Een autoclaaf steriliseert materialen door gebruik te maken van stoom onder druk. Het apparaat verhit water in een afgesloten drukvat tot boven het kookpunt — doorgaans 121 °C tot 134 °C — waardoor bacteriën, virussen, schimmels en sporen worden gedood. Zo worden instrumenten, glaswerk, vloeistoffen en bepaalde kunststoffen volledig vrij van levensvatbare micro-organismen.
In laboratoria en medische omgevingen is contaminatiepreventie essentieel. Een autoclaaf zorgt voor betrouwbare sterilisatie van herbruikbare materialen zoals laboratoriumglaswerk, voedingsbodems, pipetten en instrumenten. Dat is niet alleen belangrijk voor de veiligheid van medewerkers, maar ook voor de reproduceerbaarheid en betrouwbaarheid van experimentele resultaten. Bovendien wordt een autoclaaf ingezet voor de veilige voorbehandeling van pathogeen afvalmateriaal vóór afvoer.
Het gebruik van een autoclaaf verloopt globaal in de volgende stappen:
Raadpleeg altijd de handleiding van uw specifieke model voor de juiste instellingen. Bekijk ons assortiment Laboklav autoclaven voor apparaten die geschikt zijn voor uiteenlopende laboratoriumtoepassingen.
Een autoclaaf werkt op basis van verzadigde stoom onder overdruk. In het drukvat wordt water verwarmd totdat de kamer volledig gevuld is met stoom. Omdat de stoom de afgesloten ruimte niet kan verlaten, stijgt de temperatuur boven de 100 °C. Bij de gangbare cyclus van 121 °C en circa 1 bar overdruk worden alle micro-organismen binnen 15 minuten gedood. Bij 134 °C volstaan 3 minuten voor onverpakt materiaal. Modellen met een vacuümpomp (type B) zuigen eerst alle lucht weg, waardoor de stoom ook in holle instrumenten en poreuze materialen doordringt.
Nee. Een autoclaaf en een droogsterilisatieoven werken op een fundamenteel ander principe. Een oven steriliseert met droge hitte en vereist hogere temperaturen (doorgaans 160–180 °C) gedurende langere tijd. Een autoclaaf gebruikt vochtige hitte — stoom onder druk — wat aanzienlijk efficiënter is en geschikt is voor materialen die droge hitte niet verdragen, zoals voedingsbodems en vloeistoffen. Autoclaven zijn daarom de standaard in de meeste laboratoria en ziekenhuizen.
Een autoclaaf wordt in de praktijk ook wel aangeduid als sterilisator, stoomsterilisator of drukstoomsterilisator. In oudere of meer informele context komt ook de term stoomketel voor, hoewel dat technisch niet hetzelfde apparaat is. Bent u op zoek naar een geschikte sterilisator voor uw laboratorium? Bekijk dan ons volledige sterilisatie-assortiment of ga direct naar onze Laboklav autoclaven.
Laboratoriumglaswerk is een van de meest geautoclaveerde materiaaltypen. Erlenmeyers, bekerglazen, reageerbuisjes, pipetten en maatkolven worden na gebruik gereinigd en vervolgens geautoclaveerd om contaminatie van volgende experimenten te voorkomen. Hieronder leggen we uit hoe je glaswerk correct voorbereidt, autoclaveert en opslaat.
Borosilicaatglas — zoals Duran- of Pyrex-glaswerk — is bestand tegen de temperaturen en drukwisselingen in de autoclaaf en is de standaard in laboratoria. Gewoon sodakalkglas (zoals huishoudelijk glaswerk) is niet geschikt: het kan barsten door thermische schok. Controleer altijd of het glaswerk is gemerkt als autoclaafbestendig of als borosilicaatglas.
Voor leeg glaswerk wordt doorgaans het programma voor vaste materialen gebruikt: 134 °C gedurende 3 tot 5 minuten, of 121 °C gedurende 15 tot 20 minuten. Bevat het glaswerk vloeistoffen of voedingsbodems, gebruik dan altijd het vloeistofprogramma van uw autoclaaf. Dat programma koelt trager af om koken en overschuimen te voorkomen en vermijdt thermische schok aan het glaswerk.
