Practicum: Invloed van temperatuur op enzymwerking – Biologie HAVO/VWO

In dit practicum onderzoek je hoe de temperatuur de werking van een enzym beïnvloedt. Je laat cellobiase een substraat splitsen bij zes verschillende temperaturen en meet hoeveel gele kleurstof er ontstaat. Je meet de kleur zonder apparatuur door hem te vergelijken met een ijkreeks, en tekent een optimumkromme. Bij het VWO onderzoek je ook wat er met het enzym gebeurt als je het kookt (denaturatie).

Dit practicum staat los van de andere enzympractica (pH, substraatconcentratie en reactieverloop in de tijd). De klas verdeelt de temperaturen, zodat het in één les van 45 minuten past.

Leerdoelen

  • beschrijven (HAVO) of toelichten (VWO) hoe de temperatuur de enzymwerking beïnvloedt;
  • uit eigen metingen een optimumkromme voor temperatuur tekenen en de optimumtemperatuur bepalen;
  • uitleggen waarom boven de optimumtemperatuur de activiteit daalt (VWO: denaturatie);
  • uitleggen waarom een blanco en een goede voorverwarming nodig zijn bij een enzymmeting.

Cursusniveau en vakgebied

Vak: Biologie | Domein: Zelfregulatie – enzymwerking | Duur: 1 les van 45 minuten (+ ca. 30 minuten voorbereiding door de docent of TOA) | Klas: bovenbouw (de klas waarin enzymwerking wordt behandeld verschilt per methode; meestal klas 4 en 5)

NiveauGeschikt?Wat doet de leerling?
VWO 4/5JaVolledig practicum, inclusief de kookproef (denaturatie) en alle vragen. Rekenvraag 7 en verdieping.
HAVO 4/5JaTemperatuuroptimumkromme met grafiek en berekening van de activiteit. Vragen 1 t/m 5 en 8; de kookproef en vraag 6 en 7 vervallen (denaturatie hoort bij het VWO).
VMBONiet aanbevolenOptimumkromme en kleurmeting met ijkreeks gaan verder dan nodig. Kies voor VMBO een eenvoudiger enzymproef.

Aansluiting op de eindtermen

NiveauEindterm in de syllabus (centraal examen)
HAVOBeschrijven waar en hoe enzymen reacties katalyseren (o.a. enzymsubstraatcomplex) en beschrijven hoe temperatuur en pH de enzymwerking beïnvloeden (o.a. optimumkromme, indicator).
VWOToelichten waar en hoe enzymen reacties katalyseren (o.a. enzymsubstraatcomplex, indicator) en toelichten hoe temperatuur en pH de enzymwerking beïnvloeden (o.a. denaturatie, optimumkromme).

Bron: syllabi biologie havo en vwo van het College voor Toetsen en Examens (havo 2024, vwo 2025/2027). Controleer de syllabus van het actuele examenjaar.

Voorbereiding door docent of TOA

Reken op ca. 30 minuten. Zonder voortest en ijkreeks is het practicum niet uitvoerbaar.

IJkreeks voor de hele klas (docent of TOA)

De ijkreeks is de “meetlat” voor de kleurmeting. Maak één set per twee groepen, van tevoren, in zeven gelabelde eps van 1,5 mL. Pipetteer eerst de buffer, dan de standaard, en voeg de stopoplossing als laatste toe. Sluit de buisjes en meng goed (vortex of omkeren). Eindvolume 400 µL per buisje. 1 mM standaard is 1 nmol per µL, dus het aantal µL standaard is gelijk aan het aantal nmol maal 1 (zie tabel).

IJkbuisjeStandaard 1 mM (µL)Buffer pH 5 (µL)2× stopoplossing (µL)p-Nitrofenol (nmol)Concentratie (µM)
0 (blanco)020020000
14196200410
28192200820
3161842001640
4241762002460
5321682003280
64016020040100

Maak de reeks op de dag zelf of de dag ervoor en bewaar de buisjes afgesloten en donker. Staat er op uw standaard een andere concentratie dan 1 mM, reken dan de volumes om: volume (µL) = gewenste nmol ÷ concentratie (mM).

