Dynamische lichtverstrooiing (DLS) en zeta-potentiaalmetingen zijn de twee meest gebruikte technieken voor de karakterisering van nanodeeltjes, liposomen, polymere nanodragers en colloïdale dispersies. DLS bepaalt de hydrodynamische diameter van deeltjes op basis van hun Brownse beweging in vloeistof; de zeta-potentiaal kwantificeert de elektrische lading aan het grensvlak van deeltje en vloeistof en geeft daarmee een directe maat voor de colloïdale stabiliteit. Beide parameters worden standaard gecombineerd gemeten in moderne zetasizer-instrumenten en zijn onmisbaar in de farmaceutische nanomedicineontwikkeling, de formulering van biopolymeren, de cosmetica-industrie en de materiaalkunde.
DLS — ook aangeduid als fotonencorrelatiespectroscopie (PCS) of quasielastische lichtverstrooiing (QELS) — maakt gebruik van de tijdafhankelijke fluctuaties in de intensiteit van verstrooid laserlicht. Kleine deeltjes in oplossing bewegen door Brownse beweging: de thermische botsingen met oplosmiddelmoleculen veroorzaken willekeurige verplaatsingen. Hoe kleiner het deeltje, hoe sneller het beweegt. Een coherente laserstraal verlicht de suspensie; de verstrooide lichtintensiteit op een detectiehoek (typisch 90° of 173°) fluctueert als gevolg van de bewegende deeltjes.
De snelheid van die intensiteitsfluctuaties wordt vastgelegd in de autocorrelatiefunctie (ACF). De ACF beschrijft hoe sterk de lichtintensiteit op tijdstip t correleert met die op tijdstip t + τ. Bij grote deeltjes verloopt de ACF langzaam (ze bewegen traag); bij kleine deeltjes verloopt de ACF snel. Via de Stokes-Einstein-vergelijking wordt de diffusiecoëfficiënt D omgezet naar de hydrodynamische diameter dh:
dh = kBT / (3πηD)
waarbij kB de Boltzmann-constante is, T de absolute temperatuur en η de dynamische viscositeit van het oplosmiddel. De hydrodynamische diameter omvat de deeltjeskern én de solvatatieschil (geadsorbeerde ionen, polymeerlagen, surfactantmoleculen) en is daardoor altijd groter dan de geometrische diameter zoals gemeten met elektronenmicroscopie.
DLS levert drie hoofdparameters op:
Het Z-gemiddelde en de PDI worden bepaald via cumulantenanalyse (ISO 22412). Voor polydisperse monsters of multimodale verdelingen zijn geavanceerde analysemethoden zoals CONTIN of NNLS vereist om afzonderlijke populaties te resolven. DLS kan deeltjespopulaties pas onderscheiden wanneer ze meer dan een factor 3 in diameter van elkaar verschillen.
DLS en SLS meten verschillende grootheden en zijn complementair. DLS bepaalt de hydrodynamische diameter via Brownse beweging. Statische lichtverstrooiing (SLS) meet de tijdsgemiddelde lichtintensiteit als functie van de hoek en levert het gewichtsgemiddelde molecuulgewicht (Mw), de gyratiestraal (Rg) en de tweede viriaalscoëfficiënt (A2). Voor de bepaling van de absolute molecuulgewichten van eiwitten en synthetische polymeren is SLS via een Zimm-plot de aangewezen techniek. Multi-Angle Light Scattering (MALS), gecombineerd met SEC/GPC, levert absolute molecuulgewichten zonder kalibratiestandaarden. DLS heeft de voorkeur voor snelle routinemeting van deeltjesgrootte en polydispersiteit in nanomedicineontwikkeling.
Wanneer een geladen deeltje zich in een elektrolytoplossing bevindt, trekt het tegengesteld geladen ionen aan. Direct aan het deeltjesoppervlak adsorbeert een laag sterk gebonden ionen en watermoleculen — de Stern-laag (ook: compacte dubbellaag). Daaromheen ligt een diffuse laag van losser gebonden ionen. Het geheel — deeltje plus beide lagen — wordt de elektrische dubbellaag (EDL) genoemd.
Wanneer het deeltje beweegt (door een elektrisch veld of door Brownse beweging), schuift het mee tot op het glijvlak: een hypothetische grens waarbuiten ionen niet meer meebewegen met het deeltje. De elektrische potentiaal op dit glijvlak is de zeta-potentiaal (ζ), uitgedrukt in millivolt (mV). De zeta-potentiaal is een experimenteel toegankelijke grootheid die het effectieve oppervlaktepotentiaal benadert.
