Practicum: Substraatconcentratie en enzymwerking – Biologie VWO

In dit practicum onderzoek je hoe de hoeveelheid substraat de snelheid van een enzymreactie beïnvloedt. Je laat cellobiase reageren met vijf verschillende substraatconcentraties en meet hoeveel gele kleurstof er in 10 minuten ontstaat. Je meet de kleur zonder apparatuur door hem te vergelijken met een ijkreeks. Je ontdekt dat de snelheid eerst toeneemt en dan niet verder stijgt: de verzadiging van het enzym.

Dit practicum staat los van de andere enzympractica (pH, temperatuur en reactieverloop in de tijd). Het past in één les van 45 minuten.

Leerdoelen

  • uit eigen metingen de relatie tussen substraatconcentratie en reactiesnelheid weergeven in een grafiek;
  • verklaren met het enzymsubstraatcomplex waarom de snelheid eerst toeneemt en daarna afvlakt (verzadiging);
  • uitleggen waarom je de beginsnelheid meet en controleren of dat gelukt is;
  • beredeneren welke invloed meer enzym op de maximale snelheid heeft.

Cursusniveau en vakgebied

Vak: Biologie | Domein: Zelfregulatie – enzymwerking | Duur: 1 les van 45 minuten (+ ca. 30 minuten voorbereiding door de docent of TOA) | Klas: VWO 5 (bovenbouw, na de behandeling van enzymwerking)

NiveauGeschikt?Wat doet de leerling?
VWO 5Ja (aanbevolen)Volledig practicum en vragen 1 t/m 6. Vraag 7 (Km en Vmax) is verdieping, niet verplicht.
HAVO 5OptioneelAlleen kwalitatief (grafiek en vragen 1 t/m 3) en alleen als de methode de relatie tussen substraat en snelheid behandelt. Het staat niet als aparte eindterm in de syllabus.
HAVO 4, VWO 4, VMBONeeGaat verder dan de eindtermen en dan de kleurmeting met ijkreeks.

Aansluiting op de eindtermen

NiveauEindterm in de syllabus (centraal examen)
HAVOBeschrijven waar en hoe enzymen reacties katalyseren (o.a. enzymsubstraatcomplex) en beschrijven hoe temperatuur en pH de enzymwerking beïnvloeden (o.a. optimumkromme, indicator).
VWOToelichten waar en hoe enzymen reacties katalyseren (o.a. enzymsubstraatcomplex, indicator) en toelichten hoe temperatuur en pH de enzymwerking beïnvloeden (o.a. denaturatie, optimumkromme).

Bron: syllabi biologie havo en vwo van het College voor Toetsen en Examens (havo 2024, vwo 2025/2027). Controleer de syllabus van het actuele examenjaar.

Het effect van de substraatconcentratie op de reactiesnelheid staat niet als aparte eindterm in de syllabus. Het sluit aan op de eindterm over het enzymsubstraatcomplex. Km, Vmax en Lineweaver-Burk staan niet in het examenprogramma; ze zijn hier alleen als verdieping opgenomen.

Voorbereiding door docent of TOA

Reken op ca. 30 minuten. Zonder voortest en ijkreeks is het practicum niet uitvoerbaar.

IJkreeks voor de hele klas (docent of TOA)

De ijkreeks is de “meetlat” voor de kleurmeting. Maak één set per twee groepen, van tevoren, in zeven gelabelde eps van 1,5 mL. Pipetteer eerst de buffer, dan de standaard, en voeg de stopoplossing als laatste toe. Sluit de buisjes en meng goed (vortex of omkeren). Eindvolume 400 µL per buisje. 1 mM standaard is 1 nmol per µL, dus het aantal µL standaard is gelijk aan het aantal nmol maal 1 (zie tabel).

IJkbuisjeStandaard 1 mM (µL)Buffer pH 5 (µL)2× stopoplossing (µL)p-Nitrofenol (nmol)Concentratie (µM)
0 (blanco)020020000
14196200410
28192200820
3161842001640
4241762002460
5321682003280
64016020040100

Maak de reeks op de dag zelf of de dag ervoor en bewaar de buisjes afgesloten en donker. Staat er op uw standaard een andere concentratie dan 1 mM, reken dan de volumes om: volume (µL) = gewenste nmol ÷ concentratie (mM).