Voortest: enzymverdunning bepalen (docent of TOA, ca. 15 minuten)

De activiteit van enzympreparaten verschilt sterk per leverancier en per batch. Zonder voortest is de kans groot dat alle buisjes bijna kleurloos of juist ver buiten de ijkreeks zijn. Doe daarom vooraf:

  1. Maak drie verdunningen van het enzym in buffer pH 5: 1:10 (20 µL enzym + 180 µL buffer), 1:100 (20 µL van de 1:10 + 180 µL buffer) en 1:1000. Houd ze op ijs.
  2. Pipetteer per verdunning in een eps: 160 µL buffer pH 5 + 20 µL substraat (10 mM), 3 minuten voorverwarmd op 37 °C. Start met 20 µL verdund enzym, meng, en incubeer precies 10 minuten bij 37 °C (waterbad of heatblock).
  3. Stop met 200 µL 2× stopoplossing, meng en vergelijk met de ijkreeks.
  4. Gewenst: een kleur die overeenkomt met ijkbuisje 2 tot 3 (8 tot 16 nmol). Dan blijft er ruimte omhoog voor hogere temperaturen en omlaag voor 20 °C. Te licht: minder verdunnen (bijvoorbeeld 1:30). Te donker: meer verdunnen. Herhaal tot de kleur past en noteer de werkverdunning.

Temperatuurbaden (per klas, 1 bad per temperatuur)

Zet vóór de les zes baden klaar en controleer de temperatuur met een thermometer (afwijking maximaal 2 °C). Stuur tijdens de les bij met warm of koud water. Staat er een heatblock of thermostaatbad tot uw beschikking, dan kunt u dat voor een of meer temperaturen gebruiken.

TemperatuurHoe maakt u het bad?Controle
0 °CBekerglas met ijs en een beetje water (ijswater), regelmatig roeren.Thermometer
20 °CBekerglas met leidingwater van kamertemperatuur.Thermometer
37 °CBekerglas met warm en koud water gemengd, of een waterbad/heatblock op 37 °C.Thermometer, bijsturen met warm of koud water
50 °CWarm water uit waterkoker of verwarmingsplaat, bijgemengd met koud water.Thermometer, bijsturen
60 °CIdem.Thermometer, bijsturen
70 °CIdem. Gebruik een bekerglas van minimaal 250 mL zodat de temperatuur stabiel blijft.Thermometer, bijsturen

Gekookt enzym (alleen VWO, groep A en F)

Doe 150 µL werkverdunning van het enzym in een goed sluitende eps. Zet het buisje met veiligheidsbril, in een drijver of met een dopsluiting zodat het deksel niet opent, 5 minuten in kokend water. Koel daarna af op ijs en label het buisje K. Het enzym is dan gedenatureerd.

Groepsindeling

Elke temperatuur wordt door twee groepen gemeten, zodat u duplo-waarden heeft. Pas de indeling aan als u meer of minder groepen heeft.

GroepTemperaturenExtra
A0 °C en 37 °CBlanco bij 37 °C. VWO: ook gekookt enzym (buisje K) bij 37 °C.
B20 °C en 50 °CBlanco bij 50 °C.
C60 °C en 70 °CBlanco bij 70 °C.
D0 °C en 60 °CBlanco bij 60 °C.
E20 °C en 70 °CBlanco bij 70 °C.
F37 °C en 50 °CBlanco bij 50 °C. VWO: ook gekookt enzym (buisje K) bij 37 °C.

Overige voorbereiding

  • Maak per groep 300 µL werkverdunning van het enzym (op ijs), 200 µL substraatoplossing (10 mM), 1 mL buffer pH 5 en 1,5 mL stopoplossing.
  • Plaats bij elk bad een thermometer en een drijver of rekje. Zorg dat het water bij elke eps tot onder het deksel staat.
  • Controleer met pH-indicatorpapier of in een proefbuisje het eindmengsel (reactie + stopoplossing) pH 9,5 of hoger heeft.
  • Hete baden: waarschuw leerlingen voor brandwonden en laat ze buisjes niet met kale hand uit het bad halen (gebruik een pincet of drijver).

