Microplastics zijn kunststofdeeltjes kleiner dan 5 millimeter die via diverse routes in oppervlaktewater, grondwater en drinkwater terechtkomen. Analytische detectie en kwantificering zijn complex: de deeltjes variëren sterk in grootte, vorm en polymeersamenstelling, terwijl de concentraties in milieumonsters doorgaans extreem laag zijn. Dit artikel beschrijft de volledige analytische keten — van monsterneming en voorbereiding tot spectroscopische identificatie en kwantificering — en legt de voor- en nadelen van de afzonderlijke technieken naast elkaar.
De term microplastics omvat alle synthetische polymeerdeeltjes met een diameter van 1 micrometer tot 5 millimeter. Deeltjes kleiner dan 1 micrometer worden aangeduid als nanoplastics, hoewel de grens in de wetenschappelijke literatuur niet volledig is gestandaardiseerd. Primaire microplastics worden bewust gefabriceerd in kleine maten — microbeads in cosmetica, pelletskorrels als grondstof voor de plasticindustrie, synthetische vezels in textiel. Secundaire microplastics ontstaan door fysische en chemische afbraak van groter plasticafval onder invloed van UV-straling, mechanische slijtage en hydrolytische reacties.
In oppervlaktewater zijn de voornaamste bronnen: afvoer van stadswegen en sportvelden met kunstgras, effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's), microvezelafgifte bij het wassen van synthetisch textiel en fragmentatie van zwerfvuil. In drinkwater zijn microplastics aangetoond in concentraties van enkele tientallen tot honderden deeltjes per liter, afhankelijk van de waterbron en zuiveringstechnologie. De meest aangetroffen polymeertypen zijn polyethyleen (PE), polypropyleen (PP), polyethyleentereftalaat (PET), polystyreen (PS) en polyvinylchloride (PVC), naast polyamide (PA, nylon) en polycarbonaat (PC).
Microplastics hebben een diameter van 1 micrometer tot 5 millimeter. Nanoplastics zijn kleiner dan 1 micrometer (sommige definities hanteren 100 nanometer als bovengrens) en gedragen zich fundamenteel anders dan grotere microplasticsdeeltjes: ze kunnen door celwanden dringen en zijn daarmee potentieel biologisch actiever. Analytisch zijn nanoplastics veel moeilijker te detecteren en kwantificeren. Conventionele µ-FTIR en standaard lichtmicroscopie bereiken de vereiste resolutie niet; voor nanoplastics zijn technieken als nanoparticle tracking analysis (NTA), asymmetrische vloeiveldvloeifractionering (AF4) gekoppeld aan meerdere detectors, en transmissie-elektronenmicroscopie (TEM) noodzakelijk. In milieumonsters zijn nanoplastics door de hoge aggregatieneiging analytisch nog nauwelijks kwantificeerbaar. De huidige standaardmethoden voor microplastics-analyse zijn dan ook primair gericht op het bereik boven 1–10 µm.
Drinkwater wordt gewonnen uit oppervlaktewater of grondwater, beide al in meer of mindere mate belast met microplastics. Rioolwaterzuiveringsinstallaties verwijderen het overgrote deel van microplastics uit afvalwater — efficiënties van 90% of hoger worden gemeten — maar een restfractie bereikt oppervlaktewater en waterwingebieden. Bandenslijtsel, dat via regenwater afstroomt naar het riool en oppervlaktewater, is één van de kwantitatief belangrijkste bronnen in Nederland. Atmosferische depositie van microplastics (neerslag van luchtgedragen vezels en fragmenten) is een additionele invoerroute voor oppervlaktewaterreservoirs.
Na waterzuivering — doorgaans bestaande uit coagulatie, sedimentatie, zandfiltratie en actief-koolfiltratie, aangevuld met ozonisatie of membraanfiltratie — dalen de concentraties in kraanwater tot 1–2 deeltjes per liter of lager, afhankelijk van de zuiveringstechnologie en de bron. Flessenwater bevat in diverse studies hogere concentraties dan kraanwater, deels door afgifte van de verpakking zelf (met name de dop bij herhaald open- en dichtdraaien). Leidingmateriaal in het distributienetwerk levert in de praktijk geen aantoonbare bijdrage aan de microplasticsconcentratie in kraanwater.