Voortest: enzymverdunning bepalen (docent of TOA, ca. 15 minuten)

De activiteit van enzympreparaten verschilt sterk per leverancier en per batch. Zonder voortest is de kans groot dat alle buisjes bijna kleurloos of juist ver buiten de ijkreeks zijn. Doe daarom vooraf:

  1. Maak drie verdunningen van het enzym in buffer pH 5: 1:10 (20 µL enzym + 180 µL buffer), 1:100 (20 µL van de 1:10 + 180 µL buffer) en 1:1000. Houd ze op ijs.
  2. Pipetteer per verdunning in een eps: 100 µL buffer pH 5 + 80 µL substraat (10 mM) = [S] 4 mM. Start met 20 µL verdund enzym, meng, en incubeer precies 10 minuten bij kamertemperatuur.
  3. Stop met 200 µL 2× stopoplossing, meng en vergelijk met de ijkreeks.
  4. Gewenst: een kleur die overeenkomt met ijkbuisje 4 tot 5 (24 tot 32 nmol). Te licht: minder verdunnen (bijvoorbeeld 1:30). Te donker: meer verdunnen. Herhaal tot de kleur past en noteer de werkverdunning.

Controle op verzadiging: herhaal de voortest met 2 mM (40 µL substraat + 140 µL buffer) en met 0,2 mM (4 µL substraat + 176 µL buffer). Is de kleur bij 4 mM niet duidelijk donkerder dan bij 2 mM en is de kleur bij 0,2 mM nog te onderscheiden van het blanco (minimaal 4 nmol), dan is de reeks geschikt. Is er bij 0,2 mM geen kleur, verhoog dan de enzymhoeveelheid. Neemt de kleur bij 4 mM nog sterk toe, dan heeft het enzym een hoge Km; zie Overige voorbereiding.

Overige voorbereiding

  • Maak per groep ca. 300 µL werkverdunning van het enzym (op ijs), ca. 200 µL substraatoplossing (10 mM), ca. 1 mL buffer pH 5 en 1,5 mL stopoplossing.
  • Controleer in de voortest of de kromme verzadigt (zie Voortest). Bereikt het enzym bij 4 mM geen plateau (hoge Km), gebruik dan een substraatoplossing van 20 mM met dezelfde volumes als in de tabel. De concentraties in de reactie worden dan 0,4; 0,8; 2; 4 en 8 mM. Pas de kolom [S] in de tabel van de leerlingen aan.
  • Noteer de kamertemperatuur. De proef verloopt bij kamertemperatuur, dus een waterbad is niet nodig.
  • Controleer met pH-indicatorpapier of in een proefbuisje het eindmengsel (reactie + stopoplossing) pH 9,5 of hoger heeft.

Aanpassen aan uw materiaal – werkt met elke leverancier

De volumes in dit practicum zijn zo gekozen dat ze met een micropipet van 2–20 µL en een micropipet van 20–200 µL te pipetteren zijn. Wijkt uw materiaal af, gebruik dan deze regels:

  • Substraat: in 200 µL reactie geldt [S] (mM) = volume substraat (µL) × sterkte van uw oplossing (mM) ÷ 200. Dit practicum gaat uit van een substraatoplossing van 10 mM. Is de uwe 5 mM, verdubbel dan de substraatvolumes (en neem evenveel minder buffer). Is de uwe sterker, verdun dan eerst met buffer pH 5 tot 10 mM.
  • Enzym: altijd 20 µL verdund enzym per 200 µL reactie (10 %). De sterkte regel je met de verdunning, zie Voortest. Gevriesdroogd enzym reconstitueert u volgens de aanwijzing van de leverancier.
  • Stopoplossing: bedoeld als 2× sterkte (1 deel reactie + 1 deel stopoplossing). Controleer met pH-indicatorpapier dat het eindmengsel pH 9,5 of hoger heeft. Is dat niet zo, gebruik dan meer stopoplossing of een sterkere oplossing en maak de ijkreeks op dezelfde manier.
  • Standaard: 1 mM p-nitrofenol is 1 nmol per µL. Andere sterkte: volume (µL) = nmol ÷ concentratie (mM).
  • Buffers: buffer pH 5 en buffer pH 7,2 van elke leverancier zijn bruikbaar. Wilt u buffers mengen, doe dat dan alleen met buffers van dezelfde soort en sterkte, en meet de pH altijd na.

