ATEX staat voor Atmosphères Explosibles — explosieve atmosferen. In laboratoria waar gewerkt wordt met brandbare vloeistoffen, gassen of poeders gelden strikte Europese regels over welke apparatuur gebruikt mag worden en hoe de werkplek ingericht moet zijn. Wie de ATEX-regelgeving negeert, riskeert niet alleen brand en explosie, maar ook juridische aansprakelijkheid. Dit artikel legt uit wat ATEX inhoudt, welke zones er zijn, welke apparatuur verplicht is en hoe u veilig werkt in een ATEX-relevante laboratoriumomgeving.
ATEX is de afkorting van het Franse ATmosphères EXplosibles. De term verwijst naar twee Europese richtlijnen die samen de veiligheid in explosiegevaarlijke omgevingen regelen:
In Nederland zijn beide richtlijnen geïmplementeerd via het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit, hoofdstuk 3) en aanvullende PGS-richtlijnen (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen). De meest relevante voor laboratoria is PGS 15 (opslag van gevaarlijke stoffen in kleine gebinden) en PGS 37-2 (veilige opslag van brandbare vloeistoffen in opslagkasten en koelkasten).
Een veelgestelde vraag is in hoeverre beide richtlijnen op uw situatie van toepassing zijn. ATEX 114 is een productrichtlijn: als u apparatuur koopt voor gebruik in een explosiegevaarlijke omgeving, verplicht deze richtlijn de fabrikant tot certificering en markering. ATEX 153 is een arbeidsomstandighedenrichtlijn: als werkgever bent u zelf verantwoordelijk voor de zoneclassificatie van uw werkplek, het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en het selecteren van apparatuur die past bij de vastgestelde zone. Beide richtlijnen vullen elkaar aan: ATEX 114 regelt wat de fabrikant levert, ATEX 153 regelt wat de werkgever verplicht is te organiseren.
ATEX is van toepassing zodra er in een ruimte een explosieve atmosfeer kan ontstaan. In het laboratorium is dat het geval bij:
Een explosieve atmosfeer ontstaat wanneer een brandbare stof in de juiste concentratie (tussen de onderste explosiegrens, LEL, en de bovenste explosiegrens, UEL) vermengd is met lucht of een oxidator, en een ontstekingsbron aanwezig is. In het laboratorium zijn ontstekingsbronnen overal aanwezig: motorcontacten in koelkasten, schakelcontacten in thermostaten, lichtschakelaars, statische elektriciteit en zelfs een mobiele telefoon.
LEL staat voor Lower Explosive Limit (onderste explosiegrens) en UEL voor Upper Explosive Limit (bovenste explosiegrens). Beide waarden geven aan tussen welke dampconcentraties in lucht een ontsteking tot een explosie kan leiden. Ligt de concentratie onder de LEL, dan is het mengsel te arm om te ontbranden. Ligt de concentratie boven de UEL, dan is het mengsel te rijk. Alleen binnen dit venster is een explosie mogelijk. Voor ethanol liggen de grenzen bijvoorbeeld bij 3,1 vol% (LEL) en 27,7 vol% (UEL); voor diëthylether bij 1,9 vol% en 48 vol%. Juist vanwege die brede UEL van ether is dit oplosmiddel bijzonder gevaarlijk in de laboratoriumomgeving. De LEL- en UEL-waarden van een stof zijn terug te vinden in rubriek 9 van het veiligheidsinformatieblad (VIB) en vormen de basis voor de ATEX-zoneclassificatie.
Het vlampunt van een stof bepaalt bij welke temperatuur voldoende damp wordt gevormd om de LEL te bereiken. Dit zijn de gegevens waarop de ATEX-zoneclassificatie en de keuze van explosieveilige apparatuur worden gebaseerd.
ATEX 153 verplicht werkgevers om ruimten waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen, in te delen in zones. Voor gassen en dampen (de meest relevante categorie in het laboratorium) zijn er drie zones:
Voor poeders en stof gelden equivalente zones 20, 21 en 22 (D van Dust in plaats van G van Gas).