Haal het glaswerk pas uit de autoclaaf als de druk volledig is afgebouwd en de temperatuur tot een veilig niveau is gedaald. Laat het afkoelen op een schone, droge ondergrond. Bewaar gesteriliseerd glaswerk afgedekt of in een gesloten kast om herbesmetting door omgevingslucht te voorkomen. Controleer vóór gebruik altijd de indicatortape en de staat van de verpakking of afdekking.
Laboratorium autoclaven en medische autoclaven werken op hetzelfde principe — stoom onder druk — maar zijn ontworpen voor verschillende toepassingen en omgevingen. Een laboratorium autoclaaf is primair gericht op het steriliseren van glaswerk, voedingsbodems, vloeistoffen, pipetten, plastic verbruiksmateriaal en biologisch afvalmateriaal. De cyclusprogramma’s en materiaalcompabiliteit zijn afgestemd op de brede variatie aan laboratoriumbenodigdheden. Maar kunnen vaak ook zelf bepaald worden.
Een medische autoclaaf (ook wel klinische sterilisator) is specifiek ontworpen voor chirurgische en medische instrumenten. Deze apparaten voldoen aan strengere klinische normen en certificeringen, zoals de Europese norm EN 13060 voor benchtop-stoomsterilisatoren of EN 285 voor grote ziekenhuisautoclaven. Ze zijn doorgaans uitgerust met uitgebreide registratie- en validatiefunctionaliteit om te voldoen aan de eisen van infectiepreventieprotocollen en zijn daarmee beperkt/ niet zelf te programmeren.
In de praktijk zijn de grenzen niet altijd scherp. Laboklav autoclaven van SHP Steriltechnik zijn bijvoorbeeld flexibel geconfigureerd en worden ingezet in zowel research- als klinische omgevingen. Bekijk ons assortiment Laboklav autoclaven voor een overzicht van de beschikbare modellen en capaciteiten.
CSSD staat voor Central Sterile Supply Department, in het Nederlands beter bekend als de Centrale Sterilisatie Afdeling (CSA). Dit is een speciale afdeling binnen ziekenhuizen en grotere zorginstellingen die verantwoordelijk is voor het reinigen, desinfecteren, verpakken en steriliseren van alle herbruikbare medische instrumenten en hulpmiddelen.
De afdeling werkt doorgaans met een strikte zonering:
De CSSD werkt 24 uur per dag en zorgt ervoor dat chirurgen en verpleegkundigen altijd kunnen beschikken over gevalideerd steriele instrumenten. Alle sterilisatiecycli worden gedocumenteerd en bewaard voor inzage en audit, conform de geldende normen voor infectiepreventie.
Voor CSSD-toepassingen gelden hoge eisen aan capaciteit, doorlooptijd en traceerbaarheid. Standaard benchtop-autoclaven zijn hiervoor in de meeste gevallen niet toereikend. Er zijn twee routes voor instellingen die op CSSD-niveau willen steriliseren:
Grote Laboklav modellen van SHP Steriltechnik bieden een aanzienlijk grotere kamerinhoud (tot 160 liter en meer) en zijn uitgerust met vacuümfunctionality, snelkoeling en uitgebreide registratiemogelijkheden. Deze apparaten lenen zich goed voor grotere laboratoria of kleinere zorginstellingen die een gedocumenteerde sterilisatieworkflow nodig hebben. Bekijk de grote Laboklav modellen in ons assortiment.
Voor omvangrijke CSSD-installaties — zoals in ziekenhuizen met grote sterilisatiecapaciteit, meerdere operatiekamers of specifieke klinische eisen — bouwt SHP Steriltechnik ook volledig op maat gemaakte installatiesystemen. Heeft u een specifieke vraag over een grootschalige of maatwerk sterilisatieoplossing? Neem dan contact met ons op, dan denken wij graag mee over de juiste configuratie.
De houdbaarheid van gesteriliseerde materialen na het autoclaveren hangt niet af van de tijd zelf, maar van de verpakking en de opslagomstandigheden. Een correct ingepakt en afgesloten pakket blijft in principe onbeperkt steriel zolang de verpakking intact is en wordt bewaard op een droge, stofvrije locatie. In de praktijk hanteren zorginstellingen en laboratoria een maximale opslagtermijn van 6 tot 12 maanden voor verpakt gesteriliseerd materiaal, afhankelijk van het verpakkingstype en het interne kwaliteitsbeleid. Onverpakt gesteriliseerd materiaal is direct na opening van de autoclaaf blootgesteld aan de omgevingslucht en dient zo snel mogelijk te worden gebruikt.