Controle vóór de eerste les (docent of TOA)

Enzympreparaten, substraten en buffers verschillen per leverancier en per batch. Voer onderstaande controle daarom één keer uit, met één proefgroep, voordat de klas het practicum doet en telkens als u een nieuw preparaat, nieuwe buffer of nieuw substraat gebruikt. Reken op ca. 45 tot 60 minuten. Leerlingen hoeven hier niets van te weten.

Controle Slaagt als Zo niet
Materiaal: controleer op etiket of veiligheidsinformatieblad dat het substraat p-nitrofenyl-β-D-glucopyranoside is en de standaard p-nitrofenol (1 mM). Dit klopt. Is het substraat een ander p-nitrofenylderivaat, dan verandert de omzetting (nu: 1 substraat geeft 1 p-nitrofenol). Pas dan de hoeveelheden nmol en de ijkreeks aan.
Blanco: 160 µL buffer pH 5 + 20 µL substraat (10 mM) + 20 µL water + 200 µL 2× stopoplossing. Vrijwel kleurloos (gelijk aan ijkbuisje 0). Geel: substraat is deels afgebroken of vervuild. Maak een verse oplossing en bewaar die op ijs of in de vriezer.
Eind-pH: meng 200 µL reactiemengsel met 200 µL 2× stopoplossing en meet de pH met indicatorpapier of een pH-meter. pH ≥ 9,5 (minimaal 9). Bij die pH is p-nitrofenol vrijwel volledig geel. Lager betekent dat de stopoplossing te zwak is voor uw buffer. Gebruik een sterkere stopoplossing en controleer opnieuw.
Buffers: meet de pH van de buffers. Binnen ±0,2 van de opgegeven waarde. Gebruik in de tabellen en op de labels de gemeten pH.
IJkreeks: maak de 7 ijkbuisjes (0/4/8/16/24/32/40 µL standaard + buffer pH 5 tot 200 µL + 200 µL 2× stopoplossing). Beoordeel ze op een wit vel in daglicht of onder een witte lamp. Elk buisje is te onderscheiden van de buurbuisjes, zeker 0, 4, 8 en 16. Zijn 32 en 40 niet te scheiden, laat de leerlingen dan niet boven 32 nmol uitkomen (meer verdunnen). Fotografeer de reeks als referentie.
Voortest: bepaal de werkverdunning van het enzym (zie Voortest hierboven). Na 10 minuten past de kleur bij ijkbuisje 4 tot 5 (24 tot 32 nmol) bij 4 mM substraat, binnen drie rondes. Alles kleurloos bij 1:10: preparaat te zwak, gebruik 1:3 of onverdund. Alles te donker bij 1:1000: nog verder verdunnen.
Stabiliteit: bewaar de werkverdunning 60 minuten op ijs en herhaal dan het voortestbuisje. De kleur verschilt hooguit 1 ijkstap van het eerste buisje. Neemt de activiteit sterker af, geef de groepen dan elke 30 minuten verse werkverdunning.
Duplo: doe twee identieke buisjes tegelijk. Ze verschillen hooguit 1 ijkstap. Pipetteer- of mengfout. Oefen met omtikken en pipetteren met nieuwe punt.
Tempo: start 6 buisjes met 30 seconden tussenpozen en stop ze na precies 10 minuten in dezelfde volgorde. Het lukt zonder de tel kwijt te raken. Gebruik 45 seconden tussenpozen of minder buisjes per groep.
Substraatoplossing 10 mM: controleer het uiterlijk. Helder en kleurloos. Troebel of geel: maak opnieuw met iets warm water en laat afkoelen.
Verzadiging: herhaal de voortest met 2 mM en met 0,2 mM substraat. 4 mM is niet duidelijk donkerder dan 2 mM, en 0,2 mM zit minstens 1 ijkstap boven het blanco. Bij 4 mM nog duidelijk donkerder dan 2 mM: hoge Km. Gebruik de 20 mM substraatoplossing uit dit practicum (reeks tot 8 mM). Bij 0,2 mM kleurloos: gebruik meer enzym.
Proefreeks: meet de volledige reeks van zes concentraties en een blanco, 10 minuten, en lees af. Het verschil tussen laagste en hoogste concentratie is minstens 3 ijkstappen en de hoogste twee liggen dicht bij elkaar (plateau). Geen plateau: zie hierboven. Wel plateau maar te lage kleur: gebruik meer enzym.