Aanpassen aan uw materiaal – werkt met elke leverancier

De volumes in dit practicum zijn zo gekozen dat ze met een micropipet van 2–20 µL en een micropipet van 20–200 µL te pipetteren zijn. Wijkt uw materiaal af, gebruik dan deze regels:

  • Substraat: in 200 µL reactie geldt [S] (mM) = volume substraat (µL) × sterkte van uw oplossing (mM) ÷ 200. Dit practicum gaat uit van een substraatoplossing van 10 mM. Is de uwe 5 mM, verdubbel dan de substraatvolumes (en neem evenveel minder buffer). Is de uwe sterker, verdun dan eerst met buffer pH 5 tot 10 mM.
  • Enzym: altijd 20 µL verdund enzym per 200 µL reactie (10 %). De sterkte regel je met de verdunning, zie Voortest. Gevriesdroogd enzym reconstitueert u volgens de aanwijzing van de leverancier.
  • Stopoplossing: bedoeld als 2× sterkte (1 deel reactie + 1 deel stopoplossing). Controleer met pH-indicatorpapier dat het eindmengsel pH 9,5 of hoger heeft. Is dat niet zo, gebruik dan meer stopoplossing of een sterkere oplossing en maak de ijkreeks op dezelfde manier.
  • Standaard: 1 mM p-nitrofenol is 1 nmol per µL. Andere sterkte: volume (µL) = nmol ÷ concentratie (mM).
  • Buffers: buffer pH 5 en buffer pH 7,2 van elke leverancier zijn bruikbaar. Wilt u buffers mengen, doe dat dan alleen met buffers van dezelfde soort en sterkte, en meet de pH altijd na.

Controle vóór de eerste les (docent of TOA)

Enzympreparaten, substraten en buffers verschillen per leverancier en per batch. Voer onderstaande controle daarom één keer uit, met één proefgroep, voordat de klas het practicum doet en telkens als u een nieuw preparaat, nieuwe buffer of nieuw substraat gebruikt. Reken op ca. 45 tot 60 minuten. Leerlingen hoeven hier niets van te weten.