Een negatieve zeta-potentiaal is voor veel colloïdale systemen gunstig — de negatieve lading zorgt voor elektrostatische repulsie tussen deeltjes. Of een negatieve of positieve waarde de voorkeur heeft, hangt echter volledig af van het specifieke systeem. Cationische liposomen voor DNA-transfectie vereisen juist een positieve zeta-potentiaal om te interageren met het negatief geladen celoppervlak. Sterisch gestabiliseerde PEGyleerde nanodragers hebben een zeta-potentiaal dicht bij nul maar blijven stabiel door sterische repulsie van de PEG-ketens.
De zeta-potentiaal is sterk pH-afhankelijk. Bij een lage pH-waarde protoneert het deeltjesoppervlak; de lading verschuift naar positief of neutraal. Bij een hoge pH-waarde deprotoneert het oppervlak en neemt de negatieve lading toe. Het iso-elektrisch punt (IEP) is de pH waarbij de zeta-potentiaal nul is; bij het IEP is de colloïdale stabiliteit minimaal en is aggregatie het meest waarschijnlijk. Voor silica-nanopartikels ligt het IEP rond pH 2; voor hydroxyapatiet rond pH 6; voor eiwitten varieert het IEP sterk per molecuul. In formuleringsonderzoek wordt de pH-afhankelijkheid van de zeta-potentiaal systematisch gemeten om het optimale stabiliteitsbereik te bepalen.
De meest gebruikte methode is laser-doppler-elektroforese (ook: fase-analyserende lichtverstrooiing, PALS). Een elektrisch veld wordt aangelegd over de cuvet; geladen deeltjes migreren naar de tegengesteld geladen elektrode. De snelheid van die migratie — de elektroforetische mobiliteit ue — wordt bepaald door de Doppler-verschuiving van het verstrooide laserlicht te meten. De zeta-potentiaal wordt berekend via de Henry-vergelijking:
ue = (2εζ / 3η) · f(κa)
waarbij ε de diëlektrische constante van het oplosmiddel is, η de viscositeit en f(κa) de Henry-functie, die afhankelijk is van de deeltjesgrootte (a) en de Debye-lengte (1/κ). Voor waterige systemen met κa >> 1 (grote deeltjes of hoge ionsterkte) wordt de Smoluchowski-benadering toegepast: f(κa) = 1,5. Voor kleine deeltjes in media met lage ionsterkte (κa << 1) geldt de Hückel-benadering: f(κa) = 1.
Het glijdend vlak (slipping plane) is de hydrodynamische grens rondom het deeltje waarbuiten ionen en watermoleculen niet meer meebewegen. Binnen het glijdend vlak bevindt zich de Stern-laag plus een deel van de diffuse dubbellaag. De afstand van het glijdend vlak tot het deeltjesoppervlak is niet exact definieerbaar maar wordt bepaald door de aard en concentratie van geadsorbeerde moleculen. Geadsorbeerde polymeerlagen (PEG, polysachariden) verleggen het glijdend vlak naar buiten, waardoor de gemeten zeta-potentiaal lager uitvalt dan de werkelijke oppervlaktepotentiaal.
De PDI is een dimensieloze maat voor de breedte van de grootteverdeling, berekend uit de tweede-orde cumulantenanalyse:
DLS en laserdiffractie meten beide deeltjesgrootte via licht maar zijn op fundamenteel verschillende fysische principes gebaseerd en dekken verschillende groottebereiken:
Voor deeltjes in het nanobereik (< 1 µm) is DLS de eerstekeuzetechniek; voor grotere deeltjes en brede distributies (sedimenten, granulaten, poeders) is laserdiffractie geschikter. In de farmaceutische nanomedicineontwikkeling worden beide technieken gecombineerd: DLS voor de nanodrager-kern en laserdiffractie als aanvullende kwaliteitscontrole op aggregaatvorming.
