Een laboratoriumbalans of laboratorium weegschaal is een precisieweeginstrument dat de massa van stoffen, vloeistoffen of voorwerpen met hoge nauwkeurigheid bepaalt. Anders dan een gewone weegschaal is een laboratoriumbalans afgestemd op kleine hoeveelheden en lage afleesstappen: de kleinste stap kan variëren van 0,1 g bij een eenvoudige bovenweger tot 0,001 mg (1 µg) bij een microbalans. Moderne laboratoriumbalansen werken elektronisch op basis van elektromagnetische krachtcompensatie of straingaugetechnologie en leveren hun uitslag digitaal op een display, vaak met gegevensuitvoer via USB, RS-232 of draadloze verbinding.
Het belangrijkste onderscheid met een gewone weegschaal is de combinatie van hoge resolutie en stabiele, reproduceerbare resultaten. Een laboratoriumbalans is ontworpen om omgevingsinvloeden — trillingen, luchtstromen, temperatuurschommelingen — zoveel mogelijk uit te sluiten of te compenseren. Daarvoor zijn analytische balansen standaard voorzien van een glazen tochtscherm, een waterpas en een automatische nulstelling.
Laboratoriumbalansen zijn er in uiteenlopende uitvoeringen. De keuze hangt af van de benodigde capaciteit, afleesbaarheid en toepassing.
De analytische balans is de standaard voor nauwkeurig wegen in het chemisch, farmaceutisch en wetenschappelijk laboratorium. Typerend is een maximale capaciteit van 80 tot 320 g in combinatie met een afleesbaarheid van 0,1 mg (4 decimalen, ook wel een “4-cijferige balans”) of 0,01 mg (5 decimalen). De werking berust op elektromagnetische krachtcompensatie: een elektronisch systeem corrigeert voortdurend voor afwijkingen, waardoor uiterst stabiele en reproduceerbare weegresultaten worden bereikt. Toepassingen: het nauwkeurig afwegen van reagentia, het bereiden van standaardoplossingen, kwantitatieve analyse, dichtheidsbepalingen en QC-wegingen in de farmacie.
De precisiebalans, ook bovenweger of top-loader genaamd, combineert een grotere weegcapaciteit (doorgaans 200 g tot enkele kilogrammen) met een afleesbaarheid van 0,01 g of 0,1 g. Dit type heeft geen gesloten tochtscherm maar een open weegplateau, waardoor grotere hoeveelheden of omvangrijkere recipiënten gemakkelijker te hanteren zijn. Precisiebalansen worden ingezet voor routineweging, het bereiden van oplossingen in grotere volumes en het wegen van vaste stoffen waarbij minder dan vier decimalen nauwkeurigheid volstaat.
Microbalansen werken in het microgrambereik met een afleesbaarheid van 0,001 mg (1 µg) en zijn bedoeld voor de meest kritische wegingen van uiterst kleine hoeveelheden: spoorelementen, nanopartikels of kostbare referentiestandaarden. Door hun extreme gevoeligheid vereisen microbalansen een trillingsvrije ondergrond, een ionisator om statische elektriciteit te elimineren en een volledig tochtvrije weegkamer. Semi-microbalansen (afleesbaarheid 0,01 mg) vormen een middenklasse tussen de analytische balans en de echte microbalans.
Een vochtbalans is een gecombineerd instrument: een precisieweegschaal met een ingebouwde verwarmingseenheid, doorgaans een halogeenlamp of koolstofvezelverwarmer. Het werkingsprincipe is de loss-on-drying-methode (LOD): het monster wordt gewogen, daarna verwarmd en gedroogd terwijl de balans het gewichtsverlies continu registreert. Zodra het gewicht stabiel blijft, berekent het instrument automatisch het vochtgehalte als percentage van het uitgangsgewicht. Resultaten zijn beschikbaar binnen 2 tot 20 minuten, tegenover uren bij een klassieke droogstoof. Toepassingen: voedingsmiddelenindustrie, farmaceutische sector, chemische industrie en bouwmaterialen. Let op: de LOD-methode meet alle vluchtige stoffen, niet uitsluitend water. Bij monsters met andere vluchtige verbindingen kan de uitkomst afwijken van het werkelijke watergehalte.
De nauwkeurigheid van weegschalen en kalibratiegewichten wordt internationaal beschreven via twee normensystemen: de OIML-klassen voor de gewichten zelf en de verificatieklassen voor de balansen.
