GLP-eisen aan apparatuur en materialen

GLP stelt strenge eisen aan alle apparatuur en materialen die worden ingezet bij niet-klinisch veiligheidsonderzoek. Het doel is te waarborgen dat meetresultaten betrouwbaar en reproduceerbaar zijn, en dat afwijkingen tijdig worden gesignaleerd en gedocumenteerd.

Kalibratie en validatie

Alle meetapparatuur die wordt gebruikt in GLP-studies moet periodiek worden gekalibreerd. Kalibratie toont aan dat een instrument meet wat het beweert te meten, binnen vastgestelde toleranties. De eisen zijn:

  • Kalibratie op basis van traceerbare referentiestandaarden (bij voorkeur nationaal of internationaal gecertificeerd)
  • Vastgelegde kalibratie-intervallen in een SOP of kalibratieprogramma
  • Schriftelijk vastgelegde kalibratie-uitkomsten met datum, uitvoerder en resultaat
  • Duidelijke identificatie van gekalibreerde apparatuur (etiket of registratie)

Naast kalibratie moet complexere apparatuur — zoals HPLC-systemen, spectrofotometers of analysebalansen — worden gevalideerd: er moet worden aangetoond dat het systeem geschikt is voor het beoogde gebruik.

Wat is het verschil tussen kalibratie en validatie?

Kalibratie en validatie worden in GLP-context regelmatig door elkaar gebruikt, maar hebben een duidelijk onderscheiden betekenis. Kalibratie is het vergelijken van de meting van een instrument met een traceerbare referentiestandaard, met als doel vast te stellen of het instrument binnen de toegestane afwijkingstolerantie meet. Kalibratie is een periodieke activiteit die wordt uitgevoerd op individuele meetinstrumenten — een balans, een pipet, een thermometer. Validatie gaat een stap verder: het aantonen dat een compleet systeem of een analytische methode geschikt is voor het beoogde gebruik onder de werkelijke gebruiksomstandigheden. Validatie omvat doorgaans meerdere parameters zoals nauwkeurigheid, precisie, lineariteit en robuustheid. In de praktijk: een HPLC-pomp wordt gekalibreerd, maar het volledige HPLC-systeem inclusief kolom, detector en software wordt gevalideerd voor een specifieke toepassing.

Voor het onderscheid tussen kalibratie en verificatie in de praktijk, zie Kalibratie vs. verificatie.

Wat is IQ/OQ/PQ?

IQ, OQ en PQ zijn de drie fasen van apparatuurkwalificatie die in gereguleerde laboratoriumomgevingen worden gehanteerd om aan te tonen dat apparatuur correct is geïnstalleerd, functioneert zoals bedoeld en geschikt is voor de specifieke toepassing:

  • IQ (Installation Qualification): bevestigt dat de apparatuur correct is geïnstalleerd conform de specificaties van de fabrikant — juiste stroomvoorziening, omgevingscondities, documentatie en onderdelen aanwezig.
  • OQ (Operational Qualification): bevestigt dat de apparatuur functioneert binnen de gespecificeerde operationele grenzen — typisch uitgevoerd met testoplossingen of referentiematerialen onder gesimuleerde gebruiksomstandigheden.
  • PQ (Performance Qualification): bevestigt dat de apparatuur consistent presteert voor de beoogde analytische toepassing onder de werkelijke gebruiksomstandigheden in het laboratorium.

IQ/OQ/PQ-documentatie wordt bewaard in het apparatuurlogboek en vormt onderdeel van het GLP-studiedossier. Bij herlocatie of grootschalige reparatie van gekwalificeerde apparatuur is een (gedeeltelijke) herkwalificatie vereist.

Onderhoud en storingen

GLP vereist dat apparatuur regelmatig preventief wordt onderhouden. Storingen en reparaties moeten worden geregistreerd, inclusief de mogelijke impact op lopende studies. Reinigings- en desinfectieapparatuur zoals een laboratoriumvaatwasser of thermodesinfector moet eveneens worden moet eveneens worden gekwalificeerd (IQ/OQ/PQ) conform EN ISO 15883.

Wat is het verschil tussen preventief en correctief onderhoud in GLP?

Preventief onderhoud is gepland onderhoud dat wordt uitgevoerd op vaste intervallen — ongeacht of de apparatuur defect is — om storingen te voorkomen en de betrouwbaarheid te borgen. De intervallen en uit te voeren handelingen zijn vastgelegd in een SOP of onderhoudsplan. Correctief onderhoud is onderhoud dat wordt uitgevoerd als reactie op een storing of afwijking. In een GLP-omgeving moet correctief onderhoud altijd worden gedocumenteerd in een storingsrapport, inclusief de aard van de storing, de getroffen maatregelen, de datum van herstel en een beoordeling van de mogelijke impact op data die zijn gegenereerd tijdens of vlak voor de periode van de storing. Apparatuur waarvan de werking ten tijde van de storing onzeker is, moet buiten gebruik worden gesteld totdat de impact is beoordeeld en gedocumenteerd.