In de farmaceutische industrie zijn DLS en zeta-potentiaal de standaard karakteriseringsparameters voor liposomen, polymere nanodeeltjes, lipide nanopartikels (LNP) voor mRNA-vaccins, nanokristallen van werkzame stoffen (API's) en polymermicellen. Regulatoire richtlijnen (ICH Q8, EMA-richtlijnen voor nanoformuleringen) vereisen DLS-karakterisering als onderdeel van het formulatieontwikkelingsdossier. De stabiliteitscontrole bij bewaring omvat periodieke DLS-meting: een toename in Z-gemiddelde of PDI duidt op aggregatie of degradatie van de nanodrager. Na sonicatie of extrusiestappen ter bereiding van liposomen wordt DLS direct ingezet om de resulterende grootteverdeling te verifiëren.
DLS wordt voor eiwitoplossingen gebruikt om aggregatie te detecteren, de hydrodynamische straal te bepalen en de conformationele integriteit te bewaken. Een toename in de hydrodynamische diameter bij stijgende temperatuur duidt op ontvouwing of aggregatie. In combinatie met DSC voor biomoleculen vormt DLS een krachtig stel technieken voor biofarmaceutische formuleringsoptimalisatie. De zeta-potentiaal geeft informatie over de elektrostatische bijdrage aan de eiwitstabiliteit en de colloïdale tweede viriaalscoëfficiënt (B22).
In de polymerchemie wordt DLS ingezet voor de bepaling van de hydrodynamische straal (Rh) van polymeerketens in oplossing, in combinatie met SEC/GPC voor een volledig molecuulgewicht-grootteprofiel. Micellen, dendrimeren en polymeervesikels worden gekarakteriseerd op vorming (CMC-bepaling via DLS) en grootte. De zeta-potentiaal is essentieel voor de karakterisering van coatingdispersies, inktformuleringen en keramische slurries, waarbij de stabiliteit afhankelijk is van elektrostatische of sterische repulsie.
Goud- en silvernanopartikels, kwantumdots, silicananodeeltjes en ijzeroxide-nanopartikels worden standaard gekarakteriseerd met DLS en zeta-potentiaal. De zeta-potentiaal voorspelt de stabiliteit van nanopartikeloplossingen bij bewaring en bij functionaliseringsreacties. Na oppervlaktefunctionalisering (PEGylering, ligandkoppeling) toont de verandering in zeta-potentiaal en hydrodynamische diameter het succes van de modificatie aan. Elektronenmicroscopie levert aanvullend morfologische informatie over individuele nanopartikels.
DLS wordt gebruikt voor de karakterisering van nanoplastics en colloïdale deeltjes in watermonsters. De zeta-potentiaal van zwevende deeltjes in waterbehandeling bepaalt de flocculatie-efficiëntie: bij een zeta-potentiaal dicht bij nul aggregeren deeltjes spontaan, wat het basisprincipe is achter chemische waterontharding met aluminiumsulfaat of ijzer(III)chloride als flocculant. Zie ook het artikel over microplastics-analyse voor methoden specifiek gericht op nanoplastics.
Betrouwbare DLS- en zeta-potentiaalmetingen vereisen aandacht voor monstervoorbereiding en meetcondities. De meest voorkomende meetfouten zijn te wijten aan aggregaten in het monster, stofdeeltjes, onjuiste concentratie of verkeerde meetparameters.
Te hoge concentraties leiden tot meervoudige verstrooiing: een foton wordt meer dan één keer verstrooid voor het de detector bereikt, wat resulteert in een kunstmatig te kleine gemeten diameter. Een typische werkconcentratie is 0,001–1 mg/ml voor polymere nanopartikels, 0,01–10 mg/ml voor eiwitten. Monsters worden vlak voor meting gefilterd door een membraanfilter (0,22 µm of 0,45 µm) om stofdeeltjes en macro-aggregaten te verwijderen die het signaal volledig zouden domineren — een enkel stofdeeltje van 10 µm heeft hetzelfde verstrooiingssignaal als 109 deeltjes van 10 nm.
De Stokes-Einstein-vergelijking bevat de temperatuur T en de viscositeit η van het oplosmiddel. Onjuiste temperatuurinvoer leidt direct tot een systematische fout in de berekende diameter. Moderne instrumenten thermostaten de cuvet nauwkeurig (±0,1 °C); de meting start pas na een equilibratietijd van typisch 2–5 minuten.
De zeta-potentiaal is sterk afhankelijk van de ionsterkte van het medium. Een hogere ionsterkte comprimeert de elektrische dubbellaag (afname Debye-lengte), waardoor de zeta-potentiaal daalt. Zeta-potentiaalmetingen worden bij voorkeur uitgevoerd in een gecontroleerd medium met bekende ionsterkte (typisch 1–10 mM NaCl of KCl) en bekende pH. Vergelijking tussen metingen is alleen zinvol wanneer de ionsterkte en pH identiek zijn.