De internationale norm OIML R111 deelt kalibratiegewichten in van E1 (hoogste nauwkeurigheid) tot M3 (laagste). In laboratoriumomgevingen zijn dit de meest relevante klassen:
Een balans kan nooit nauwkeuriger zijn dan het kalibratiegewicht waarmee ze wordt afgesteld. Als vuistregel geldt: de tolerantie van het kalibratiegewicht mag maximaal één derde bedragen van de maximaal toelaatbare fout van de balans.
Niet-automatische weeginstrumenten (NAWI) worden ingedeeld in vier verificatieklassen, waarbij klasse I de hoogste nauwkeurigheid vertegenwoordigt:
Op het typeplaatje van een balans staan twee afzonderlijke waarden: d (afleesbaarheid of kleinste deelstreep) en e (verificatie-interval). De afleesbaarheid d is de kleinste stap die het display toont, bijvoorbeeld 0,1 mg bij een analytische balans. Het verificatie-interval e is de eenheid die metrologische autoriteiten hanteren om de toegestane meetafwijking te berekenen bij wettelijke verificatie. In veel gevallen geldt e = d, maar bij sommige balansen is e groter dan d: het display toont dan meer decimalen dan wettelijk worden geverifieerd. Dit betekent dat de extra decimalen een indicatie zijn van de resolutie, maar niet zijn gegarandeerd binnen de wettelijke tolerantiegrenzen. Bij het vergelijken van balansen is het daarom van belang zowel d als e te controleren, niet alleen de afleesbaarheid op het display.
De termen worden in de praktijk vaak door elkaar gebruikt, maar ze betekenen iets wezenlijk anders.
Kalibreren is het vaststellen en, indien nodig, corrigeren van de afwijking van een meetinstrument ten opzichte van een bekende referentiewaarde. Bij het kalibreren van een balans wordt een gecertificeerd kalibratiegewicht geplaatst en wordt de aanwijzing gecontroleerd of bijgesteld. Kalibratie is een interne kwaliteitshandeling die niet wettelijk afdwingbaar is maar die in elke serieuze labomgeving regelmatig wordt uitgevoerd. Veel moderne analytische balansen zijn uitgerust met een intern kalibratiegewicht en een automatische kalibratieroutine (bij Sartorius bekend als isoCAL) die bij temperatuurwijzigingen automatisch wordt geactiveerd. Een interne kalibratie vervangt externe controle met een onafhankelijk gewicht echter niet volledig.
Binnen het kalibreren zelf bestaan twee werkwijzen die vaak door elkaar worden gebruikt: interne kalibratie met een ingebouwd referentiegewicht en externe kalibratie waarbij de gebruiker zelf een gecertificeerd gewicht op het plateau plaatst. Het verschil zit niet in wat er gebeurt (de balans wordt in beide gevallen afgesteld op een bekende massa), maar in de herkomst van die referentiemassa en de traceerbaarheid daarvan.
Bij interne kalibratie beweegt een motortje in de balans een intern referentiegewicht op de weegcel. De balans vergelijkt de aanwijzing met de bekende massa van dat interne gewicht en corrigeert zichzelf. De routine start op een druk op de kalibratietoets, op vaste tijdstippen of automatisch bij een geregistreerde temperatuurwijziging. De gebruiker hoeft geen extern gewicht te hanteren, waardoor de handeling snel en zonder risico op verkeerde bediening meermaals per dag kan worden uitgevoerd. Nadeel: de traceerbaarheid van het interne gewicht ligt bij de fabrikant en drift van dat gewicht zelf wordt door de routine niet gedetecteerd.
Bij externe kalibratie — ook wel zelfkalibratie genoemd — plaatst u zelf een los kalibratiegewicht op het plateau, doorgaans op verzoek van de balans of volgens een vast schema. De balans stelt zich af op basis van dat externe gewicht. Voordeel: u kiest zelf de OIML-klasse van het referentiegewicht (zie de OIML-tabel hierboven) en laat dat gewicht periodiek hertraceren met een DAkkS- of RvA-certificaat, waarmee de traceerbaarheid naar nationale meetstandaarden aantoonbaar is. Nadeel: het vereist aanschaf en zorgvuldig beheer van kalibratiegewichten, en de handeling is bewerkelijker dan een druk op de knop.