Controle Slaagt als Zo niet
Materiaal: controleer op etiket of veiligheidsinformatieblad dat het substraat p-nitrofenyl-β-D-glucopyranoside is en de standaard p-nitrofenol (1 mM). Dit klopt. Is het substraat een ander p-nitrofenylderivaat, dan verandert de omzetting (nu: 1 substraat geeft 1 p-nitrofenol). Pas dan de hoeveelheden nmol en de ijkreeks aan.
Blanco: 160 µL buffer pH 5 + 20 µL substraat (10 mM) + 20 µL water + 200 µL 2× stopoplossing. Vrijwel kleurloos (gelijk aan ijkbuisje 0). Geel: substraat is deels afgebroken of vervuild. Maak een verse oplossing en bewaar die op ijs of in de vriezer.
Eind-pH: meng 200 µL reactiemengsel met 200 µL 2× stopoplossing en meet de pH met indicatorpapier of een pH-meter. pH ≥ 9,5 (minimaal 9). Bij die pH is p-nitrofenol vrijwel volledig geel. Lager betekent dat de stopoplossing te zwak is voor uw buffer. Gebruik een sterkere stopoplossing en controleer opnieuw.
Buffers: meet de pH van de buffers. Binnen ±0,2 van de opgegeven waarde. Gebruik in de tabellen en op de labels de gemeten pH.
IJkreeks: maak de 7 ijkbuisjes (0/4/8/16/24/32/40 µL standaard + buffer pH 5 tot 200 µL + 200 µL 2× stopoplossing). Beoordeel ze op een wit vel in daglicht of onder een witte lamp. Elk buisje is te onderscheiden van de buurbuisjes, zeker 0, 4, 8 en 16. Zijn 32 en 40 niet te scheiden, laat de leerlingen dan niet boven 32 nmol uitkomen (meer verdunnen). Fotografeer de reeks als referentie.
Voortest: bepaal de werkverdunning van het enzym (zie Voortest hierboven). Na 10 minuten past de kleur bij ijkbuisje 2 tot 3 (8 tot 16 nmol), zodat er ruimte is naar boven en naar beneden, binnen drie rondes. Alles kleurloos bij 1:10: preparaat te zwak, gebruik 1:3 of onverdund. Alles te donker bij 1:1000: nog verder verdunnen.
Stabiliteit: bewaar de werkverdunning 60 minuten op ijs en herhaal dan het voortestbuisje. De kleur verschilt hooguit 1 ijkstap van het eerste buisje. Neemt de activiteit sterker af, geef de groepen dan elke 30 minuten verse werkverdunning.
Duplo: doe twee identieke buisjes tegelijk. Ze verschillen hooguit 1 ijkstap. Pipetteer- of mengfout. Oefen met omtikken en pipetteren met nieuwe punt.
Tempo: start 6 buisjes met 30 seconden tussenpozen en stop ze na precies 10 minuten in dezelfde volgorde. Het lukt zonder de tel kwijt te raken. Gebruik 45 seconden tussenpozen of minder buisjes per groep.
Enzymblanco bij 70 °C: substraat + buffer, zonder enzym, 10 minuten bij 70 °C en dan stoppen. Geen kleur boven het blanco. Kleur betekent spontane afbraak van het substraat bij hoge temperatuur. Houd dat als correctie bij 60 en 70 °C aan.
Baden: meet de temperatuur van de baden 0, 20, 37, 50, 60 en 70 °C aan het begin en aan het eind van de 10 minuten. Afwijking maximaal 2 °C. Gebruik een groter bad of heatblock, of stuur vaker bij.
Proefreeks: meet alle zes temperaturen en lees af. 0 °C < 20 °C < 37 °C. Het maximum ligt rond 50 °C tot 60 °C of bij 37 °C; bij 70 °C is de activiteit duidelijk lager dan het maximum. Bij 70 °C nog steeds het maximum: het enzym is erg hittestabiel. Voeg een bad van 80 °C toe en pas de vragen over het optimum aan.
0 °C: is de kleur nog te onderscheiden van het blanco? Minstens 1 ijkstap boven het blanco. Kleurloos: incubeer 20 minuten bij 0 °C of gebruik minder verdunning. Pas de tijd in de tabel aan.
Kookproef (VWO): 150 µL werkverdunning, 5 minuten koken, afkoelen en meenemen in de reeks. De kleur is gelijk aan het blanco (geen activiteit). Nog kleur: te kort gekookt of het deksel niet goed dicht. Verleng naar 10 minuten.

Noteer na afloop: werkverdunning, gemeten badtemperaturen, ijkstap per temperatuur, temperatuur van het maximum.

⚠️ CMR-check – gevaarstoffen

Voor dit practicum zijn geen CMR-stoffen nodig (kankerverwekkend, mutageen of reproductietoxisch). Controleer wel het veiligheidsinformatieblad (VIB) van uw materiaal, want sommige samenstellingen bevatten wel een CMR-stof:

  • Stopoplossing: bij sommige leveranciers is de stopoplossing van pH 9–10 een boraatbuffer met boorzuur of borax (Repr. 1B, H360FD). Dat is een CMR-stof. Vervang die door een carbonaatoplossing: 0,2 M natriumcarbonaat (21,2 g Na2CO3 per liter water) als 2× stopoplossing. Natriumcarbonaat is irriterend voor de ogen (H319) maar niet CMR. Controleer met pH-indicatorpapier dat het eindmengsel pH 9,5 of hoger heeft.
  • p-Nitrofenol (standaard) en pNPG (substraat): niet CMR-ingedeeld. Volgens de meeste VIB's is p-nitrofenol schadelijk bij inslikken, huidcontact en inademen. De verdunde standaard (1 mM, ca. 0,14 g per liter) en de reactiemengsels zijn laag-risico, maar lees het VIB van uw leverancier en gebruik handschoenen.
  • Conserveermiddelen in enzym of buffer: sommige preparaten bevatten natriumazide (zeer giftig, geen CMR). Kies bij voorkeur preparaten zonder azide en lees het etiket.