Het meest gebruikte platform voor gecombineerde DLS- en zeta-potentiaalmetingen is de zetasizer (Malvern Panalytical). Andere fabrikanten zijn Anton Paar (Litesizer), Brookhaven Instruments en Particle Metrix. De meetgeometrie is voor DLS bepalend voor de gevoeligheid:
Zijn Zetasizer en DLS hetzelfde? De Zetasizer is een merknaam van Malvern Panalytical voor een instrument dat DLS, zeta-potentiaal en SLS (molecuulgewicht) combineert in één platform. DLS is de onderliggende meettechniek; de Zetasizer is één van de instrumenten waarmee DLS wordt uitgevoerd.
DLS-metingen voor deeltjesgrootte worden genormeerd door ISO 22412 (deeltjesgroottebepaling — dynamische lichtverstrooiing). Zeta-potentiaalmetingen zijn gestandaardiseerd in ISO 13099 (colloïdale systemen — zeta-potentiaal). Voor farmaceutische nanoformuleringen zijn aanvullend van belang: EMA-richtlijn voor nanomedicijnen en ICH Q8 (farmaceutische ontwikkeling). In GMP-omgevingen worden de instrumenten gekwalificeerd (IQ/OQ/PQ) met gecertificeerde polystyreenstandaarden (NIST SRM 1964, nominaal 60 nm) en bekende zeta-standaarden. Zie ook het artikel over validatie van analytische methoden voor de context van methode-validatie bij DLS.
Externe autoriteitsreferentie: de Europese farmacopee (Ph. Eur. 2.9.45) beschrijft aanvullende vereisten voor deeltjesgroottebepaling van nanomedicinale producten. Voor gedetailleerde richtlijnen verwijzen wij naar de EMA-richtlijnen voor nanomedicijnen.
Een hoge absolute zeta-potentiaal (positief of negatief) duidt op elektrostatische stabilisatie en verminderde aggregatieneiging. In de meeste waterige colloïdale systemen is |ζ| > 30 mV een indicatie voor stabiele dispersie. Er zijn echter uitzonderingen: PEGyleerde nanodragers zijn stabiel bij lage zeta-potentiaal door sterische repulsie; geladen nanodragers voor celinteractie hebben soms bewust een gematigde zeta-potentiaal om celmembraaninteractie te faciliteren.
Zeta-potentiaal wordt toegepast in waterbehandeling (flocculatie), papierproductie (retentie van vulstoffen), ceramische verwerking (dispersie van deeltjes in slippen), cosmetica (stabiliteit van emulsies en suspensies), voedingsmiddelen (stabiliteit van dranken en sauzen) en electrodeposition van metaallagen.
Het oppervlaktepotentiaal (ψ0) is de elektrische potentiaal direct aan het deeltjesoppervlak. De zeta-potentiaal is de potentiaal op het glijdend vlak, dat op enige afstand van het oppervlak ligt. In de praktijk is het oppervlaktepotentiaal niet direct meetbaar; de zeta-potentiaal is de experimenteel toegankelijke benadering. Bij geadsorbeerde polymeerlagen of surfactantlagen kan het glijdend vlak ver buiten het eigenlijke oppervlak liggen, waardoor zeta sterk afwijkt van ψ0.
De Zetasizer (Malvern Panalytical) gebruikt laser-doppler-elektroforese gecombineerd met fase-analyserende lichtverstrooiing (PALS). Een wisselend elektrisch veld drijft de deeltjes alternerend naar beide elektroden. De Doppler-verschuiving van het verstrooide laserlicht ten opzichte van een referentiestraal (heterodyne-detectie) geeft de elektroforetische mobiliteit; de Henry-vergelijking (Smoluchowski of Hückel benadering) converteert dit naar de zeta-potentiaal. De PALS-techniek is specifiek geschikt voor metingen in media met hoge ionsterkte waarbij de elektrodebeweging anders klein is.
DLS en zeta-potentiaal vormen de basis van nanodeeltjeskarakterisering maar worden standaard aangevuld met:
Bekijk het assortiment in de categorie apparatuur of neem contact op voor advies over de juiste instrumentatie en meetmethoden voor uw nanodeeltjestoepassing.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.