De zones 0, 1 en 2 gelden uitsluitend voor explosieve atmosferen die worden veroorzaakt door brandbare gassen, dampen of nevels. Voor brandbaar stof — zoals gedroogde chemische poeders, graanstof of houtstof — geldt een parallel systeem: zone 20 (continu aanwezig), zone 21 (regelmatig aanwezig bij normaal bedrijf) en zone 22 (zelden aanwezig). In de meeste laboratoria voor analytische chemie en life science zijn stofzones minder relevant dan gaszones, maar bij het werken met lyofylisaat, gedroogde celkweekmedia of poedervormige reagentia kan zone 21 of 22 van toepassing zijn. De apparatuurcategorie voor stofzones draagt de aanduiding D in plaats van G op het ATEX-typeplaatje.
In de meeste laboratoria zijn geen permanente zone-0-gebieden aanwezig. De praktische indeling ziet er typisch als volgt uit:
De zoneclassificatie moet worden vastgelegd in het explosieveiligheidsdocument (EVD), dat onderdeel is van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Het EVD beschrijft de zones, de maatregelen ter voorkoming van explosieve atmosferen en de maatregelen ter beperking van de gevolgen bij een explosie.
Apparatuur die voldoet aan ATEX 114 draagt een specifieke markering op het typeplaatje. Het correct lezen van deze markering is essentieel bij de aanschaf van explosieveilige laboratoriumapparatuur.
Een voorbeeld van een volledige ATEX-markering: $ II 2G Ex ec IIC T4 Gb
De temperatuurklasse op het ATEX-typeplaatje geeft de maximale oppervlaktetemperatuur aan die het apparaat onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt. Deze waarde moet lager zijn dan de zelfontbrandingstemperatuur van de brandbare stoffen die in de zone aanwezig zijn. Diëthylether heeft een zelfontbrandingstemperatuur van circa 160 °C, wat neerkomt op T-klasse T4 (max. 135 °C) of hoger als minimum. Aceton heeft een zelfontbrandingstemperatuur van ca. 465 °C, waarvoor T1 (max. 450 °C) in theorie volstaat — maar in de praktijk worden voor laboratoriumapparatuur doorgaans T3 of T4 gehanteerd om een voldoende veiligheidsmarge te waarborgen. De zelfontbrandingstemperatuur van de stoffen die u gebruikt, is eveneens terug te vinden in rubriek 9 van het veiligheidsinformatieblad.
De meest voorkomende ATEX-toepassing in het laboratorium is de opslag van brandbare vloeistoffen in gekoelde omstandigheden. Standaard koelkasten en vriezers zijn absoluut ongeschikt hiervoor: de interne thermostaat, verlichting en ventilator bevatten vonkende contactpunten die dampen van ethanol, aceton of ether direct kunnen ontsteken.
Nee. Een standaard huishoudkoelkast of een niet-gecertificeerde laboratoriumkoelkast is niet geschikt voor de opslag van brandbare vloeistoffen. De interne verlichting, de thermostaat en de ventilatormotoren bevatten vonkende contactpunten. Zodra u de deur opent of de thermostaat schakelt, kan een vonk de opgebouwde dampen van ethanol, aceton of ether direct ontsteken. Dit geldt ook voor koelkasten die uitsluitend als “koud” worden gezien: zelfs bij 4 °C produceren vluchtige oplosmiddelen zoals ether en aceton dampen boven hun LEL. De opslag van brandbare vloeistoffen in een standaard koelkast is in strijd met PGS 15 en levert een ernstig veiligheidsrisico op.
Explosieveilige laboratoriumkoelkasten zijn in twee uitvoeringen beschikbaar, die overeenkomen met verschillende risicoscenario's:
Bij een intern explosieveilige koelkast zijn alle elektrische componenten binnen de koelruimte vonkvrij uitgevoerd of volledig afgeschermd. De buitenkant van het apparaat voldoet niet aan ATEX-classificatie. Dit type is geschikt wanneer:
Herkenbaar aan: geen ATEX-markering op het typeplaatje, wel het vlamsymbool met verbodsteken voor brandbare stoffen op de deur. Dit is het meest voorkomende type in standaard laboratoria.
Wanneer de koelkast zelf in een ATEX-zone 1 of zone 2 is opgesteld — bijvoorbeeld in een speciaal solventopslagvertrek of in een chemisch magazijn — moet het gehele apparaat ATEX-gecertificeerd zijn. Dit type draagt de volledige ATEX-markering op het typeplaatje en is aanzienlijk duurder dan het IEX-type.