Noteer na afloop: werkverdunning, ijkstap per substraatconcentratie, concentratie waarbij het plateau begint.

⚠️ CMR-check – gevaarstoffen

Voor dit practicum zijn geen CMR-stoffen nodig (kankerverwekkend, mutageen of reproductietoxisch). Controleer wel het veiligheidsinformatieblad (VIB) van uw materiaal, want sommige samenstellingen bevatten wel een CMR-stof:

  • Stopoplossing: bij sommige leveranciers is de stopoplossing van pH 9–10 een boraatbuffer met boorzuur of borax (Repr. 1B, H360FD). Dat is een CMR-stof. Vervang die door een carbonaatoplossing: 0,2 M natriumcarbonaat (21,2 g Na2CO3 per liter water) als 2× stopoplossing. Natriumcarbonaat is irriterend voor de ogen (H319) maar niet CMR. Controleer met pH-indicatorpapier dat het eindmengsel pH 9,5 of hoger heeft.
  • p-Nitrofenol (standaard) en pNPG (substraat): niet CMR-ingedeeld. Volgens de meeste VIB's is p-nitrofenol schadelijk bij inslikken, huidcontact en inademen. De verdunde standaard (1 mM, ca. 0,14 g per liter) en de reactiemengsels zijn laag-risico, maar lees het VIB van uw leverancier en gebruik handschoenen.
  • Conserveermiddelen in enzym of buffer: sommige preparaten bevatten natriumazide (zeer giftig, geen CMR). Kies bij voorkeur preparaten zonder azide en lees het etiket.

Achtergrondinformatie

Enzymen zijn eiwitten die chemische reacties in cellen versnellen (katalyseren). Het substraat past op de actieve plaats van het enzym en vormt daar tijdelijk een enzymsubstraatcomplex; daarna wordt het substraat omgezet in product en komt het enzym vrij om opnieuw te werken.

Substraatconcentratie en snelheid: bij een lage substraatconcentratie zijn de meeste actieve plaatsen vrij. Verhoog je de concentratie, dan vormen zich meer enzymsubstraatcomplexen en neemt de snelheid bijna evenredig toe. Bij een hoge concentratie zijn bijna alle actieve plaatsen bezet. Extra substraat levert dan geen hogere snelheid meer op: het enzym is verzadigd en de snelheid bereikt een maximum (Vmax). Die maximale snelheid hangt af van de hoeveelheid enzym.

Beginsnelheid: naarmate de reactie vordert, neemt de hoeveelheid substraat af en daarmee de snelheid. Om de snelheid bij een bepaalde substraatconcentratie te meten, laat je de reactie daarom kort lopen, zodat maar een klein deel (minder dan ca. 20 %) van het substraat is omgezet. Dat noemen we de beginsnelheid.

Het kleurstofsubstraat en de kleurmeting

In de natuur splitst cellobiase (ook wel β-glucosidase) cellobiose in twee moleculen glucose. In dit practicum gebruik je een kunstmatig substraat, p-nitrofenyl-β-D-glucopyranoside (pNPG). De actieve plaats van het enzym herkent de binding tussen glucose en de rest van het molecuul, en splitst pNPG in glucose en p-nitrofenol:

pNPG + H2O → glucose + p-nitrofenol (gekatalyseerd door cellobiase)

pNPG is kleurloos. p-Nitrofenol is een indicator: bij een zure of neutrale pH is het vrijwel kleurloos, bij pH 9 of hoger is het geel (als p-nitrofenolaat). Voeg je na de reactie een stopoplossing met een hoge pH toe, dan gebeurt er twee dingen tegelijk: het enzym werkt niet meer (de reactie is gestopt) en de gele kleur wordt zichtbaar. Hoe geler het mengsel, hoe meer p-nitrofenol er is gevormd, en dus hoe meer substraat is omgezet.

