In dit practicum onderzoek je hoe de hoeveelheid substraat de snelheid van een enzymreactie beïnvloedt. Je laat cellobiase reageren met vijf verschillende substraatconcentraties en meet hoeveel gele kleurstof er in 10 minuten ontstaat. Je meet de kleur zonder apparatuur door hem te vergelijken met een ijkreeks. Je ontdekt dat de snelheid eerst toeneemt en dan niet verder stijgt: de verzadiging van het enzym.
Dit practicum staat los van de andere enzympractica (pH, temperatuur en reactieverloop in de tijd). Het past in één les van 45 minuten.
Vak: Biologie | Domein: Zelfregulatie – enzymwerking | Duur: 1 les van 45 minuten (+ ca. 30 minuten voorbereiding door de docent of TOA) | Klas: VWO 5 (bovenbouw, na de behandeling van enzymwerking)
Bron: syllabi biologie havo en vwo van het College voor Toetsen en Examens (havo 2024, vwo 2025/2027). Controleer de syllabus van het actuele examenjaar.
Het effect van de substraatconcentratie op de reactiesnelheid staat niet als aparte eindterm in de syllabus. Het sluit aan op de eindterm over het enzymsubstraatcomplex. Km, Vmax en Lineweaver-Burk staan niet in het examenprogramma; ze zijn hier alleen als verdieping opgenomen.
Reken op ca. 30 minuten. Zonder voortest en ijkreeks is het practicum niet uitvoerbaar.
De ijkreeks is de “meetlat” voor de kleurmeting. Maak één set per twee groepen, van tevoren, in zeven gelabelde eps van 1,5 mL. Pipetteer eerst de buffer, dan de standaard, en voeg de stopoplossing als laatste toe. Sluit de buisjes en meng goed (vortex of omkeren). Eindvolume 400 µL per buisje. 1 mM standaard is 1 nmol per µL, dus het aantal µL standaard is gelijk aan het aantal nmol maal 1 (zie tabel).
Maak de reeks op de dag zelf of de dag ervoor en bewaar de buisjes afgesloten en donker. Staat er op uw standaard een andere concentratie dan 1 mM, reken dan de volumes om: volume (µL) = gewenste nmol ÷ concentratie (mM).
De activiteit van enzympreparaten verschilt sterk per leverancier en per batch. Zonder voortest is de kans groot dat alle buisjes bijna kleurloos of juist ver buiten de ijkreeks zijn. Doe daarom vooraf:
Controle op verzadiging: herhaal de voortest met 2 mM (40 µL substraat + 140 µL buffer) en met 0,2 mM (4 µL substraat + 176 µL buffer). Is de kleur bij 4 mM niet duidelijk donkerder dan bij 2 mM en is de kleur bij 0,2 mM nog te onderscheiden van het blanco (minimaal 4 nmol), dan is de reeks geschikt. Is er bij 0,2 mM geen kleur, verhoog dan de enzymhoeveelheid. Neemt de kleur bij 4 mM nog sterk toe, dan heeft het enzym een hoge Km; zie Overige voorbereiding.
De volumes in dit practicum zijn zo gekozen dat ze met een micropipet van 2–20 µL en een micropipet van 20–200 µL te pipetteren zijn. Wijkt uw materiaal af, gebruik dan deze regels:
Enzympreparaten, substraten en buffers verschillen per leverancier en per batch. Voer onderstaande controle daarom één keer uit, met één proefgroep, voordat de klas het practicum doet en telkens als u een nieuw preparaat, nieuwe buffer of nieuw substraat gebruikt. Reken op ca. 45 tot 60 minuten. Leerlingen hoeven hier niets van te weten.
Noteer na afloop: werkverdunning, ijkstap per substraatconcentratie, concentratie waarbij het plateau begint.
Voor dit practicum zijn geen CMR-stoffen nodig (kankerverwekkend, mutageen of reproductietoxisch). Controleer wel het veiligheidsinformatieblad (VIB) van uw materiaal, want sommige samenstellingen bevatten wel een CMR-stof:
Enzymen zijn eiwitten die chemische reacties in cellen versnellen (katalyseren). Het substraat past op de actieve plaats van het enzym en vormt daar tijdelijk een enzymsubstraatcomplex; daarna wordt het substraat omgezet in product en komt het enzym vrij om opnieuw te werken.
Substraatconcentratie en snelheid: bij een lage substraatconcentratie zijn de meeste actieve plaatsen vrij. Verhoog je de concentratie, dan vormen zich meer enzymsubstraatcomplexen en neemt de snelheid bijna evenredig toe. Bij een hoge concentratie zijn bijna alle actieve plaatsen bezet. Extra substraat levert dan geen hogere snelheid meer op: het enzym is verzadigd en de snelheid bereikt een maximum (Vmax). Die maximale snelheid hangt af van de hoeveelheid enzym.
Beginsnelheid: naarmate de reactie vordert, neemt de hoeveelheid substraat af en daarmee de snelheid. Om de snelheid bij een bepaalde substraatconcentratie te meten, laat je de reactie daarom kort lopen, zodat maar een klein deel (minder dan ca. 20 %) van het substraat is omgezet. Dat noemen we de beginsnelheid.