Het verschil zit in de reikwijdte van de explosiebeveiliging. Een IEX-koelkast (intern explosieveilig) beveiligt uitsluitend de binnenzijde van het apparaat: alle interne vonkbronnen zijn geëlimineerd of afgeschermd, zodat dampen van de opgeslagen stoffen niet kunnen worden ontstoken. De buitenzijde van het apparaat is echter niet gecertificeerd en mag niet in een ATEX-zone worden geplaatst. Een volledig ATEX-gecertificeerde koelkast beveiligt zowel binnen als buiten: de volledige behuizing en alle externe componenten voldoen aan de ATEX-apparatuurrichtlijn, zodat de koelkast ook in een ruimte met explosiegevaarlijke atmosfeer (zone 1 of zone 2) kan worden opgesteld. Voor de meeste standaard laboratoria volstaat een IEX-koelkast. Staat uw opslagapparatuur in een ruimte die zelf als ATEX-zone is geclassificeerd, dan is een volledig gecertificeerd apparaat verplicht.
Zie ook het kennisbankartikel Koelen en vriezen in het laboratorium voor een volledig overzicht van koelmethoden en de rol van ATEX-koelkasten in de bredere context van laboratoriumkoeling.
ATEX-gecertificeerde apparatuur is een noodzakelijke maar niet voldoende maatregel. Veilig werken met brandbare stoffen vereist aanvullende organisatorische en persoonlijke maatregelen.
Niet-gecertificeerde consumentenapparatuur zoals een gewone smartphone, tablet of draadloze headset mag in principe niet worden gebruikt in een ATEX-zone 1. In zone 2 is gebruik van niet-gecertificeerde elektrische apparatuur uitsluitend toegestaan wanneer de kans op een explosieve atmosfeer verwaarloosbaar klein is en de apparatuur aantoonbaar geen vonkende delen bevat onder normale omstandigheden. In de praktijk hanteren veel laboratoria de regel dat mobiele telefoons uitsluitend mogen worden gebruikt buiten de geclassificeerde zone, of uitsluitend in zone 2 mits uitgeschakeld bij het openen van oplosmiddelopslagkasten of het werken met open vaatwerk. Voor structureel gebruik in ATEX-zones bestaat speciale intrinsiek veilige (Ex ia) consumentenapparatuur. Het EVD en het interne veiligheidsreglement van uw organisatie zijn leidend voor de concrete toelating van persoonlijke apparatuur.
De ATEX-regelgeving maakt deel uit van een breder wettelijk kader voor laboratoriumveiligheid in Nederland. De belangrijkste wettelijke verplichtingen zijn:
De werkgever is verplicht een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) op te stellen en bij te houden. Voor ATEX-relevante werkplekken is het explosieveiligheidsdocument (EVD) een verplicht onderdeel van de RI&E. Het EVD moet beschrijven: de aanwezige gevaarlijke stoffen, de zoneclassificatie, de aanwezige ontstekingsbronnen, de getroffen maatregelen en de verantwoordelijke personen.
Brandbare stoffen die in het laboratorium worden gebruikt vallen onder de REACH-verordening (registratie, evaluatie, autorisatie van chemicaliën) en de CLP-verordening (indeling, etikettering en verpakking). Op grond van CLP worden brandbare vloeistoffen ingedeeld in drie categorieën op basis van het vlampunt (voor de meetmethoden zie het artikel over vlampunt- en kookpuntbepaling):
Voor alle drie categorieën geldt dat opslag in een standaard koelkast verboden is. ATEX-gecertificeerde of minimaal intern explosieveilige opslag is verplicht.
PGS 15 beschrijft de eisen voor de opslag van gevaarlijke stoffen in kleine gebinden (verpakkingen tot 1000 liter). Voor laboratoria zijn de maximale hoeveelheden per brandcompartiment en de eisen aan opslagkasten en koelkasten direct van toepassing. Een gecertificeerde brandveiligheidsopslagkast (EN 14470-1) en een ATEX-koelkast zijn de twee meest gebruikte oplossingen voor PGS 15-conformiteit in het laboratorium.
Laboratoria die meer dan bepaalde drempelwaarden aan brandbare stoffen opslaan (afhankelijk van gevaarsklasse en hoeveelheid) vallen onder de vergunningplicht van het Bouwbesluit 2012 en de Wet milieubeheer. De gemeente en de omgevingsdienst zijn het bevoegde gezag voor de omgevingsvergunning milieu. Bij nieuwbouw of verbouw van een laboratorium is een brandveiligheidstoets en een ATEX-zoneclassificatieplan doorgaans vereist.