Achtergrondinformatie

Enzymen zijn eiwitten die chemische reacties in cellen versnellen (katalyseren). Het substraat past op de actieve plaats van het enzym. Daar ontstaat tijdelijk een enzymsubstraatcomplex, waarna het substraat wordt omgezet in product.

Temperatuur en enzymwerking: bij een hogere temperatuur bewegen moleculen sneller. Enzym en substraat botsen dan vaker, er vormen zich per seconde meer enzymsubstraatcomplexen en de reactie verloopt sneller. Boven een bepaalde temperatuur nemen de bewegingen van de atomen in het enzym zo toe dat de bindingen (zoals waterstofbruggen) die de ruimtelijke bouw vasthouden, verbreken. De actieve plaats verandert van vorm en het substraat past niet meer: het enzym is gedenatureerd. Dit is meestal onomkeerbaar. De optimumkromme voor temperatuur stijgt daarom eerst, bereikt een maximum bij de optimumtemperatuur en daalt daarna snel.

Het kleurstofsubstraat en de kleurmeting

In de natuur splitst cellobiase (ook wel β-glucosidase) cellobiose in twee moleculen glucose. In dit practicum gebruik je een kunstmatig substraat, p-nitrofenyl-β-D-glucopyranoside (pNPG). De actieve plaats van het enzym herkent de binding tussen glucose en de rest van het molecuul, en splitst pNPG in glucose en p-nitrofenol:

pNPG + H2O → glucose + p-nitrofenol (gekatalyseerd door cellobiase)

pNPG is kleurloos. p-Nitrofenol is een indicator: bij een zure of neutrale pH is het vrijwel kleurloos, bij pH 9 of hoger is het geel (als p-nitrofenolaat). Voeg je na de reactie een stopoplossing met een hoge pH toe, dan gebeurt er twee dingen tegelijk: het enzym werkt niet meer (de reactie is gestopt) en de gele kleur wordt zichtbaar. Hoe geler het mengsel, hoe meer p-nitrofenol er is gevormd, en dus hoe meer substraat is omgezet.

Zonder spectrofotometer vergelijk je de kleur met een ijkreeks: buisjes met een bekende hoeveelheid p-nitrofenol (de standaard) in dezelfde stopoplossing en hetzelfde volume. Voor elk reactiebuisje zoek je het ijkbuisje met dezelfde kleur en lees je af hoeveel nmol product is gevormd (1 nmol = 10−9 mol). Die vergelijking is een schatting: reken op een leesonzekerheid van ongeveer een halve stap tussen twee ijkbuisjes.

Dit practicum gaat uit van pNPG als substraat en p-nitrofenol als standaard. Controleer dat op de etiketten van uw materiaal.