In de natuur splitst cellobiase (ook wel β-glucosidase) cellobiose in twee moleculen glucose. In dit practicum gebruik je een kunstmatig substraat, p-nitrofenyl-β-D-glucopyranoside (pNPG). De actieve plaats van het enzym herkent de binding tussen glucose en de rest van het molecuul, en splitst pNPG in glucose en p-nitrofenol:
pNPG + H2O → glucose + p-nitrofenol (gekatalyseerd door cellobiase)
pNPG is kleurloos. p-Nitrofenol is een indicator: bij een zure of neutrale pH is het vrijwel kleurloos, bij pH 9 of hoger is het geel (als p-nitrofenolaat). Voeg je na de reactie een stopoplossing met een hoge pH toe, dan gebeurt er twee dingen tegelijk: het enzym werkt niet meer (de reactie is gestopt) en de gele kleur wordt zichtbaar. Hoe geler het mengsel, hoe meer p-nitrofenol er is gevormd, en dus hoe meer substraat is omgezet.
Zonder spectrofotometer vergelijk je de kleur met een ijkreeks: buisjes met een bekende hoeveelheid p-nitrofenol (de standaard) in dezelfde stopoplossing en hetzelfde volume. Voor elk reactiebuisje zoek je het ijkbuisje met dezelfde kleur en lees je af hoeveel nmol product is gevormd (1 nmol = 10−9 mol). Die vergelijking is een schatting: reken op een leesonzekerheid van ongeveer een halve stap tussen twee ijkbuisjes.
Dit practicum gaat uit van pNPG als substraat en p-nitrofenol als standaard. Controleer dat op de etiketten van uw materiaal.
Tijdsplanning (45 minuten): 0–5 min: instructie en veiligheid • 5–15 min: pipetteren en starten • 15–27 min: incuberen en stoppen (elk buisje precies 10 minuten) • 27–35 min: kleur aflezen • 35–45 min: grafiek en vragen (of als huiswerk). Alles gebeurt bij kamertemperatuur.
Vul de resultatentabel in. Snelheid v (nmol/min) = gevormde nmol ÷ 10 min (trek zo nodig het blanco af). % substraat omgezet = gevormde nmol ÷ substraat (nmol) × 100 %.
Verwachting: de kromme stijgt eerst bijna lineair en vlakt dan af. Bij cellobiase met een hoge Km (bijvoorbeeld enkele mM) is bij 4 mM nog geen volledig plateau bereikt; dat is een geldige uitkomst. Gebruik de voortest om dit vooraf te zien. Bij het laagste punt (0,2 mM) is de gevormde hoeveelheid soms kleiner dan de detectiegrens (< 4 nmol); noteer dat zo.
V1: Het blanco-buisje (zonder enzym) bij 4 mM laat zien dat het substraat bij de hoogste concentratie niet vanzelf wordt gesplitst. Is er daar al geen kleur, dan is er bij lagere concentraties ook geen probleem. Is het geel, trek die waarde af van alle buisjes.
V2: Bij lage concentraties neemt de snelheid ongeveer evenredig toe met de substraatconcentratie; bij hogere concentraties neemt de toename af en nadert de snelheid een maximum.
V3: Bij een lage concentratie zijn veel actieve plaatsen vrij: meer substraat betekent meer enzymsubstraatcomplexen en een hogere snelheid. Bij een hoge concentratie zijn bijna alle actieve plaatsen bezet; de hoeveelheid enzym begrenst nu de snelheid. Extra substraat kan niet meer reageren, dus de snelheid stijgt niet verder (verzadiging).
V4: De maximale snelheid wordt ongeveer twee keer zo hoog, want er zijn twee keer zoveel actieve plaatsen. Bij elke substraatconcentratie is de snelheid dan hoger, maar de vorm van de kromme blijft vergelijkbaar.
V5: Tijdens de reactie neemt de substraatconcentratie af, waardoor de snelheid daalt. Door kort te meten, blijft de concentratie vrijwel gelijk aan de beginwaarde. Rekenvoorbeeld: bij 0,2 mM is er 40 nmol substraat (0,2 mM × 0,2 mL × 1000). Is er bijvoorbeeld 8 nmol product, dan is 8 ÷ 40 × 100 = 20 % omgezet: net op de grens. Bij 4 mM is er 800 nmol substraat en 30 nmol product slechts 3,8 %. Bij de lage concentraties is de beginsnelheid dus het minst betrouwbaar; kies bij twijfel een kortere incubatietijd.
V6: De actieve plaats herkent kennelijk niet het hele substraat, maar vooral de glucosegroep en de béta-binding. pNPG heeft dezelfde binding als cellobiose, dus het past op de actieve plaats. Een enzym is specifiek voor de vorm van het substraat; een kunstmatig substraat kan toch passen als het die kenmerken heeft.
V7: Vmax is de snelheid op het plateau. Km is de substraatconcentratie bij ½ Vmax. Een lage Km betekent dat het enzym het substraat al bij een lage concentratie goed bindt: een hoge affiniteit. Dit is verdieping en geen examenstof.
Voor dit practicum heeft u onder meer micropipetten en pipetpunten, reactievaatjes, rekjes en pH-indicatorpapier nodig. Bekijk het assortiment: pipetten, pipetpunten, centrifugebuizen & reactievaatjes, rekken & standaards, indicatoren & pH-papier. Neem contact op voor advies.
Dit practicum is onderdeel van een reeks van vier enzympractica met cellobiase. Ze zijn los van elkaar uit te voeren, maar sluiten inhoudelijk op elkaar aan:
Ook interessant: DNA knippen met restrictie-enzymen en gelelektroforese van DNA voor VWO.
Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.