Apparatuurlogboek en buiten-gebruik-stelling

GLP vereist dat elke eenheid meetapparatuur een eigen apparatuurlogboek heeft. Dit logboek bevat minimaal:

  • De unieke identificatie van het apparaat (serienummer, intern registratienummer)
  • Datum en uitvoerder van elke kalibratie, met het resultaat en de conclusie (in tolerantie of buiten tolerantie)
  • Datum en aard van elk preventief en correctief onderhoud
  • Registratie van storingen, inclusief de beoordeling van de impact op lopende studies
  • Verwijzing naar de studies waarvoor de apparatuur is ingezet

Het apparatuurlogboek vormt de doorlopende historische vastlegging van de toestand van het instrument en is een vast inspectiedocument bij NVWA GLP-inspecties.

Apparatuur die defect is, een kalibratie-uitkomst buiten tolerantie heeft, of waarvan de betrouwbaarheid om een andere reden onzeker is, moet direct zichtbaar worden gemarkeerd als "buiten gebruik" — met een fysiek label of een duidelijke registratie in het apparatuurlogboek — zodat geen andere medewerker het instrument per ongeluk inzet voor een GLP-studie. Het apparaat mag pas opnieuw worden gebruikt nadat de oorzaak is vastgesteld, de storing is verholpen, en een nieuwe kalibratie of kwalificatie heeft uitgewezen dat het instrument weer binnen tolerantie meet. De volledige afhandeling wordt gedocumenteerd als onderdeel van de correctieve onderhoudshistorie.

Traceerbaarheid van materialen

Naast apparatuur gelden ook eisen voor de gebruikte materialen, chemicaliën en reagentia:

  • Identiteit, zuiverheid en concentratie moeten zijn vastgesteld of verifieerbaar zijn via een Certificate of Analysis (CoA)
  • Lotnummer en vervaldatum moeten worden bijgehouden in studie- of gebruiksregisters
  • Opslag moet plaatsvinden conform de voorschriften van de fabrikant
  • Afwijkingen van specificaties moeten worden gedocumenteerd en beoordeeld

Etiketteringseis en beheer van verlopen voorraden

Elk flacon, elke fles en elke verpakking die in een GLP-studie wordt gebruikt moet voorzien zijn van een label dat minimaal de volgende informatie bevat:

  • Naam van de stof (bij voorkeur de IUPAC-naam of de systematische aanduiding, aangevuld met de triviale naam indien gangbaar)
  • Concentratie of zuiverheidsgraad
  • Lotnummer of batchnummer van de leverancier
  • Vervaldatum of houdbaarheidsdatum
  • Opslagcondities (temperatuur, bescherming tegen licht of vocht, indien van toepassing)

Zelf bereide oplossingen en standaarden — die niet voorkomen op de CoA van een leverancier — krijgen een intern label met de bereidingsdatum, de naam van de bereider, de geldigheidsdatum en de verwijzing naar de SOP of het studiedossier waaruit de bereidingsinstructie volgt.

Verlopen of beschadigde materialen mogen niet worden gebruikt in GLP-studies, ook niet als de stof er visueel onveranderd uitziet. Reagentia waarvan de houdbaarheid is verstreken, worden direct gesepareerd van de actieve voorraad — bij voorkeur fysiek gescheiden of voorzien van een duidelijk "niet gebruiken"-label — en worden op de voorgeschreven wijze afgevoerd of vernietigd. Het gebruik van een verlopen stof zonder expliciete vrijgave door de Study Director of QA-functionaris is een directe bevinding bij GLP-inspecties.

Referentiematerialen en standaarden

Voor analytische studies zijn gecertificeerde referentiematerialen (CRM's) essentieel. Deze zijn traceerbaar naar nationale of internationale meetstandaarden en worden geleverd met een certificaat dat de onzekerheid van de waarde beschrijft.

Wat zijn gecertificeerde referentiematerialen (CRM's)?

Een gecertificeerd referentiemateriaal (CRM) is een materiaal waarvan de waarde van één of meer eigenschappen — zoals concentratie, zuiverheid of fysische eigenschap — met een bekende meetonzekerheid is vastgesteld via een meettechnisch traceerbare procedure. CRM's worden geleverd met een certificaat dat de gecertificeerde waarde, de meetonzekerheid en de traceerbaarheidsketen beschrijft. In GLP worden CRM's gebruikt als externe referentie om de correctheid van meetresultaten aan te tonen. Ze zijn te onderscheiden van interne standaarden (zelf bereid) en van referentiestandaarden van leveranciers zonder geformaliseerde traceerbaarheidsverklaring. Voor GLP-studies waarbij de kwantitatieve bepaling van een teststof of metaboliet centraal staat, zijn CRM's de voorkeursbasis voor kalibratiecurven en spikeexperimenten.