Benodigdheden – per groep van 2 tot 3 leerlingen

ComponentHoeveelheidFunctieOpmerkingen
Cellobiase (β-glucosidase), verdund volgens voortestca. 300 µL per groepEnzymOp ijs. Cellobiase of β-glucosidase van elke leverancier is bruikbaar; de voortest stelt de verdunning in.
Substraat: p-nitrofenyl-β-D-glucopyranoside (pNPG), oplossing ca. 10 mMca. 200 µL per groepSubstraatKleurloos. Zie Aanpassen aan uw materiaal bij een andere sterkte.
Buffer pH 5 (bijvoorbeeld acetaat of citraat)ca. 1 mL per groepReactiebuffer, enzymverdunning, blanco 
2× stopoplossing, pH 9,5–10ca. 1,5 mL per groepStopt de reactie en kleurt p-nitrofenol geelZie het CMR-blok: geen boorzuur of borax.
IJkreeks p-nitrofenol, 7 buisjes (0–40 nmol)1 set per 2 groepenKleurvergelijkingDocent of TOA maakt deze, zie voorbereiding.
Bekerglazen 250–400 mL met water van 0, 20, 37, 50, 60 en 70 °C (of thermostaatbad/heatblock)1 per temperatuur, per klasTemperatuurbadenBekijk bekers & erlenmeyers, bekijk waterbaden & verwarmingsplaten
Thermometer 0–100 °C1 per badTemperatuur controlerenBekijk temperatuur, tijd & klimaat
IJsca. 1 L per klasBad van 0 °C en enzym koel houdenBekijk koelboxen & ijsbaden
Drijver of rekje waarin eps rechtop in het bad staan1 per badBuisjes in het water houden, deksel boven water 
Gekookt enzym (buisje K), alleen groep A en F (VWO)20 µL per groepDenaturatiecontroleDocent of TOA maakt dit, zie voorbereiding.
Micropipet 2–20 µL en micropipet 20–200 µL, met bijpassende tips1 van elk per groepNauwkeurig doserenBekijk pipetten, bekijk pipetpunten
Reactievaatjes (eps) 1,5 mLca. 8 per groepReactiesBekijk reactievaatjes
Rekje voor reactievaatjes, vel wit papier, timer, waterproof marker1 set per groepOpstelling en kleurvergelijkingBekijk rekken & standaards
Vortex voor reactievaatjes (of mengen door zacht aantikken)1 per klas, optioneelMengen 
pH-indicatorpapier of pH-meter1 per klasControle van de pHBekijk indicatoren & pH-papier
Veiligheidsbril, nitril handschoenen, labjas1 per leerlingPersoonlijke beschermingBekijk veiligheidsbrillen, bekijk handschoenen, bekijk labjassen

Veiligheid

  • Draag gedurende het hele practicum een veiligheidsbril, handschoenen en een labjas.
  • Heet water: baden van 50 tot 70 °C geven brandwonden. Gebruik een pincet of drijver en let op bij het bijvullen. Het gekookte enzym (buisje K) maakt de docent of TOA.
  • De stopoplossing is basisch (pH 9–10) en irriteert ogen en huid. Bij contact met de ogen minstens 15 minuten spoelen met water en een arts raadplegen.
  • p-Nitrofenol (standaard en reactieproduct) en pNPG: niet inslikken, geen contact met huid of ogen, handen wassen na afloop. Lees het VIB van uw leverancier.
  • Pipetteer nooit met de mond.
  • Afval: de gele reactiemengsels en ijkbuisjes bevatten p-nitrofenol. Verzamel ze in een afvalcontainer voor waterige oplossingen en bied ze aan als chemisch afval volgens het schoolreglement. Niet door de gootsteen spoelen.

Werkwijze

Tijdsplanning (45 minuten): 0–5 min: instructie en veiligheid • 5–12 min: buisjes pipetteren • 12–15 min: voorverwarmen • 15–27 min: reactie starten en stoppen (10 minuten per temperatuur) • 27–35 min: kleur aflezen • 35–45 min: klasresultaten verzamelen en grafiek.

Je groep meet twee temperaturen (zie de indeling van je docent). Voer onderstaande stappen voor beide temperaturen uit.

Deel A – Reacties starten en stoppen

  1. Labelen: schrijf op twee eps per temperatuur: S (substraatmengsel) en E (enzym), met de temperatuur en je groepsletter. Maak daarnaast een blanco-buisje SB voor je hoogste temperatuur.
  2. Pipetteren: in elk S-buisje (en in het SB-buisje) pipetteer je 160 µL buffer pH 5 en 20 µL substraat. In elk E-buisje pipetteer je 20 µL verdund enzym (uit het ijsbad). Sluit alle buisjes.
  3. Voorverwarmen: zet de S- en E-buisjes van één temperatuur 3 minuten in het bad van die temperatuur (rechtop, deksel boven water). Zo hebben substraat en enzym de juiste temperatuur voordat ze samenkomen.
  4. Starten: haal het E-buisje uit het bad en pipetteer de 20 µL enzym in het S-buisje van dezelfde temperatuur. Meng 3 seconden en zet het S-buisje terug in het bad. Start je timer. Voor je tweede temperatuur doe je dit 30 seconden later. Het blanco-buisje SB krijgt 20 µL buffer pH 5 in plaats van enzym.
  5. Incuberen: laat elk buisje precies 10 minuten in zijn bad staan.
  6. Stoppen: voeg na 10 minuten 200 µL 2× stopoplossing toe en meng. Haal het buisje uit het bad.
  7. Alleen groep A en F (VWO): doe hetzelfde bij 37 °C met gekookt enzym (buisje K) in plaats van het normale enzym.