Het EVD is het centrale document voor ATEX-compliance in het laboratorium. Een volledig EVD bevat minimaal:
De werkgever is wettelijk verantwoordelijk voor het opstellen en actueel houden van het EVD op grond van artikel 3.5d van het Arbobesluit. In de praktijk wordt dit gedelegeerd aan een preventiemedewerker, een arbo-coördinator of een externe ATEX-deskundige. U kunt een EVD in principe zelf opstellen, mits u over voldoende kennis beschikt van de aanwezige stoffen, de zoneclassificatiemethodiek en de relevante normen (waaronder NEN-EN-IEC 60079-10-1 voor gaszoneclassificatie). Voor complexe laboratoriumsituaties, verbouwingen of situaties waarbij meerdere werkgevers actief zijn, is het inschakelen van een gecertificeerd ATEX-deskundige sterk aan te bevelen. Het EVD maakt onderdeel uit van de RI&E en moet worden bijgehouden na elke relevante wijziging in de werksituatie, de gebruikte stoffen of de infrastructuur.
Naast koelkasten en vriezers zijn er in het laboratorium nog andere apparaattypen waarbij ATEX relevant is:
Dat hangt af van de eluenten die u gebruikt en de zoneclassificatie van de ruimte waarin het systeem staat. HPLC-systemen die werken met brandbare eluenten zoals methanol (MeOH) of acetonitril (ACN) bevinden zich in een zone-2-situatie: onder normale omstandigheden zal er geen explosieve atmosfeer ontstaan, maar bij een lekkage in de pompkop of de injectorunit is dat wel mogelijk. De meeste commerciële HPLC-systemen zijn niet standaard ATEX-gecertificeerd. De gangbare aanpak is het systeem in een goed geventileerde ruimte te plaatsen die als zone 2 is geclassificeerd, de oplosmiddelopslag in een gecertificeerde EX-kast onder te brengen en lekdetectie in de onderbak van het systeem te voorzien. Wanneer u structureel werkt met grote hoeveelheden brandbare eluenten in een gedeelde laboratoriumruimte, bespreek de zoneclassificatie dan met een ATEX-deskundige.
ATEX is van toepassing op elk laboratorium waar een explosieve atmosfeer kan ontstaan. Dat is het geval zodra er brandbare vloeistoffen (met een vlampunt onder 60 °C) of brandbare gassen aanwezig zijn, ook in kleine hoeveelheden. Een laboratorium dat uitsluitend werkt met waterige oplossingen, anorganische zouten of niet-brandbare oplosmiddelen hoeft in beginsel geen ATEX-zoneclassificatie uit te voeren. Voor de meeste chemische, farmaceutische en life science laboratoria geldt echter dat ATEX-relevante stoffen onvermijdelijk aanwezig zijn, en is het opstellen van een EVD wettelijk verplicht. Raadpleeg bij twijfel altijd een arbodeskundige of ATEX-specialist.
Een CE-markering geeft aan dat een product voldoet aan de van toepassing zijnde Europese richtlijnen voor productveiligheid in het algemeen. Een ATEX-keurmerk (het hexagonale Ex-symbool) geeft specifiek aan dat het apparaat voldoet aan richtlijn 2014/34/EU voor gebruik in explosiegevaarlijke omgevingen. ATEX-gecertificeerde apparatuur draagt altijd zowel de CE-markering als het ATEX-keurmerk. Apparatuur met uitsluitend een CE-markering is niet geschikt voor gebruik in een ATEX-zone, ook al lijkt het apparaat uiterlijk identiek aan een gecertificeerd exemplaar.
Het EVD moet worden bijgehouden en herzien na elke relevante wijziging in de werksituatie. Concreet geldt dat voor: wijzigingen in de gebruikte stoffen of hoeveelheden, verbouwingen of aanpassingen aan ventilatie en installaties, aanschaf van nieuwe apparatuur in of nabij de zone, wijzigingen in het aantal of de aard van werkzaamheden in de zone, en wijzigingen in de bezetting of de samenwerking met externen. Een periodieke herziening — minimaal bij elke RI&E-cyclus — is aan te bevelen, ook wanneer de werksituatie niet is veranderd.