In de praktijk werken beide methoden aanvullend. Interne kalibratie zorgt voor de dagelijkse afstelling bij wisselende omgevingscondities; externe kalibratie met een traceerbaar gewicht dient als periodieke controle van zowel de balans als het interne gewicht. Balansen zonder ingebouwd kalibratiegewicht zijn volledig aangewezen op externe kalibratie.
IJken (wettelijke verificatie) is een formeel, wettelijk geregeld proces waarbij een erkende keuringsinstantie controleert of een meetinstrument voldoet aan de eisen van de Europese Meetinstrumentenrichtlijn (MID, 2014/31/EU) en de Nederlandse Metrologiewet. Een geijkt instrument krijgt een CE-markering aangevuld met een metrologische M-markering en een verzegelingsplaatje. IJken mag uitsluitend worden uitgevoerd door een door Verispect erkende keurder.
IJkgewichten — ook wel kalibratiegewichten of massastukken genoemd — zijn gecertificeerde gewichten die worden gebruikt om een weegschaal of balans te controleren en bij te stellen. Ze worden geplaatst op het weegplateau om te controleren of de balans het juiste gewicht nog nauwkeurig aangeeft. Is er een afwijking? Dan dient de balans opnieuw te worden gekalibreerd. IJkgewichten zijn ingedeeld in OIML-klassen (E1 t/m M3) die overeenkomen met de nauwkeurigheidsklasse van de te kalibreren balans — zie de tabel hierboven voor de juiste koppeling per balanstype. Een kalibratieprocedure omvat doorgaans meerdere weegproeven waarbij de gewichten ook op verschillende posities op het plateau worden geplaatst om eventuele hoekfouten te detecteren.
Een snelle dagelijkse controle bestaat uit drie stappen. Nul de balans, plaats een gecertificeerd kalibratiegewicht van bekende massa op het weegplateau en vergelijk de aanwijzing met de nominale waarde van het gewicht. Ligt de afwijking binnen de voor uw toepassing toegestane foutmarge? Dan is de balans in orde. Behalve deze lineaiteitscontrole is een herhaalbaarheidstest aan te bevelen: weeg hetzelfde gewicht tien keer achter elkaar, berekend de standaarddeviatie van de tien resultaten en vergelijk die met de door de fabrikant opgegeven herhaalbaarheidsspecificatie. Een grotere standaarddeviatie dan de specificatie wijst op slijtage, verontreinigingen op het weegplateau of verstoringen in de werkomgeving. Leg alle dagelijkse controles vast in een logboek of digitaal kwaliteitssysteem: dat is de basis voor trending, waarmee u vroegtijdig drift kunt signaleren voordat de meetresultaten buiten de tolerantie vallen.
De Nederlandse Metrologiewet (2006) schrijft voor dat meetinstrumenten geijkt moeten zijn bij een zogeheten geregelde meettaak. Voor balansen zijn dat in het bijzonder:
Voor intern laboratoriumgebruik — het afwegen van doseringen voor eigen analyse, routinematig onderzoek, kwaliteitscontrole voor intern gebruik — is ijken niet wettelijk verplicht. Kalibratie en documentatie in het kwaliteitssysteem (ISO 9001, GLP, GMP) zijn dan de gangbare praktijk. Het onderscheid is wezenlijk: een niet-geijkte analytische balans kan uitstekend gekalibreerd en nauwkeurig zijn; ze voldoet alleen niet aan de wettelijke eis voor geregelde meettaken.
Een laboratoriumbalans draagt standaard een typeplaatje met de volgende gegevens: naam en adres van de fabrikant, type- of modelaanduiding, serienummer, maximale capaciteit (Max), minimale weegwaarde (Min), verificatie-interval (e), afleesbaarheid (d) en, bij geijkte exemplaren, de CE-markering met metrologisch aanvullingsteken (M) en het jaar van eerste verificatie. Bij handelsweeginstrumenten is bovendien het verificatiestempel aanwezig. Het typeplaatje mag niet worden verwijderd of beschadigd; beschadiging van de zegels maakt het instrument formeel ongeschikt voor geregelde meettaken.
