Eencellige organismen — bacterieën, gisten, algen en protisten — vormen de basis van microbiologisch en biotechnologisch onderzoek. Het kweken van deze organismen vereist kennis van voedingsbodems, groeiomstandigheden, steriele technieken en meetmethoden. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste principes en praktische toepassingen voor het laboratoriummilieu.
Eencelligen zijn organismen waarvan het complete leven zich in één cel afspeelt. Ze worden ingedeeld in prokaryoten (bacterieën, archaea — zonder celkern) en eukaryoten (gisten, algen, protisten — met celkern). Ondanks hun eenvoud zijn ze metabolisch bijzonder divers: sommige soorten leven van anorganische verbindingen, andere vergisten suikers, produceren enzymen of fotosynthetiseren.
In het laboratorium worden eencelligen gebruikt voor uiteenlopende doeleinden: productie van bio-ethanol en antibiotica, kwaliteitscontrole van voedsel en water, biologisch onderwijs en fundamenteel onderzoek naar celprocessen. De meest gekweekte soorten zijn Escherichia coli (bacterie), Saccharomyces cerevisiae (gist), Chlorella en Chlamydomonas (groenwieren) en Paramecium (trilhaardiertje).
Voedingsbodems (media) leveren alle stoffen die een micro-organisme nodig heeft: koolstofbron, stikstofbron, mineralen en eventueel groeifactoren. Media zijn beschikbaar als vloeibaar medium (bouillon) voor schudculturen en fermentatie, of als vast medium (agar) voor plaatuitzaai en kolonietelling. Nutrient Agar en LB-medium (Lysogeny Broth) zijn de meest gebruikte standaardmedia voor bacterieën; YPD (Yeast Extract Peptone Dextrose) is gangbaar voor gisten.
Voor algen worden anorganische zouten-media gebruikt (zoals Bold’s Basal Medium), met licht als energiebron. Protisten zoals Paramecium groeien doorgaans op bacterie-bevattende hooiaftreksel-media of in speciaal gedefinieerde vloeistofmedia.
Elk organisme heeft een optimale temperatuur voor groei. E. coli groeit optimaal bij 37 °C, bakkersgist bij 28–30 °C, en mesofiele bacterieën doorgaans tussen 20 en 45 °C. Koudeminnende (psychrofielen) en hitteminnende (thermofielen) soorten vereisen afwijkende temperaturen. Een laboratoriumincubator met nauwkeurige temperatuurregeling is onmisbaar voor reproduceerbare kweken.
De pH van het kweekmedium beïnvloedt enzymatische processen in de cel. De meeste bacterieën groeien bij pH 6,5–7,5; gisten tolereren een bredere range (pH 4–6 voor optimale groei). Buffering van het medium voorkomt pH-drift door zuurvormende metabolieten.
Aeroëbe organismen hebben zuurstof nodig; anaëroben worden juist geremd of gedood door zuurstof. Schudculturen en beluchte bioreactoren garanderen voldoende zuurstofinbreng voor aeroëbe kweken. Voor anaërobe kweken zijn speciale omstandigheden vereist, zoals stikstofatmosfeer of anoxische kamers.
Besmetting van kweken met ongewenste micro-organismen is de grootste bedreiging voor betrouwbare resultaten. Steriele techniek omvat het werken in de buurt van een vlam of onder een laminaire-luchtstroom-kast, het gebruik van gesteriliseerde materialen, en het vermijden van contactbesmetting.
Materialen worden gesteriliseerd door autoclaven (121 °C, 15 minuten voor vochtsterilisatie) of door droge-hittesterilisatie in een oven. Plastic wegwerpmateriaal wordt fabrieksgesteriliseerd geleverd. Een laboratoriumautoclaaf is het centrale apparaat voor sterilisatie van media, glaswerk en verbruiksmaterialen. Meer achtergrondinformatie over steriel werken staat in het artikel steriel versus niet-steriel.
Bij plaatuitzaai wordt een verdunde suspensie van cellen uitgespreid op een agarplaat. Na incubatie groeit elke cel uit tot een zichtbare kolonie. Dit maakt het mogelijk individuele kolonies te isoleren, kolonies te tellen (kwantitatieve bepaling) en morfologische eigenschappen te beoordelen. Petrischalen zijn het standaardmateriaal; voor microbiologie worden steriele plastic wegwerppetrischalen of herbruikbare glazen petrischalen gebruikt.