PGS 37-2 is de richtlijn voor de veilige buitenopslag van gasflessen, inclusief eisen aan omheiningen, afstandsnormen tot gebouwen en openbare wegen en noodventilatie. De richtlijn is van toepassing op laboratoria en industriële bedrijven die werken met persgas, zuurstof, stikstof of brandbare gassen zoals acetyleen en propaan en die deze flessen buiten opstellen. PGS 37-1 regelt de inpandige opslag van dezelfde gasflessencategorieën. Beide richtlijnen vullen de ATEX-werkplekverplichtingen aan: PGS 37 stelt eisen aan de opslag en het beheer van de gasbron, terwijl ATEX 153 de zoneclassificatie en apparatuurkeuze in de directe omgeving van die gasbron regelt. De PGS 15-richtlijn voor opslag van gevaarlijke stoffen in kleine gebinden geldt naast PGS 37 en is voor de meeste laboratoria de meest relevante opslagrichtlijn.
De norm NEN-EN-IEC 60079-10-1 beschrijft de methodiek voor de classificatie van gevaarlijke gebieden waar brandbare gassen of dampen aanwezig kunnen zijn. De norm geeft rekenkundige en op schattingen gebaseerde methoden om de omvang van zones 0, 1 en 2 te bepalen op basis van de eigenschappen van de aanwezige stof (vlampunt, dampdruk, LEL, diffusiecoëfficiënt), de ventilatie van de ruimte en de aard van de bron. Voor stofexplosiegevaar geldt de equivalente norm NEN-EN-IEC 60079-10-2. Het opstellen van het zoneclassificatieplan in het explosieveiligheidsdocument (EVD) dient te zijn gebaseerd op deze normen. Voor complexe laboratoriumsituaties is raadpleging van een gecertificeerd ATEX-deskundige aan te bevelen.
ATEX-gecertificeerde apparatuur is een technische maatregel, maar de wet verplicht werkgevers ook tot organisatorische maatregelen. Op grond van artikel 8 van de Arbowet moeten medewerkers die werken in of nabij ATEX-zones aantoonbaar zijn geïnstrueerd over de risico's van explosieve atmosferen, de werking van de aanwezige apparatuur en de te volgen procedures bij calamiteiten. Deze instructieplicht geldt ook voor zzp'ers en medewerkers van externe bedrijven die tijdelijk in de zone werkzaam zijn — de coördinatie hiervan is de verantwoordelijkheid van de werkgever die de ruimte beheert. Aanvullend zijn periodieke toolboxmeetings, een actueel explosieveiligheidsdocument, een werkvergunningensysteem voor hete werkzaamheden (lassen, slijpen) en afstemming met de bedrijfshulpverlening (BHV) gangbare organisatorische maatregelen in ATEX-omgevingen.
Voor de veilige opslag van brandbare vloeistoffen levert Labvakhandel explosieveilige koelkasten en vriezers (ATEX/EX), brandveiligheidsopslagkasten conform EN 14470-1 en aanverwante veiligheidsproducten. Bekijk het volledige aanbod in de categorie koelen & vriezen en persoonlijke beschermingsmiddelen.
Lees ook de gerelateerde kennisbankartikelen:
Waar ATEX de eisen stelt aan apparatuur en installaties in explosiegevaarlijke zones, regelt PGS-15 de veilige opslag van de gevaarlijke stoffen die die zones creëren. In ons kennisbankartikel over PGS-15 leest u welke opslagcategorieën, scheidingseisen en drempelwaarden gelden voor uw laboratorium. Lees het artikel over PGS-15 en gevaarlijke stoffen opslag. Voor het dagelijks werken met brandbare of oxiderende gassen — aansluiting, drukregelaar en lektest — zie het artikel over werken met gasflessen in het laboratorium.
Bekijk het assortiment persoonlijke beschermingsmiddelen en ATEX-geschikte laboratoriumapparatuur van Labvakhandel, of neem contact op voor advies over veilig werken in explosiegevaarlijke omgevingen.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische en regulatoire toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende wet- en regelgeving, de relevante normen en de uitvoerende autoriteiten of toezichthouders (zoals ECHA, Nederlandse Arbeidsinspectie, ILT of de bevoegde accreditatie-instantie).
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.