De WHO beoordeelde de menselijke blootstelling via drinkwater in 2019 als laag risico bij de huidige concentraties, maar benadrukte dat onderzoeksleemten een definitieve uitspraak verhinderen. De bijdrage van drinkwater aan de totale menselijke blootstelling aan microplastics is relatief gering in vergelijking met blootstelling via voedsel en inhalatie van luchtgedragen vezels en stofdeeltjes.
De mens krijgt microplastics via drie hoofdroutes binnen: ingestie via voedsel en drinkwater, inhalatie van luchtgedragen vezels en stofdeeltjes, en in mindere mate via huidcontact. Voedsel en inhalatie dragen elk voor een substantieel aandeel bij aan de totale blootstelling; de bijdrage van drinkwater is kwantitatief beperkt. Bronnen via de ingestie-route zijn naast drinkwater onder meer zeevruchten, zout, bier en verpakt voedsel waarbij microplastics vrijkomen uit de verpakking. Via inhalatie komen synthetische textielvezels en fijn bandenslijtsel de longen binnen.
Grotere microplasticsdeeltjes (boven circa 150 µm) worden niet significant opgenomen via de darmwand en worden voor het overgrote deel met de feces uitgescheiden. Nanoplastics en de kleinste microplasticsdeeltjes (onder 10 µm) zijn in celstudies wel opgenomen door epitheelcellen; de toxicologische relevantie bij de concentraties in drinkwater is nog onduidelijk. Aanvullende zorgen betreffen de potentiële overdracht van adsorptieve organische verontreiniging (persistente organische polluenten, plasticadditieven) die aan het polymeeroppervlak kan zijn gebonden. Nederlands onderzoek vanuit de Kennisimpuls Waterkwaliteit loopt nog; het RIVM en KWR benadrukken dat verdere methodeontwikkeling en blootstellingsstudies noodzakelijk zijn voor een volledige risicobeoordeling.
Microplastics-analyse stelt hoge eisen aan het laboratorium. De kernproblemen zijn contaminatiepreventie, matrix-complexiteit en het ontbreken van geharmoniseerde standaardmethoden. Luchtgedragen microplastics en plasticvezels uit laboratoriumkleding en kunststof labapparatuur zijn een vrijwel onontkoombare bron van blankoverontreiniging. Het gebruik van een laminaire-vloeikast of gesloten systemen, katoenen labjassen en uitsluitend glazen en metalen apparatuur tijdens de kritische stappen is daarom standaardpraktijk.
Een tweede uitdaging is de complexe watermatrix: organisch materiaal, algen, zwevende sedimentdeeltjes en biofouling vertroebelen de isolatie en spectroscopische analyse van de polymeerdeeltjes. Oxidatieve digestie met waterstofperoxide (H₂O₂), enzymatische behandeling met protease of lipase, of een combinatie van beide is noodzakelijk om organisch materiaal te verwijderen zonder de polymeerstructuur te beschadigen.
Tot slot ontbreekt nog een universeel aanvaarde, gestandaardiseerde methode. ISO/TR 21960 en ISO/CD 24187 zijn in ontwikkeling; de huidige praktijk is een combinatie van OSPAR-richtlijnen, HELCOM-protocollen en laboratoriumspecifieke SOP's. Dit maakt vergelijking van resultaten tussen studies soms lastig.
De strategie voor monsterneming hangt af van het watertype (drinkwater, oppervlaktewater, afvalwater, zeewater), de verwachte concentratie en de gewenste deeltjesgroottegrens. Voor oppervlaktewater worden manta-netten (maaswijdte 330–500 µm) ingezet voor kwalitatieve monsterneming van grotere microplastics. Voor kleinere deeltjes en kwantitatieve analyses worden continue doorstroomcentrifuges, volumetrische pompen met inline-filters of roestvrijstalen filtratie-apparatuur (poriëngrootte 10–300 µm) gebruikt.
Bij drinkwateranalyse worden grote volumes — doorgaans 100 liter tot 1000 liter — door een cascade van membraanfilters geleid. De filters worden achtereenvolgens in een omgekeerde porositeitsreeks geplaatst (bijv. 100 µm → 10 µm → 1 µm) om blindraken te voorkomen. Roestvrijstalen, aluminium- of glasvezelfilters verdienen de voorkeur boven polymere membraanfilters, om contaminatie met de filtermaterialen zelf te vermijden. Zie ook het kennisbankartikel Laboratorium filtratie voor de principes van vacuümfiltratie en membraanfiltratie.