Voor grotere hoeveelheden biomassa worden vloeibare kweken (schudculturen) ingezet. Erlenmeyers of kweekkolven worden gedeeltelijk gevuld met medium en geïnoculeerd. Een orbitaalschudder zorgt voor menging en zuurstoftoevoer. Groei wordt gevolgd door turbiditeitmeting (OD600) of door celtellingen. Zie ook het artikel celgroei meten en OD600 voor de meetmethode in detail.
Paramecium (het pantoffeldiertje) is een populair kweekorganisme in het biologieonderwijs vanwege zijn zichtbare beweeglijkheid onder de microscoop. Een eenvoudige kweek start met hooiaftreksel: een handvol gedroogd hooi wordt 15 minuten gekookt in water en vervolgens afgekoeld. Na 2–3 dagen koloniseren bacteriën het aftreksel, waarna een druppel vijver- of slootwater met Paramecium wordt toegevoegd als inoculum. Bij kamertemperatuur (20–22 °C) en indirect licht zijn na 5–7 dagen voldoende pantoffeldiertjes aanwezig voor microscopisch onderzoek. Subcultivering elke 1–2 weken met vers hooiaftreksel houdt de kweek in stand. Een lichtmicroscoop bij 100× of 400× vergroting maakt de karakteristieke trilharen en roterende voortbeweging goed zichtbaar.
In een chemostat wordt continu vers medium toegevoerd terwijl verbruikt medium wordt afgevoerd. Dit houdt de celconcentratie en groeisnelheid constant, wat het systeem geschikt maakt voor fundamenteel onderzoek naar groeidynamica en stofwisseling.
Een batchkweek doorloopt vier fasen:
Eencelligen planten zich uitsluitend ongeslachtelijk voort. De meest voorkomende methode is binaire splijting: de cel deelt zich in twee gelijke dochtercellen. Bij bacteriën verdubbelt het DNA zich eerst, waarna de cel in tweeën splitst. Onder optimale omstandigheden kan E. coli zich elke 20 minuten delen, wat leidt tot exponentiële groei.
Gisten zoals Saccharomyces cerevisiae vermenigvuldigen zich via knopvorming (gemmatie): een kleine uitstulping groeit uit tot een dochtercel die vervolgens loskomt. Algen en sommige protisten vormen sporen die onder gunstige omstandigheden uitkiemen tot nieuwe cellen. Pantoffeldiertjes (Paramecium) delen zich door dwarse splijting; onder stressomstandigheden vindt ook geslachtelijke uitwisseling van genetisch materiaal plaats via conjugatie, zonder dat er nieuwe cellen ontstaan.
Microscopie is onmisbaar voor identificatie en kwaliteitsbeoordeling van kweken. Beweeglijkheid, celgrootte, celgroepering (ketens, druiventrossen, paren) en aanwezigheid van sporen of flagellen zijn zichtbaar via een lichtmicroscoop. Telkamers (hemocytometer) maken directe celtelling in suspensie mogelijk. Aanvullende informatie over microscooptechnieken staat in het kennisbankartikel over microscopen.
Kweken kunnen kortdurend worden bewaard op agarplaten of in vloeibaar medium bij 4 °C (wekelijks subcultiveren). Voor langetermijnbewaring worden glycerolstocks gebruikt: cellen worden gesuspendeerd in 15–25% glycerol en opgeslagen bij −80 °C. Lyofylisatie (vriesdrogen) biedt bewaring voor jaren zonder actieve koeling. Een geschikte laboratoriumvriezer is essentieel voor betrouwbare langetermijnopslag.
Het kweken van eencelligen leent zich uitstekend voor practica in het voortgezet en hoger onderwijs. Klassieke experimenten omvatten gistingproeven met S. cerevisiae (CO2-productie meten bij verschillende suikerconcentraties), groeicurven opstellen via OD600-metingen, effect van antibiotica of desinfectantia op bacteriegroei, en kieming van algensporen onder verschillende lichtintensiteiten.
Labvakhandel levert de benodigde materialen voor microbiologische kweken in het onderwijs, waaronder petrischalen, kweekkolven, incubatoren en microscopiebenodigdheden. Zie het assortiment voor biologie.
Verdiep uw kennis verder via de volgende kennisbankartikelen: moleculaire biologie en biotechnologie, over autoclaven en celgroei meten en OD600.
Neem contact op voor advies over materialen en apparatuur voor microbiologische kweken.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.