Tareren is het op nul stellen van de balans met een recipiënt (weegschuitje, bekerglas, weegflesje of weegpapier) op het plateau. Na het tareren toont de balans netto nul; u weegt vervolgens alleen de inhoud van het recipiënt, niet het recipiënt zelf. Moderne digitale balansen beschikken standaard over een tara-toets. De tararefunctie is onmisbaar wanneer u stoffen niet direct op het weegplateau kunt of mag plaatsen, bijvoorbeeld bij corrosieve chemicaliën, fijn poedervormige stoffen of vloeibare monsters. Houd er rekening mee dat de maximale nettocapaciteit (Max minus de taralast) afneemt naarmate het recipiënt zwaarder is: bij een analytische balans met een capaciteit van 220 g en een bekerglas van 80 g resteert een nettocapaciteit van 140 g. Bij het hanteren van de tararefunctie is het ook van belang het recipiënt niet te verwisselen nadat u getareerd heeft, omdat de balans dan de nieuwe, onbekende massa van het recipiënt meeweegt als negatieve tara.
Ongeacht het type balans gelden vier praktische regels voor betrouwbare weegresultaten. Ten eerste: stel de balans waterpas. Elke analytische balans heeft een libel (waterpasbuisje) en verstelbare poten; een scheefstaande balans weegt systematisch fout. Ten tweede: laat de balans voldoende opwarmen. Een analytische balans heeft minimaal 15 tot 30 minuten nodig na inschakelen voordat ze stabiele resultaten levert. Ten derde: weeg op kamertemperatuur. Een warm of koud monster veroorzaakt convectieluchtstroom die het weegresultaat beïnvloedt. Ten vierde: houd het weegplateau schoon. Chemicaliënresten, stof en corrosie tasten de nauwkeurigheid aan en kunnen bovendien gevaarlijke situaties opleveren als verschillende stoffen op het plateau achterblijven. Gebruik weegpapier om het plateau te beschermen en kruisbesmetting te voorkomen.
Voor de juiste hulpmiddelen bij het wegen — van weegschuitjes en spatels tot antitrillingspads — zie ons overzicht van weegaccessoires voor het laboratorium.
Zelfs een perfect gekalibreerde balans levert onbetrouwbare resultaten als de werkomgeving niet aan de vereisten voldoet. De voornaamste verstorende factoren zijn de volgende. Trillingen van nabijgelegen apparatuur, HVAC-systemen of druk verkeer zorgen voor instabiele weegresultaten; een antitrillingstafel of -pad is in zulke omgevingen geen luxe maar noodzaak. Luchtstromen — ook zwakke stromen van ventilatieopeningen of gebarentrillingen dichtbij de balans — duwen het weegplateau of het monster opzij en geven een systematisch te laag of te hoog resultaat. Temperatuurverschillen tussen monster en weegkamer veroorzaken convectie: een te warm monster zweeft als het ware door warme lucht omhoog en lijkt lichter. Statische elektriciteit, die vooral optreedt bij fijn poedervormige monsters, kunststofrecipiënten of lage luchtvochtigheid, trekt het weegplateau aan of stoot het af; een ionisator voor de weegkamer neutraliseert deze lading. Tot slot: vochtigheid en corrosieve dampen tasten de mechanische en elektronische componenten aan en leiden op termijn tot systematische meetfouten.
Reinig het weegplateau na elke weging van gevaarlijke of corrosieve stoffen en periodiek bij algemeen gebruik. Schakel de balans uit en verwijder het weegplateau en de opvangbak volgens de handleiding van de fabrikant. Verwijder losse resten met een zachte borstel of droge doek. Reinig de oppervlakken daarna met een licht vochtige, pluisvrije doek; gebruik geen oplosmiddelen die de lak of de seals aantasten, tenzij de fabrikant dit uitdrukkelijk toestaat. Reinig nooit de weegkamer met perslucht: luchtdruk verstoort de delicate sensoren. Laat alle onderdelen volledig drogen voordat u de balans terug in gebruik neemt. Documenteer reinigings- en onderhoudswerkzaamheden in het logboek van het instrument; in gereguleerde omgevingen (GLP, GMP) is dit een formele verplichting.
Goed balansonderhoud is gelaagd. Naast de dagelijkse werkregels, de reinigingsprocedure en een correcte opstelling (zie de sectie over factoren die de nauwkeurigheid beïnvloeden) hoort bij een betrouwbaar weegproces een schema van periodieke controles en professioneel onderhoud. De drie niveaus vullen elkaar aan: dagelijkse controle vangt acute afwijkingen op, periodieke controle detecteert sluipende drift, en jaarlijkse professionele kalibratie legt de traceerbaarheid naar nationale meetstandaarden vast.