Zonder spectrofotometer vergelijk je de kleur met een ijkreeks: buisjes met een bekende hoeveelheid p-nitrofenol (de standaard) in dezelfde stopoplossing en hetzelfde volume. Voor elk reactiebuisje zoek je het ijkbuisje met dezelfde kleur en lees je af hoeveel nmol product is gevormd (1 nmol = 10−9 mol). Die vergelijking is een schatting: reken op een leesonzekerheid van ongeveer een halve stap tussen twee ijkbuisjes.

Dit practicum gaat uit van pNPG als substraat en p-nitrofenol als standaard. Controleer dat op de etiketten van uw materiaal.

Benodigdheden – per groep van 2 tot 3 leerlingen

ComponentHoeveelheidFunctieOpmerkingen
Cellobiase (β-glucosidase), verdund volgens voortestca. 300 µL per groepEnzymOp ijs. Cellobiase of β-glucosidase van elke leverancier is bruikbaar; de voortest stelt de verdunning in.
Substraat: p-nitrofenyl-β-D-glucopyranoside (pNPG), oplossing ca. 10 mMca. 200 µL per groepSubstraatKleurloos. Zie Aanpassen aan uw materiaal bij een andere sterkte.
Buffer pH 5 (bijvoorbeeld acetaat of citraat)ca. 1,2 mL per groepReactiebuffer, enzymverdunning, blanco 
2× stopoplossing, pH 9,5–10ca. 1,5 mL per groepStopt de reactie en kleurt p-nitrofenol geelZie het CMR-blok: geen boorzuur of borax.
IJkreeks p-nitrofenol, 7 buisjes (0–40 nmol)1 set per 2 groepenKleurvergelijkingDocent of TOA maakt deze, zie voorbereiding.
Micropipet 2–20 µL en micropipet 20–200 µL, met bijpassende tips1 van elk per groepNauwkeurig doserenBekijk pipetten, bekijk pipetpunten
Reactievaatjes (eps) 1,5 mLca. 8 per groepReactiesBekijk reactievaatjes
Rekje voor reactievaatjes, vel wit papier, timer, waterproof marker1 set per groepOpstelling en kleurvergelijkingBekijk rekken & standaards
Vortex voor reactievaatjes (of mengen door zacht aantikken)1 per klas, optioneelMengen 
pH-indicatorpapier of pH-meter1 per klasControle van de pHBekijk indicatoren & pH-papier
Veiligheidsbril, nitril handschoenen, labjas1 per leerlingPersoonlijke beschermingBekijk veiligheidsbrillen, bekijk handschoenen, bekijk labjassen

Veiligheid

  • Draag gedurende het hele practicum een veiligheidsbril, handschoenen en een labjas.
  • De stopoplossing is basisch (pH 9–10) en irriteert ogen en huid. Bij contact met de ogen minstens 15 minuten spoelen met water en een arts raadplegen.
  • p-Nitrofenol (standaard en reactieproduct) en pNPG: niet inslikken, geen contact met huid of ogen, handen wassen na afloop. Lees het VIB van uw leverancier.
  • Pipetteer nooit met de mond.
  • Afval: de gele reactiemengsels en ijkbuisjes bevatten p-nitrofenol. Verzamel ze in een afvalcontainer voor waterige oplossingen en bied ze aan als chemisch afval volgens het schoolreglement. Niet door de gootsteen spoelen.

Werkwijze

Tijdsplanning (45 minuten): 0–5 min: instructie en veiligheid • 5–15 min: pipetteren en starten • 15–27 min: incuberen en stoppen (elk buisje precies 10 minuten) • 27–35 min: kleur aflezen • 35–45 min: grafiek en vragen (of als huiswerk). Alles gebeurt bij kamertemperatuur.