Deel B – Kleur aflezen

Kleur aflezen zonder apparatuur

  1. Zet de zeven ijkbuisjes (0 tot 40 nmol) op volgorde in een rekje, met een vel wit papier erachter.
  2. Zet je reactiebuisjes er direct naast. Kijk horizontaal, op ooghoogte, bij daglicht of wit licht (geen gekleurde achtergrond, geen fel zonlicht).
  3. Zoek per reactiebuisje de twee ijkbuisjes met een kleur net lichter en net donkerder en schat het aantal nmol, bijvoorbeeld “tussen 16 en 24, dus 20 nmol”. Is er geen verschil met het blanco-ijkbuisje (0 nmol), noteer dan < 4 nmol. Is het buisje donkerder dan 40 nmol, noteer dan > 40 nmol.
  4. Laat een tweede leerling de buisjes onafhankelijk aflezen en noteer beide waarden. Maak een foto van de opstelling (alle buisjes in één beeld, zelfde licht).

Laat de gestopte buisjes eerst 5 minuten op kamertemperatuur komen en lees ze dan pas af. Zet je resultaten in de tabel van de klas. Activiteit (nmol/min) = gemiddelde gevormde nmol ÷ 10 min, na aftrekken van het blanco.

Temperatuur (°C)Groep 1 (nmol)Groep 2 (nmol)Gemiddelde (nmol)Activiteit (nmol/min)
0    
20    
37    
50    
60    
70    

Deel C – Optimumkromme tekenen

  • Zet de temperatuur (°C) op de x-as en de activiteit (nmol/min) op de y-as.
  • Teken door de punten een vloeiende lijn (geen rechte stukken) en geef de optimumtemperatuur aan.
  • Noteer bij elk punt of de waarde een schatting is (< 4 nmol of > 40 nmol zijn geen exacte waarden).

Verwerkingsvragen

  1. (HAVO/VWO) Waarom zet je substraat en enzym eerst apart in het bad voordat je ze mengt?
  2. (HAVO/VWO) Waarom is er een blanco-buisje bij je hoogste temperatuur?
  3. (HAVO/VWO) Teken de optimumkromme en bepaal bij welke temperatuur de activiteit het hoogst is.
  4. (HAVO/VWO) Verklaar waarom de activiteit stijgt tussen 0 °C en de optimumtemperatuur.
  5. (HAVO/VWO) Verklaar waarom de activiteit boven de optimumtemperatuur daalt.
  6. (VWO) Wat zie je bij het buisje met gekookt enzym? Wat zegt dat over denaturatie? Wat is er veranderd aan het enzym, en wat niet?
  7. (VWO) Een vuistregel zegt dat een reactie bij 10 °C hogere temperatuur ongeveer twee keer zo snel verloopt. Bereken de factor waarmee de activiteit toeneemt tussen 20 °C en 37 °C en vergelijk die met de verwachting uit de vuistregel (gebruik 2(17/10)). Geldt de vuistregel boven de optimumtemperatuur?
  8. (HAVO/VWO) Bij 0 °C zie je vrijwel geen kleur. Is het enzym dan kapot? Hoe kun je dat controleren?

Uitwerking

Verwachting: het temperatuuroptimum van cellobiase (β-glucosidase) uit schimmels ligt vaak tussen ca. 40 en 60 °C; bij 70 °C is de activiteit meestal duidelijk lager omdat het enzym tijdens de incubatie denatureert. Dit hangt af van de herkomst en de stabiliteit van het preparaat, dus reken niet op een vaste waarde. De leerlingen moeten een kromme zien die stijgt, een maximum bereikt en daalt. De uitkomst van uw voortest (37 °C) is de referentie.

V1: De reactie moet starten bij de gewenste temperatuur. Mengen leerlingen koud enzym met warm substraat (of andersom), dan heeft het mengsel eerst een andere temperatuur en meet je het effect van de temperatuur niet zuiver.