Voer bij elke ingebruikname een korte controle uit met een gecertificeerd kalibratiegewicht in de buurt van uw gebruikelijke weegbereik — bijvoorbeeld 100 g (F1 of E2) voor een analytische balans van 220 g. Nul de balans, plaats het gewicht, noteer de aanwijzing en vergelijk met de nominale waarde. Leg elke controle vast in een logboek of digitaal kwaliteitssysteem, ook wanneer de balans binnen tolerantie ligt: de trending over de tijd maakt drift zichtbaar voordat de resultaten buiten tolerantie vallen.
Naast de eenpunts-lineariteitscontrole is een uitgebreidere test aan te bevelen op wekelijkse tot maandelijkse basis, afhankelijk van gebruiksintensiteit. Weeg meerdere gewichten verdeeld over het meetbereik (bijvoorbeeld 10, 50, 100 en 200 g bij een 220 g-balans) om de lineariteit over het volledige bereik te controleren. Voer daarnaast een hoekbelastingstest uit door hetzelfde gewicht achtereenvolgens op het midden en de vier randposities van het plateau te plaatsen; de onderlinge afwijkingen mogen de fabrieksspecificatie voor excentriciteit niet overschrijden. Aanhoudende afwijkingen in één hoek wijzen doorgaans op een niet-waterpasse opstelling, een verontreinigd plateau of een defect in de weegcel.
Laat de balans minimaal eenmaal per jaar kalibreren door een geaccrediteerd kalibratielaboratorium met DAkkS- of RvA-certificaat, halfjaarlijks bij intensief gebruik of onder GLP/GMP-regime. Het kalibratierapport documenteert lineariteit, herhaalbaarheid, excentriciteit en gevoeligheid over het volledige meetbereik met aantoonbare traceerbaarheid. Laat bij dezelfde beurt het interne kalibratiegewicht controleren: dat gewicht drift zelf ook en die drift wordt door de automatische interne routine niet gedetecteerd. Voor balansen die vallen onder een geregelde meettaak — apotheek, medisch laboratorium, handelstransactie — komt boven op deze kalibratie de periodieke herijking door een door Verispect erkende keurder.
In een kwaliteitssysteem is onderhoudsdocumentatie geen bijzaak maar onderdeel van het onderhoud zelf. Leg per handeling vast wanneer, waarmee en door wie de balans is gecontroleerd of gekalibreerd, welke gewichten met welke certificaatnummers zijn gebruikt, welke afwijkingen zijn geconstateerd en welke correcties zijn doorgevoerd. Deze registratie is de basis voor trending, voor audits onder ISO 9001, GLP of GMP en voor de beoordeling of een balans nog geschikt is voor de beoogde meettaak.
Met een 4-cijferige balans wordt een analytische balans bedoeld die afleest tot vier decimalen, dus tot op 0,0001 g (0,1 mg). De aanduiding verwijst naar het aantal cijfers achter de komma in de weeguitslag. Een 5-cijferige balans (semi-microbalans) leest af tot 0,00001 g (0,01 mg). Voor de meeste analytische werkzaamheden in een chemisch laboratorium is de 4-cijferige analytische balans de standaard.
Moderne analytische balansen werken op het principe van elektromagnetische krachtcompensatie. Een spoel in een magnetisch veld compenseert het gewicht van het monster: de stroom die nodig is om de weegschaal in evenwicht te brengen is evenredig met de massa op het weegplateau. Dit levert een snel, stabiel en zeer nauwkeurig signaal. Het glazen tochtscherm rondom de weegkamer beschermt het kleine weegplateau tegen luchtstromen die het meetresultaat anders zouden vertekenen.
Er is geen wettelijk vastgelegd kalibratie-interval voor balansen die voor intern gebruik worden ingezet. De gangbare praktijk, aanbevolen door fabrikanten en kwaliteitsnormen zoals ISO 9001, is kalibratie minimaal eenmaal per jaar bij normaal gebruik en eenmaal per zes maanden bij intensief dagelijks gebruik. Daarnaast wordt aanbevolen de balans bij elke dagelijkse ingebruikname te controleren met een kalibratiegewicht. Balansen die worden gebruikt in geaccrediteerde laboratoria (ISO/IEC 17025) of onder GMP/GLP vereisen een formeel gedocumenteerd kalibratieschema met traceerbare certificaten.
