico mee op beschadiging van zachte monsters door de laterale wrijvingskrachten. De modus is bij uitstek geschikt voor harde materialen zoals kristallen, keramiek en metaaloppervlakken, en voor het meten van laterale krachten (Lateral Force Microscopy, LFM).
In non-contact mode (dynamische mode) trilt de cantilever vlak boven zijn resonantiefrequentie f₀ met kleine amplitude (typisch 1–10 nm) en bevindt de naald zich in het attractieve regime op 5–50 nm van het oppervlak. Aantrekkingskrachten verlagen de effectieve veerconstante en verschuiven de resonantiefrequentie of dempen de amplitude. In amplitude-modulatie (AM-AFM) wordt de amplitude als set-point gebruikt; in frequentie-modulatie (FM-AFM) de frequentieverandering. FM-AFM in vacuüm bereikt ware atoomresolutie en is standaard voor reactieve oppervlakken en oxidelagen. Non-contact mode is minder gangbaar in lucht door de storende effecten van het adsorptiewaterlaagje op het oppervlak.
Tapping mode — ook aangeduid als intermitterende contactmode of AC mode — is de meest gebruikte AFM-modus voor lucht en vloeistof. De cantilever trilt dicht bij zijn resonantiefrequentie met een vrije amplitude van 20–100 nm; bij elke trillingsperiode raakt de naald het oppervlak gedurende een fractie van de tijd. De feedbackloop regelt de amplitude op een ingestelde waarde. Doordat de naald slechts korte tijd contact maakt per cyclus, zijn de laterale wrijvingskrachten minimaal — cruciaal voor zachte, viskeuze of los gebonden materialen zoals polymeerfilms, biologische membranen en geadsorbeerde moleculen. Uit de faseverschuiving tussen de aansturing en de respons van de cantilever kan informatie worden verkregen over de visco-elastische eigenschappen van het oppervlak (fase-AFM).
Moderne AFM-systemen bieden naast topografie een reeks van gelijktijdig meetbare of afgeleid informatiekanalen. De meest toegepaste zijn samengevat in de onderstaande tabel.
AFM, SEM/TEM en confocale microscopie zijn complementaire technieken die verschillende eigenschappen van het monster ontsluiten. De keuze hangt af van de gewenste informatie, de monsteraard en de beschikbare middelen.
Naast topografische beeldvorming is AFM een krachtsensor. Bij krachtsspectroscopie (Force Spectroscopy) wordt de naald langzaam op één punt naar het oppervlak bewogen en daarna teruggetrokken terwijl de kracht continu wordt gemeten. De resulterende kracht-afstand curve bevat de volgende informatie:
Force-mapping (ook: HarmoniX, PeakForce QNM) combineert krachtsspectroscopie met rasterscannen: elke beeldpixel bevat een volledige kracht-afstand curve, zodat een kaart van Young-modulus, adhesie of dissipatie-energie over het oppervlak wordt verkregen. Dit is waardevol voor composietmaterialen met heterogene mechanische eigenschappen, zoals fasegescheiden polymeermengsels, biofilmmatrices of vezelversterkte harsen.
AFM wordt breed ingezet voor oppervlakteruwheidmetingen (conform ISO 25178 voor 3D-oppervlaktetextuur), laagdiktebepaling, kwaliteitscontrole van dunne films en coatings, en de karakterisering van nanostructuren zoals nanodraden, koolstofnanobuisjes en grafeenvlokken. De kwantitatieve topografiedata complementeren de resultaten van BET-oppervlakte-analyse (porositeitsbepaling) en laserdiffractie (deeltjesgrootteverdeling) bij nanomaterialenonderzoek. Voor de karakterisering van visco-elastische polymeren is dynamisch-mechanische analyse (DMA) de complementaire bulkmethode; AFM levert het bijbehorende lokale mechanische beeld op nanometerschaal.
In de halfgeleiderindustrie wordt AFM gebruikt voor kritische dimensiemetingen (CD-AFM), defectinspectie, oppervlakteruwheid van wafers en dielektrische laagdiktes. KPFM en EFM brengen ladingsdistributies en lokale werkfuncties in beeld, essentieel voor de evaluatie van organische elektronische componenten en de karakterisering van grenslagen in fotovoltaïsche cellen.
AFM is de enige beeldvormingstechniek die biologische monsters — van eiwitten en DNA tot hele levende cellen — in fysiologisch relevante vloeistofomgeving kan afbeelden zonder fixatie of markering. DNA-conformatie en supercoiling, eiwitaggregaatvorming (amyloïdfibrillen), membraaneiwitten in lipidedubbellagen, en de dynamiek van celadhesie worden routinematig met AFM onderzocht. De krachten bij celadhesie en de stijfheid van cancercellen ten opzichte van gezonde cellen zijn actieve onderzoeksvelden.
In farmaceutisch onderzoek wordt AFM ingezet voor de karakterisering van actieve farmaceutische ingrediënten (API's) op nanometerschaal, de analyse van kristalgroei en polymorfie van geneesmiddelen, en de evaluatie van coatings op tabletvorm. AFM-IR maakt directe chemische identificatie van farmaceutische domeinen op submicrometerschaal mogelijk zonder preparatie. De ruwheidbepaling van implantaatoppervlakken en de karakterisering van nanodeeltjes als drug delivery system zijn verdere toepassingsgebieden.
FaseAFM geeft contrast tussen harde en zachte domeinen in polymeerblends en blokcopolymeren zonder kleuringen. Force-mapping levert de Young-moduluskaart van composieten. SEC/GPC karakteriseert het molecuulgewicht en de molgewichtsverdeling van het polymeer in oplossing; AFM visualiseert de resulterende morfologie van het vaste materiaal op het monsteroppervlak.