Transport en bewaring van monsters vinden bij voorkeur plaats in glazen flessen of roestvrijstalen containers. Laat nooit plastic monsterpotten toe voor microplasticsmonsters; PET-waterflessen zijn zelf een bron van microplastics-afgifte, zeker wanneer ze worden blootgesteld aan UV-licht of warmte.
Vóór spectroscopische analyse moeten organische interferenten worden verwijderd. De meest toegepaste protocollen zijn:
Na digestie worden de deeltjes geïsoleerd via vacuümfiltratie over een roestvrijstalen of aluminium membraanfilter of over een glasvezelfilter (bijv. Whatman GF/F, poriëngrootte 0,7 µm). De keuze van het filtermateriaal is kritisch: polymere filters — nylon, PVDF, cellulose-acetaat — kunnen zelf microplastics-fragmenten bevatten of afstaan.
Dichtheidsscheiding kan voorafgaand aan digestie worden toegepast om minerale deeltjes (zand, klei) van polymeerdeeltjes te scheiden. Een natriumjodide (NaI)- of natriumchloride (NaCl)-oplossing met hoge densiteit (≥ 1,2–1,8 g/cm³) laat organische polymeren opdrijven terwijl anorganisch materiaal bezinkt. Dit beperkt de hoeveelheid organisch digestiemiddel en verkort de verwerkingstijd. Centrifugatie versnelt de scheiding bij kleine deeltjesgroottes en kleinere volumina.
Voor het zichtbaar maken en identificeren van microplastics in watermonsters zijn in de laboratoriumomgeving vier complementaire technieken beschikbaar. µ-FTIR-microscopie en Raman-microscopie zijn niet-destructieve spectroscopische methoden die per deeltje een polymeeridentificatie geven en tegelijk aantallen en grootteverdelingen leveren — µ-FTIR voor deeltjes vanaf circa 10 µm, Raman tot in het bereik van 1–2 µm. Py-GC-MS is een destructieve bulktechniek die geen aantallen geeft maar wel absolute massaconcentraties per polymeertype, tot in het nanogram-per-liter-bereik. Elektronenmicroscopie (SEM-EDX) en flowcytometrie met Nile Red-kleuring zijn aanvullende methoden voor respectievelijk morfologische karakterisering en snelle doorvoerscreening. Welke combinatie van technieken wordt ingezet, hangt af van de gewenste outputparameters (aantallen, massa, polymeertype, deeltjesgrootte) en de beschikbare analysetijd.
Fourier-transformatie-infraroodspectroscopie gekoppeld aan een IR-microscoop (µ-FTIR) is de meest gebruikte bevestigingstechniek voor microplastics. Het principe berust op de absorptie van infrarood licht door moleculaire bindingen: elk polymeertype heeft een karakteristiek vingerafdrukspectrum. Na isolatie worden de deeltjes op een IR-transparant substraat (zinkselenide, calciumfluoride of aluminiumfilter) geplaatst en gescand. Vergelijking met een referentiespectrometerbibliotheek levert polymeeridentificatie en een overeenkomstpercentage.
De ruimtelijke resolutie van conventionele µ-FTIR bedraagt circa 10–20 µm. Door gebruik te maken van synchrotron-FTIR of focal plane array (FPA)-detectoren kunnen deeltjes van 1 µm lateraal worden opgelost en kunnen duizenden deeltjes per meting tegelijkertijd worden geanalyseerd via spectrale mapping. µATR-FTIR (attenuated total reflectance) bereikt een resolutie van circa 3–10 µm met directe contactmeting maar vereist precies positioneren van het ATR-kristal op kleine deeltjes. Lees meer over de basisprincipes van infraroodspectroscopie in het kennisbankartikel FTIR-spectroscopie en over de instrumentele opbouw van µ-FTIR en Raman-microspectrometers in het artikel over microspectroscopie.
De sterke punten van µ-FTIR zijn de niet-destructieve aard, de beschikbaarheid van uitgebreide spectrale bibliotheken en de brede polymeerdetectie inclusief PA en PET. De beperkingen zijn de ontoereikende resolutie voor deeltjes onder 10 µm bij conventionele systemen, de storing door waterabsorptie (meting moet op droog monster) en de beperkte doorvoer bij handmatige puntmeting.