De nauwkeurigheid van een pipet wordt gecontroleerd met een analytische balans: door gedestilleerd water te pipetteren en te wegen kunt u de volumenauwkeurigheid en herhaalbaarheid bepalen. In ons kennisbankartikel over pipetteren leest u hoe deze kalibratiemethode werkt en wat de gangbare kalibratie-intervallen zijn. Lees het artikel over pipetteren.
De waarde 0,41 d stamt uit de USP-richtlijn (United States Pharmacopeia, hoofdstuk <41>) en geeft het minimale gewicht aan dat betrouwbaar gewogen kan worden met een bepaalde balans. Hierbij staat d voor de afleesbaarheid (kleinste deelstreep) van de balans. Concreet: bij een analytische balans met d = 0,1 mg bedraagt het minimaal weegbare gewicht 0,41 × 0,1 mg = 0,041 mg, maar in de praktijk ligt de bruikbare ondergrens bij de meeste analytische balansen rond de 10 tot 50 mg afhankelijk van de herhaalbaarheid. Het principe laat zien dat ook een nauwkeurige analytische balans niet voor álle kleine hoeveelheden geschikt is: weegt u lichter dan het minimumgewicht, dan wordt de relatieve meetonzekerheid te groot voor een betrouwbare uitkomst.
De gouden regel in de weegkunde luidt: weeg nooit boven de maximale capaciteit (Max) en nooit onder het minimaal weegbare gewicht (Min). Boven de maximale capaciteit beschadigt u mechanische of elektronische componenten; onder het minimum wordt de relatieve meetfout zo groot dat het resultaat niet meer betrouwbaar is. Beide grenswaarden staan op het typeplaatje of zijn te vinden in de balansspecificaties.
In de praktijk worden beide termen door elkaar gebruikt, maar formeel is een balans een precisieweeginstrument voor kleine massa's met een hoge resolutie, terwijl een weegschaal een breder begrip is dat ook industriële en commerciële weeginstrumenten omvat. Een laboratoriumbalans onderscheidt zich door een afleesbaarheid in de microgram- tot milligramrange, speciale voorzieningen tegen omgevingsinvloeden (tochtscherm, waterpas, antitrillingspoten) en verificatie in klasse I of II. Een industriële weegschaal weegt doorgaans zwaarder en grover (klasse III of IV).
Doorgaans worden drie subtypen onderscheiden: de analytische balans (afleesbaarheid 0,1 mg), de semi-microbalans (afleesbaarheid 0,01 mg) en de microbalans (afleesbaarheid 0,001 mg of 1 µg). Sommige fabrikanten onderscheiden ook de ultra-microbalans (afleesbaarheid 0,1 µg) als vierde subtype. De keuze hangt af van de kleinste te wegen massa en de vereiste meetonzekerheid voor uw toepassing.
Als richtlijn geldt: jaarlijks bij normaal gebruik, halfjaarlijks bij intensief gebruik. In geaccrediteerde en gereguleerde omgevingen (GLP, GMP, ISO 17025) wordt het interval vastgelegd op basis van een risicoanalyse en de meethistorie van het specifieke instrument, niet op basis van een vaste termijn. Een kalibratierapport met DAkkS-certificaat of gelijkwaardig biedt de aantoonbare herleidbaarheid naar nationale meetstandaarden die ISO 9001 en vergelijkbare normen vereisen.
Bij de selectie zijn dit de vier sleutelparameters: (1) de vereiste afleesbaarheid voor uw toepassing, (2) de maximale capaciteit die u nodig heeft, (3) de omgevingscondities op de opstelplaats (trillingen, luchtstroom, temperatuurstabiliteit) en (4) de kalibratie- en documentatie-eisen vanuit uw kwaliteitssysteem. Bij het dagelijkse gebruik staan vier andere punten centraal: waterpas staan, voldoende opwarmtijd, wegen op kamertemperatuur en een schoon weegplateau.
Een kalibratierapport met DAkkS-certificaat of RvA-certificaat is een ISO 17025-kalibratierapport: uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium met aantoonbare traceerbaarheid naar nationale meetstandaarden. In ons kennisbankartikel over ISO 17025 leest u wat accreditatie betekent en wanneer een traceerbaar kalibratierapport verplicht is. Lees het artikel over ISO 17025 en laboratoriumaccreditatie.
Bekijk het assortiment laboratoriumbalansen van Labvakhandel, of neem contact op voor advies bij de keuze van het juiste weegbereik en de benodigde nauwkeurigheid voor uw toepassing.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.