Een van de grootste voordelen van AFM is de minimale monstervoorbereiding in vergelijking met elektronenmicroscopie. De meest voorkomende vereisten zijn:
Anders dan bij SEM of TEM is het sputteren van een geleidende laag, het inbedden in hars of het maken van ultradunne coupes niet vereist. Dit maakt AFM bij uitstek geschikt voor zachte, niet-geleidende materialen die niet bestand zijn tegen de preparatiemethoden van elektronenmicroscopie.
De kwaliteit van een AFM-meting hangt af van een samenspel van instrumentele en experimentele parameters.
AFM kent een aantal inherente beperkingen die voor de interpretatie van belang zijn. De scansnelheid is laag in vergelijking met elektronenmicroscopie: een typische high-resolution scan (512 × 512 pixels) duurt enkele minuten. High-speed AFM-systemen (HS-AFM) halen tot 10 frames per seconde maar vereisen speciale cantileverconfiguraties met hoge resonantiefrequentie. Het blikveld is beperkt tot typisch 100 × 100 µm; voor grotere oppervlakken zijn stylus profilometrie of optische interferometrie geschiktere keuzes. Voorts detecteert de AFM-naald uitsluitend het toegankelijke oppervlak: inwendige structuren, poriestructuren of onderbuikse lagen zijn niet rechtstreeks zichtbaar, in tegenstelling tot wat TEM of confocale microscopie bieden. Tipartefacten — vervormingen veroorzaakt door de eindige tipgeometrie — vereisen altijd kritische interpretatie van de laterale afmetingen in het beeld.
AFM functioneert het meest informatief in combinatie met aanvullende technieken. Raman-spectroscopie identificeert moleculaire bindingen en kristalstructuur; gecombineerd als TERS (Tip-Enhanced Raman Spectroscopy, waarbij een scherpe metalen naald zoals bij AFM met Raman wordt gecombineerd) levert dit chemisch specifieke beeldvorming op nanometerschaal. FTIR-spectroscopie en nabij-infraroodspectroscopie karakteriseren de bulkchemische samenstelling; AFM-IR vertaalt dit naar ruimtelijk opgeloste chemische kaarten. BET-oppervlakte-analyse kwantificeert het totale specifiek oppervlak van poedermateriaal; AFM toont de lokale morfologie van individuele deeltjes of aggregaten. Elektrochemische impedantiespectroscopie (EIS) karakteriseert coatings en elektrodeprocessen in bulk; EFM en KPFM brengen de elektrische eigenschappen ruimtelijk in kaart op nanometerschaal.
Voor de bepaling van mechanische bulkeigenschappen van polymeren levert DMA de macroscopische Young-modulus, verliesmodulus en glasovergangstemperatuur; AFM-force mapping voegt het lokale mechanische beeld toe. Bij deeltjeskarakterisering sluit AFM aan op laserdiffractie voor groottedistributie en sonicatie voor deagglomeratie van nanopartikels vóór de AFM-meting.
De rastertunnelmicroscoop (STM) meet een quantummechanische tunnelstroom tussen een geleidende naald en een geleidend oppervlak en is daarmee beperkt tot geleidende materialen. AFM detecteert mechanische krachten en werkt op alle materiaaltypes, inclusief isolatoren, polymeren en biologische monsters. AFM bereikt geen atoomresolutie in lucht maar haalt deze in niet-contact FM-AFM in vacuüm wel.
Oppervlakteruwheid wordt uitgedrukt als Ra (gemiddelde ruwheid, arithmetisch gemiddelde van de absolute z-afwijkingen), Rq (RMS-ruwheid, geometrisch gemiddelde van de z-afwijkingen) of als 3D-parameters conform ISO 25178 (Sa, Sq, Sz). AFM levert directe, kwantitatieve ruwheidswaarden met sub-angström verticale resolutie, onafhankelijk van de optische diffractielimiet.
Ja. Meting in vloeistof elimineert de capillaire krachten die door het adsorptiewater in lucht worden veroorzaakt en maakt meting onder fysiologische omstandigheden mogelijk. Een vloeistofcel sluit het monster af van de omgeving terwijl de naald en scanner via een vloeistoflaag met het monster in contact zijn. Tapping mode in vloeistof is de standaard voor biologische toepassingen.
Een standaard scan van 512 × 512 pixels met hoge resolutie bij lage scansnelheid (0,5–1 Hz) duurt 8–17 minuten. Bij grotere blikvelden of lagere resolutie gaat het sneller; bij high-speed AFM systemen met geoptimaliseerde cantileverconfiguratie zijn frames per seconde haalbaar voor monitoring van dynamische processen.
De eindige tipradius veroorzaakt tip convolution: de naald kan niet doordringen in holtes die smaller zijn dan de tipdiameter, en steile zijwanden worden afgerond weergegeven. Dit veroorzaakt een systematische overschatting van de laterale afmetingen. Verticale afmetingen zijn niet of nauwelijks beïnvloed door tip convolution. Gespecialiseerde tips (koolstof-nanobuisje-tip, flared tip voor diepe holtes) verminderen dit artefact.
Labvakhandel levert ondersteunende apparatuur en verbruiksartikelen voor de voorbereiding en uitvoering van AFM-metingen, waaronder apparatuur voor optisch onderzoek en microscopie, trillingsisolatietafels en monsterbevestigingsmateriaal. Voor advies over uw specifieke toepassing in materiaalonderzoek of oppervlakteanalyse neemt u contact op met onze specialisten.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.