De sterilisatietijd van 20 minuten wordt doorgaans gehanteerd bij een temperatuur van 121 °C. Bij deze temperatuur is een langere blootstellingstijd vereist dan bij 134 °C om alle micro-organismen, inclusief resistente sporen, betrouwbaar te doden. De 20-minutenregel geldt met name voor:
Voor onverpakt massief instrumentarium bij 134 °C volstaan doorgaans 3 tot 5 minuten. De exacte cyclustijd is altijd afhankelijk van het type autoclaaf, het materiaal en het gekozen sterilisatieprogramma. Raadpleeg altijd de handleiding van uw apparaat.
Dit wordt afgeraden. Na afloop van de sterilisatiecyclus koelt de autoclaaf af en kan er condensatie ontstaan in de kamer. Vocht op of in de verpakking tast de steriele barrière aan: een vochtig pakket wordt beschouwd als gecontamineerd en moet opnieuw worden verwerkt. Bovendien kan langdurig verblijf in de autoclaaf na de cyclus de kwaliteit van temperatuurgevoelige materialen negatief beïnvloeden. Haal gesteriliseerde materialen altijd zo snel mogelijk uit de autoclaaf nadat de cyclus is voltooid en de druk volledig is afgebouwd.
Gebruik uitsluitend gedemineraliseerd water (ook wel demiwater of gedeïoniseerd water genoemd). Leidingwater bevat mineralen en kalk die zich als aanslag in het drukvat en de leidingen afzetten, wat de levensduur van de autoclaaf verkort en de sterilisatieresultaten negatief beïnvloedt. Gedemineraliseerd water voorkomt kalkaanslag en houdt de autoclaaf in optimale conditie.
Voor het aanvullen van uw autoclaaf kunt u gebruik maken van demiwaterpatronen of een eigen demiwater-installatie. Bekijk ons assortiment demiwater patronen voor passende oplossingen.
Zoals hierboven beschreven is de houdbaarheid primair afhankelijk van de verpakkingsintegriteit en de opslagcondities, niet van een vaste tijdsduur. Bewaar gesteriliseerd materiaal altijd:
Controleer vóór gebruik altijd visueel of de verpakking onbeschadigd is en of de indicatortape of -strip van kleur is veranderd. Is de verpakking aangetast of twijfelt u aan de steriliteit? Autoclaveer het materiaal dan opnieuw.
De veelgenoemde 15 minuten is de standaard sterilisatietijd bij 121 °C. Dit is echter geen vaste regel: de benodigde tijd hangt direct af van de gebruikte temperatuur. Bij 134 °C volstaan voor onverpakt massief materiaal slechts 3 minuten. De relatie tussen temperatuur, druk en sterilisatietijd is elders op deze pagina uitgebreider toegelicht. Kort samengevat: hoe hoger de temperatuur van de verzadigde stoom, hoe sneller micro-organismen worden gedood — en hoe korter de cyclustijd.
Autoclaven worden ingedeeld op basis van hun vacuümtechnologie en het type materiaal waarvoor ze geschikt zijn. De drie Europese klassen (N, S en B) zijn het meest gangbaar; daarnaast bestaat een vierde categorie voor grote industriële of ziekenhuisinstallaties.
De N-autoclaaf (N = Naked, onverpakt) heeft geen vacuümpomp. Stoom verdringt de lucht passief via zwaartekracht. Dit type is geschikt voor onverpakt, massief en niet-poreus instrumentarium zonder holle delen. Vanwege de beperkte stoominsluiting is dit type niet geschikt voor verpakt materiaal, poreuze stoffen of holle instrumenten. N-autoclaven zijn compacte en betaalbare apparaten, maar hebben de smalste toepasbaarheid.
De S-autoclaaf (S = Specified) heeft óf een voorvacuüm óf een navacuüm, maar niet beide. De fabrikant specificeert expliciet voor welke materiaaltypen het apparaat geschikt is. S-autoclaven zijn veelzijdiger dan N-types en worden vaak ingezet voor een vaste set toepassingen in kleinere laboratoria of praktijken.