Deel A – Reacties starten en stoppen

  1. Labelen: schrijf op zes eps: 1 t/m 5 en B (blanco), plus de groepsletter. Zet ze in het rekje.
  2. Buffer: pipetteer in elk buisje de hoeveelheid buffer pH 5 uit de tabel hieronder.
  3. Substraat: voeg de hoeveelheid substraat (10 mM) uit de tabel toe en meng. Gebruik voor kleine volumes (4 en 8 µL) de micropipet van 2–20 µL, voor de overige de micropipet van 20–200 µL.
  4. Starten: start de timer en voeg volgens het schema, met intervallen van 30 seconden, 20 µL verdund enzym toe. Meng meteen 3 seconden. Het blanco-buisje krijgt 20 µL buffer pH 5 in plaats van enzym.
  5. Incuberen: laat elk buisje precies 10 minuten in het rekje staan (kamertemperatuur).
  6. Stoppen: voeg op de aangegeven tijd 200 µL 2× stopoplossing toe en meng.
BuisjeSubstraat 10 mM (µL)Buffer pH 5 (µL)Enzym (µL)Totaal (µL)[S] in reactie (mM)Substraat (nmol)
14176202000,240
28172202000,480
320160202001,0200
440140202002,0400
580100202004,0800
B (blanco)80100 + 200 (20 µL buffer)2004,0800
BuisjeStart: voeg toe opStop: 200 µL stopoplossing op
10:00 – 20 µL enzym10:00
20:30 – 20 µL enzym10:30
31:00 – 20 µL enzym11:00
41:30 – 20 µL enzym11:30
52:00 – 20 µL enzym12:00
B (blanco)2:30 – 20 µL buffer pH 5 (geen enzym)12:30

Deel B – Kleur aflezen

Kleur aflezen zonder apparatuur

  1. Zet de zeven ijkbuisjes (0 tot 40 nmol) op volgorde in een rekje, met een vel wit papier erachter.
  2. Zet je reactiebuisjes er direct naast. Kijk horizontaal, op ooghoogte, bij daglicht of wit licht (geen gekleurde achtergrond, geen fel zonlicht).
  3. Zoek per reactiebuisje de twee ijkbuisjes met een kleur net lichter en net donkerder en schat het aantal nmol, bijvoorbeeld “tussen 16 en 24, dus 20 nmol”. Is er geen verschil met het blanco-ijkbuisje (0 nmol), noteer dan < 4 nmol. Is het buisje donkerder dan 40 nmol, noteer dan > 40 nmol.
  4. Laat een tweede leerling de buisjes onafhankelijk aflezen en noteer beide waarden. Maak een foto van de opstelling (alle buisjes in één beeld, zelfde licht).

Vul de resultatentabel in. Snelheid v (nmol/min) = gevormde nmol ÷ 10 min (trek zo nodig het blanco af). % substraat omgezet = gevormde nmol ÷ substraat (nmol) × 100 %.

Buisje[S] (mM)Kleur → nmol (je schatting)Snelheid v (nmol/min)% substraat omgezet
10,2   
20,4   
31,0   
42,0   
54,0   
B (blanco)4,0 ––

Deel C – Grafiek tekenen

  • Zet de substraatconcentratie (mM) op de x-as en de snelheid (nmol/min) op de y-as.
  • Teken door de punten een vloeiende lijn (geen rechte stukken) en geef aan waar de lijn afvlakt.
  • Noteer bij elk punt of de waarde een schatting is (< 4 nmol of > 40 nmol zijn geen exacte waarden).

Verwerkingsvragen

  1. (VWO) Waarom heeft het blanco-buisje de hoogste substraatconcentratie?
  2. (VWO) Beschrijf hoe de snelheid verandert als de substraatconcentratie toeneemt.
  3. (VWO) Verklaar het afvlakken van de grafiek met behulp van het enzymsubstraatcomplex.
  4. (VWO) Je herhaalt de proef met twee keer zoveel enzym. Wat verandert er aan de maximale snelheid? Leg uit.
  5. (VWO) Waarom meet je de beginsnelheid? Bereken voor buisje 1 en 5 welk percentage van het substraat is omgezet en beoordeel of je de beginsnelheid hebt gemeten (richtwaarde: minder dan ca. 20 %).
  6. (VWO) pNPG komt niet in de natuur voor, maar cellobiase splitst het wel. Wat zegt dat over de actieve plaats?
  7. (VWO, verdieping – niet in de syllabus) Schat uit je grafiek Vmax (het plateau) en de substraatconcentratie waarbij de snelheid de helft van Vmax is (Km). Wat zegt een lage Km over de binding van het substraat?