V2: Het blanco-buisje (zonder enzym) laat zien dat het substraat bij die temperatuur niet vanzelf gesplitst wordt. Een hoge temperatuur kan de binding in het substraat zonder enzym ook enigszins verbreken. Is het blanco geel, trek die waarde af van de andere metingen bij die temperatuur.

V3: Een kromme die stijgt tot een maximum en daarna daalt. De optimumtemperatuur is de temperatuur bij het hoogste punt; gezien de ruwe kleurmeting en de afstand tussen de temperaturen (10 tot 20 °C) is dat een schatting.

V4: Bij een hogere temperatuur bewegen enzym en substraat sneller en botsen ze vaker. Er vormen zich per seconde meer enzymsubstraatcomplexen, dus er ontstaat meer product per minuut.

V5: Boven het optimum verbreekt de warmte de zwakke bindingen (zoals waterstofbruggen) die de ruimtelijke bouw van het enzym vasthouden. De actieve plaats verandert van vorm, het substraat past niet meer en steeds meer enzymmoleculen zijn niet meer actief (denaturatie). Daardoor daalt de gemeten activiteit ondanks de snellere botsingen.

V6: Het gekookte enzym geeft vrijwel geen kleur (< 4 nmol), ook niet bij 37 °C, de temperatuur waarbij het normale enzym goed werkt. Denaturatie is dus niet te herstellen door de temperatuur weer te verlagen: onomkeerbaar. Veranderd: de ruimtelijke (tertiaire) bouw en dus de actieve plaats. Niet veranderd: de aminozuurvolgorde (primaire structuur); de keten blijft heel.

V7: Factor = activiteit bij 37 °C ÷ activiteit bij 20 °C. Verwachting uit de vuistregel: 17 °C is 1,7 keer 10 °C, dus 21,7 ≈ 3,2. Een gemeten factor van ruwweg 2 tot 4 past hierbij, rekening houdend met de grove kleurmeting. Boven het optimum geldt de vuistregel niet: daar daalt de activiteit door denaturatie, en het enzym is niet meer in staat te profiteren van de hogere temperatuur.

V8: Nee. Bij 0 °C bewegen de moleculen traag, er vormen zich weinig enzymsubstraatcomplexen en de hoeveelheid product blijft onder de detectiegrens van de kleurmeting. Het enzym is niet beschadigd. Controle: breng het enzym uit het ijsbad weer naar 37 °C; de activiteit is dan weer zichtbaar. Koude is dus niet hetzelfde als denaturatie.

Niveauverdieping

  • HAVO 4/5: vragen 1 t/m 5 en 8, temperatuurkromme tekenen en activiteit berekenen.
  • VWO 4/5: alle vragen, inclusief de kookproef en de vuistregel (vraag 7).
  • Extra (VWO): test of denaturatie tijd kost: verwarm enzym 2, 5 en 10 minuten bij 70 °C, koel het af en meet de activiteit bij 37 °C. Zo meet je hoe snel het enzym denatureert bij die temperatuur.
  • Extra (VWO): bespreek waarom je bij elk onderzoek maar één factor tegelijk verandert en de andere constant houdt (pH-practicum: kamertemperatuur; dit practicum: pH 5).

Benodigde laboratoriumartikelen

Voor dit practicum heeft u onder meer micropipetten en pipetpunten, reactievaatjes, rekjes en pH-indicatorpapier nodig, thermometers en bekerglazen voor de temperatuurbaden. Bekijk het assortiment: pipetten, pipetpunten, centrifugebuizen & reactievaatjes, waterbaden, verwarmingsplaten & -mantels, temperatuur, tijd & klimaat, koelboxen & ijsbaden, bekers & erlenmeyers. Neem contact op voor advies.

Meer practicumopdrachten

Dit practicum is onderdeel van een reeks van vier enzympractica met cellobiase. Ze zijn los van elkaar uit te voeren, maar sluiten inhoudelijk op elkaar aan:

Ook interessant: DNA knippen met restrictie-enzymen en gelelektroforese van DNA voor VWO.

Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.