De B-autoclaaf (B = Big, ook wel klasse B) is het meest complete type. Een vacuümpomp maakt eerst een voorvacuüm aan, waardoor alle lucht uit de kamer en uit het te steriliseren materiaal wordt onttrokken. Vervolgens dringt verzadigde stoom overal door, ook in holle instrumenten, poreuze materialen en verpakkingen. Na de sterilisatiecyclus volgt een navacuüm dat de stoom onttrekt en het materiaal snel droogt. B-autoclaven zijn geschikt voor het volledige spectrum: verpakt en onverpakt, massief en hol, poreus en vloeistof. Dit is de standaard in ziekenhuizen, tandheelkundige praktijken en goed uitgeruste laboratoria.
Naast de drie genormeerde klassen bestaan er grootschalige doorschuifautoclaven voor CSSD-afdelingen en industriële toepassingen. Deze zijn niet als benchtop-apparaat verkrijgbaar, maar worden als maatwerk-installatie gebouwd — zoals door SHP Steriltechnik, de fabrikant achter de Laboklav-serie. Meer hierover leest u in het onderdeel over CSSD-autoclaven elders op deze pagina.
Voor de meeste laboratoria en professionele toepassingen is de B-autoclaaf de beste keuze. Het voor- en navacuüm garanderen volledige stoominsluiting in elk type materiaal, kortere cyclustijden en droog eindresultaat. Als u uitsluitend onverpakt massief instrumentarium steriliseert en uw budget beperkt is, kan een N- of S-type volstaan — mits de toepassing binnen de specificaties valt. Twijfelt u welk model bij uw situatie past? Bekijk ons assortiment Laboklav autoclaven of neem contact op voor advies.
De meest gebruikte sterilisatietemperaturen zijn 121 °C en 134 °C, elk bij een bijbehorende overdruk van respectievelijk circa 1 en 2 bar. Sommige apparaten ondersteunen ook tussenliggende of afwijkende temperaturen voor specifieke toepassingen, zoals het steriliseren van temperatuurgevoelige vloeistoffen op lagere programma’s. De maximale temperatuur van een autoclaaf is afhankelijk van het model; Laboklav-apparaten ondersteunen cycli tot 143 °C voor bijzondere toepassingen.
121 °C is niet de enige mogelijke temperatuur — het is simpelweg de meest gangbare standaardinstelling. De reden dat juist deze temperatuur veel wordt gebruikt, is dat zij bij een overdruk van circa 1 bar boven atmosferische druk exact bereikt wordt in verzadigde stoom, wat eenvoudig te realiseren en te valideren is. Bij 121 °C zijn alle micro-organismen inclusief resistente sporen binnen 15 tot 20 minuten betrouwbaar gedood. Bij 134 °C volstaan 3 tot 5 minuten. De volledige toelichting op de relatie tussen temperatuur, druk en sterilisatietijd staat elders op deze pagina beschreven.
Water kan in een autoclaaf worden gesteriliseerd door het in een hittebestendige, gedeeltelijk afgesloten fles of recipiënt te plaatsen. Gedeeltelijk afgesloten is belangrijk: een volledig afgesloten fles kan door de drukopbouw barsten. Gebruik hiervoor speciaal laboratoriumglaswerk of recipiënten die bestand zijn tegen autoclaaftemperaturen. Het vloeistofprogramma van de autoclaaf (doorgaans 121 °C, 15 tot 20 minuten) past de opwarming en afkoeling trager aan om koken en overschuimen te voorkomen. Na afloop is het water steriel en vrij van levensvatbare micro-organismen.
Let op: gebruik voor het vullen van de autoclaaf zelf altijd gedemineraliseerd water, geen gedestilleerd leidingwater. Zie ook het onderdeel “Welk water gebruik je in een autoclaaf?” elders op deze pagina, met een verwijzing naar onze demiwater patronen.
Sterilisatie en desinfectie worden regelmatig door elkaar gebruikt, maar zijn niet hetzelfde:
In laboratoria en medische omgevingen geldt: wanneer materialen in contact komen met steriele media, weefsel of open wonden, is sterilisatie vereist — desinfectie is dan niet afdoende. Voor het steriliseren van uw instrumenten en materialen bieden wij een compleet overzicht in onze categorie sterilisatie-apparatuur.