Uitwerking

Verwachting: de kromme stijgt eerst bijna lineair en vlakt dan af. Bij cellobiase met een hoge Km (bijvoorbeeld enkele mM) is bij 4 mM nog geen volledig plateau bereikt; dat is een geldige uitkomst. Gebruik de voortest om dit vooraf te zien. Bij het laagste punt (0,2 mM) is de gevormde hoeveelheid soms kleiner dan de detectiegrens (< 4 nmol); noteer dat zo.

V1: Het blanco-buisje (zonder enzym) bij 4 mM laat zien dat het substraat bij de hoogste concentratie niet vanzelf wordt gesplitst. Is er daar al geen kleur, dan is er bij lagere concentraties ook geen probleem. Is het geel, trek die waarde af van alle buisjes.

V2: Bij lage concentraties neemt de snelheid ongeveer evenredig toe met de substraatconcentratie; bij hogere concentraties neemt de toename af en nadert de snelheid een maximum.

V3: Bij een lage concentratie zijn veel actieve plaatsen vrij: meer substraat betekent meer enzymsubstraatcomplexen en een hogere snelheid. Bij een hoge concentratie zijn bijna alle actieve plaatsen bezet; de hoeveelheid enzym begrenst nu de snelheid. Extra substraat kan niet meer reageren, dus de snelheid stijgt niet verder (verzadiging).

V4: De maximale snelheid wordt ongeveer twee keer zo hoog, want er zijn twee keer zoveel actieve plaatsen. Bij elke substraatconcentratie is de snelheid dan hoger, maar de vorm van de kromme blijft vergelijkbaar.

V5: Tijdens de reactie neemt de substraatconcentratie af, waardoor de snelheid daalt. Door kort te meten, blijft de concentratie vrijwel gelijk aan de beginwaarde. Rekenvoorbeeld: bij 0,2 mM is er 40 nmol substraat (0,2 mM × 0,2 mL × 1000). Is er bijvoorbeeld 8 nmol product, dan is 8 ÷ 40 × 100 = 20 % omgezet: net op de grens. Bij 4 mM is er 800 nmol substraat en 30 nmol product slechts 3,8 %. Bij de lage concentraties is de beginsnelheid dus het minst betrouwbaar; kies bij twijfel een kortere incubatietijd.

V6: De actieve plaats herkent kennelijk niet het hele substraat, maar vooral de glucosegroep en de béta-binding. pNPG heeft dezelfde binding als cellobiose, dus het past op de actieve plaats. Een enzym is specifiek voor de vorm van het substraat; een kunstmatig substraat kan toch passen als het die kenmerken heeft.

V7: Vmax is de snelheid op het plateau. Km is de substraatconcentratie bij ½ Vmax. Een lage Km betekent dat het enzym het substraat al bij een lage concentratie goed bindt: een hoge affiniteit. Dit is verdieping en geen examenstof.

Niveauverdieping

  • VWO 5: vragen 1 t/m 6 en de grafiek.
  • Verdieping (profielwerkstuk, geen eindterm): teken een Lineweaver-Burk-grafiek (1/v tegen 1/[S]) en bepaal Vmax en Km uit het snijpunt en de helling. Bespreek de grote meetonzekerheid bij een visuele kleurmeting.
  • Extra: herhaal het practicum met de dubbele hoeveelheid enzym (40 µL in plaats van 20 µL, 20 µL minder buffer) en vergelijk de plateaus.

Benodigde laboratoriumartikelen

Voor dit practicum heeft u onder meer micropipetten en pipetpunten, reactievaatjes, rekjes en pH-indicatorpapier nodig. Bekijk het assortiment: pipetten, pipetpunten, centrifugebuizen & reactievaatjes, rekken & standaards, indicatoren & pH-papier. Neem contact op voor advies.

Meer practicumopdrachten

Dit practicum is onderdeel van een reeks van vier enzympractica met cellobiase. Ze zijn los van elkaar uit te voeren, maar sluiten inhoudelijk op elkaar aan:

Ook interessant: DNA knippen met restrictie-enzymen en gelelektroforese van DNA voor VWO.

Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.