Bij het gebruik van interne referentiestandaarden (zelf bereid) gelden vergelijkbare eisen: de bereiding, concentratie en geldigheid moeten worden gedocumenteerd.

Praktische aandachtspunten

  • Werk met leveranciers die CoA's per lot kunnen leveren
  • Bewaar kalibratie- en onderhoudsdocumentatie minimaal zo lang als de bijbehorende studie
  • Koppel apparatuurrecords aan de studies waarvoor de apparatuur is gebruikt
  • Bespreek kalibratieverplichtingen met uw QA-functionaris bij aanschaf van nieuwe apparatuur

Hoe lang moet kalibratiedocumentatie worden bewaard?

Kalibratiecertificaten, onderhoudslogs en kwalificatiedossiers (IQ/OQ/PQ) moeten minimaal worden bewaard voor de duur van de studie waarvoor de apparatuur is ingezet, plus de verplichte archiveringstermijn van de bijbehorende studiedocumentatie. In de farmaceutische GLP-praktijk betekent dit in de regel minimaal 15 jaar na afronding van de studie. Het is raadzaam om per apparatuureenheid een apparatuurlogboek bij te houden dat alle kalibraties, onderhoudsmomenten, storingen en reparaties chronologisch documenteert, zodat bij een audit of inspectie de volledige onderhoudshistorie direct beschikbaar is.

Eisen aan geautomatiseerde systemen en software

Moderne laboratoriumapparatuur is vrijwel altijd verbonden met software: chromatografiesystemen, spectrofotometers, balansen en incubatoren genereren digitale data die direct in een computersysteem worden opgeslagen. GLP stelt aanvullende eisen aan deze geautomatiseerde systemen.

Softwarevalidatie

Computersystemen die worden gebruikt voor het vastleggen, verwerken of opslaan van GLP-data moeten worden gevalideerd voordat ze in productie gaan. Softwarevalidatie — ook wel Computer System Validation (CSV) of Computer Software Assurance (CSA) genoemd — toont aan dat het systeem consistent doet wat het beweert te doen: correcte dataregistratie, betrouwbare berekeningen en deugdelijk archiefbeheer. De validatie-documentatie maakt onderdeel uit van het apparatuurdossier en wordt bewaard conform de geldende archiveringstermijnen.

Toegangsbeveiliging

GLP-systemen mogen alleen toegankelijk zijn voor bevoegd personeel. Dit wordt geborgd via:

  • Individuele gebruikersaccounts met unieke inloggegevens — nooit gedeelde wachtwoorden
  • Rolgebaseerde toegangsrechten: een analist mag data invoeren maar niet goedkeuren; een Study Director autoriseert; een QA-functionaris heeft leesrechten over alle studies
  • Documentatie van wie toegang heeft en waarom, met een procedure voor het intrekken van rechten bij uitdiensttreding

Elektronische audit trail

Elk geautomatiseerd systeem dat GLP-data vastlegt moet een elektronische audit trail genereren die automatisch en onveranderlijk bijhoudt wie, wanneer en wat heeft gewijzigd — inclusief de reden van elke wijziging. De audit trail mag niet kunnen worden uitgeschakeld of gewist, ook niet door systeembeheerders. De technische eisen voor elektronische data en handtekeningen — waaronder de koppeling aan de FDA-regulering 21 CFR Part 11 en de ALCOA-principes voor data-integriteit — zijn uitgewerkt in de gelijknamige kennisbankartikelen. In de praktijk wordt voor digitale dataregistratie veelal een LIMS of elektronisch labjournal (ELN) ingezet dat audit trail-functionaliteit geautomatiseerd afdwingt.

Explosieveiligheid en het EVD

In een GLP-omgeving waar gewerkt wordt met brandbare oplosmiddelen is het explosieveiligheidsdocument (EVD) een verplicht onderdeel van de RI&E. Het EVD beschrijft de ATEX-zoneclassificatie, de aanwezige ontstekingsbronnen en de getroffen maatregelen — waaronder de inzet van gecertificeerde explosieveilige apparatuur zoals ATEX-koelkasten en EX-vriezers. Lees meer in het kennisbankartikel ATEX in het laboratorium ›

Bij Labvakhandel vindt u GLP-geschikte analytische balansen, pipetten en temperatuurmeetinstrumenten voor uw gekalibreerde werkplek.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische en regulatoire toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende wet- en regelgeving, de relevante normen en de uitvoerende autoriteiten of toezichthouders (zoals ECHA, Nederlandse Arbeidsinspectie, ILT of de bevoegde accreditatie-instantie).

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.