In de volksmond worden autoclaaf en sterilisator door elkaar gebruikt, en in veel gevallen dekken ze inderdaad dezelfde lading. Toch is er een nuanceverschil: een autoclaaf is een specifiek type sterilisator dat werkt met stoom onder druk. Een sterilisator is de bredere term voor elk apparaat dat sterilisatie uitvoert — dat kan ook via droge hitte, ethyleenoxide (EO-gas), plasma of straling. Elke autoclaaf is dus een sterilisator, maar niet elke sterilisator is een autoclaaf.
Functioneel worden de termen in laboratoria en zorginstellingen grotendeels als synoniemen gebruikt: als men spreekt over “de sterilisator”, bedoelt men in de meeste gevallen de stoomautoclaaf. Het onderscheid is vooral relevant wanneer u ook andere sterilisatiemethoden overweegt, zoals droge-hitte-ovens of lage-temperatuursterilisatoren voor materialen die geen stoom verdragen. Voor stoomsterilisatie zijn de twee termen in de praktijk uitwisselbaar.
Ja, er zijn verschillende alternatieve sterilisatiemethoden voor materialen die geen stoom verdragen:
Voor de meeste laboratoriumtoepassingen blijft autoclaveren de voorkeursmethode vanwege de betrouwbaarheid, het brede toepassingsgebied en de afwezigheid van chemische residuen. Bekijk ons volledige sterilisatie-assortiment voor een overzicht van beschikbare apparaten.
Gebruik altijd gedemineraliseerd water voor het vullen van uw autoclaaf. Leidingwater bevat mineralen en kalk die aanslag veroorzaken in het drukvat en de leidingen, wat de levensduur van het apparaat verkort en de sterilisatieresultaten negatief beïnvloedt. Een uitgebreider antwoord op deze vraag staat in het onderdeel “Welk water gebruik je in een autoclaaf?” verderop op deze pagina, inclusief een verwijzing naar onze demiwater patronen.
Bij correct uitgevoerde cycli en een goed onderhouden apparaat is autoclaveren een van de meest betrouwbare sterilisatiemethoden die er bestaan. In de microbiologische definitie spreekt men van sterilisatie wanneer de kans op een levend micro-organisme kleiner is dan 1 op 1.000.000 (SAL 10-6). Aan die norm voldoet een correct functionerende autoclaaf.
Toch zijn er omstandigheden waarbij de effectiviteit verminderd kan zijn:
Regelmatige validatie via biologische indicatoren en het gebruik van indicatortape per cyclus helpen u de betrouwbaarheid te bewaken.
Autoclaveren is veelzijdig en betrouwbaar, maar kent een aantal beperkingen:
Nee. Een autoclaaf is een apparaat; een CSSD (Central Sterile Supply Department) — in het Nederlands de Centrale Sterilisatie Afdeling (CSA) — is een afdeling binnen een ziekenhuis of zorginstelling. De CSSD maakt gebruik van (grote) autoclaven als onderdeel van een volledig sterilisatieproces, maar omvat ook reiniging, desinfectie, verpakking, kwaliteitscontrole en distributie van steriele instrumenten. Een uitgebreide toelichting op de CSSD en de bijbehorende autoclaafvereisten vindt u in het onderdeel “Wat is een CSSD-afdeling en wat doen ze?” eerder op deze pagina.
Validatie van de autoclaaf is het proces waarbij wordt aangetoond dat de sterilisatiecyclus consistent en aantoonbaar effectief is. In GLP- en GMP-gereguleerde omgevingen is validatie verplicht; in andere laboratoria is het sterk aan te raden als onderdeel van een goed kwaliteitsbeheer. Validatie is geen eenmalige handeling, maar een doorlopend proces van installatiekeuring, prestatiequalificatie en periodieke hervalidatie.
Naast de formele IQ/OQ/PQ-kwalificatie zijn er praktische hulpmiddelen die per cyclus worden ingezet om de effectiviteit te bewaken:
De frequentie hangt af van de toepassing en de geldende regelgeving. Als vuistregel geldt een jaarlijkse hervalidatie, aangevuld met hervalidatie na elke significante wijziging — zoals vervanging van onderdelen, verhuizing van het apparaat of een wijziging in het beladingspatroon. In gereguleerde omgevingen (GMP, ISO 13485) zijn de validatie-eisen en documentatieverplichtingen vastgelegd in de toepasselijke normen en interne kwaliteitsprocedures.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.