Raman-spectroscopie maakt gebruik van inelastische lichtverstrooiing: een monochromatische laser exciteert moleculaire bindingen en de verschuiving in golfgetal van het verstrooide licht is karakteristiek voor het polymeertype. In tegenstelling tot FTIR kan Raman worden toegepast op waterige monsters en bij kleinere deeltjesgroottes: met een confocale Raman-microscoop zijn deeltjes van 1–2 µm identificeerbaar, waarmee ook nanoplastics gedeeltelijk in bereik komen. Automatische deeltjesanalyse via Raman-mapping van een volledig filter is mogelijk met commercieel beschikbare chemometrie-software. Het kennisbankartikel Raman-spectroscopie in het laboratorium beschrijft het principe en de varianten in detail.
De nadelen van Raman voor microplastics zijn de gevoeligheid voor fluorescentie van vervuild organisch materiaal — dit kan het Raman-signaal volledig maskeren — en de langere meettijd per filter vergeleken met FPA-FTIR. Photobleaching (uitbleken van fluorescente verbindingen door verlengde laserbestraling vóór de eigenlijke meting) kan de fluorescentie verminderen, maar verlengt de meettijd aanzienlijk. Surface-Enhanced Raman Scattering (SERS) vergroot de gevoeligheid voor kleinste deeltjes maar is nog niet routinematig inzetbaar voor complexe milieumonsters.
Py-GC-MS is een destructieve maar uiterst gevoelige bulk-techniek. Het filtermonster of de geïsoleerde deeltjes worden thermisch pyrolyseerd bij 500–700 °C, waarna de pyrolyseproducten worden gescheiden via gaschromatografie en geïdentificeerd via massaspectrometrie. Elk polymeer geeft karakteristieke pyrolysemarkerstoffen: styreen voor PS, n-alkanen en α-alkenen (zoals 1-octeen en 1-tetradeceen) voor PE, 2,4-dimethyl-1-hepteen en propeenmeren voor PP, en benzoëzuur en vinylbenzoaat voor PET.
Het voordeel van Py-GC-MS is de absolute kwantificering op basis van massa (µg/L of ng/L), de hoge gevoeligheid en de mogelijkheid om ook gekleurd, dun gecoat of geverfd plastic te analyseren dat spectroscopisch moeilijk te identificeren is. Het nadeel is het verlies van morfologische informatie: na pyrolyse is niet meer vast te stellen hoeveel deeltjes er in het monster zaten, wat de koppeling met deeltjesaantallen en -grootteverdelingen bemoeilijkt. Thermodesorptie-Py-GC-MS (TED-GC-MS) is een variant waarbij eerst vluchtige verbindingen worden verwijderd alvorens pyrolyse plaatsvindt, wat de selectiviteit verhoogt.
Laserdiffractie bepaalt de deeltjesgrootteverdeling van gesuspendeerde deeltjes en is inzetbaar voor grotere microplastics (typisch 0,1–3000 µm). De techniek geeft geen polymeeridentificatie maar is snel en handig voor kwantitatieve screening van de deeltjesgrootteverdeling in watermonsters. Dynamische lichtverstrooiing (DLS) is geschikt voor nanoplastics en submicrometer-deeltjes (1 nm–10 µm), maar gevoelig voor grote deeltjes die het signaal domineren. Het kennisbankartikel Laserdiffractie en deeltjesgroottebepaling beschrijft beide technieken uitgebreid.
Scanning-elektronenmicroscopie gekoppeld aan energiedispersieve röntgenspectroscopie (SEM-EDX, ook aangeduid als EDS) maakt morfologische karakterisering en elementanalyse van afzonderlijke microplasticdeeltjes mogelijk. SEM geeft gedetailleerde oppervlakte-informatie over deeltjesvorm, textuur en degradatietekens. EDX detecteert anorganische toevoegingen (pigmenten, vlamvertragers) maar geeft geen polymeeridentificatie op basis van organische structuur. SEM-EDX is daarmee een aanvullende techniek naast FTIR of Raman, niet een zelfstandige identificatiemethode voor polymeertype.
Voor hoge-doorvoer screening van kleine deeltjes in watermonsters kan flowcytometrie worden ingezet na kleuring met lipofiele fluorescerende kleurstof (bijv. Nile Red). Nile Red kleurt hydrofobe polymeeroppervlakken en geeft fluorescentiesignaal bij 550–600 nm. De methode is snel en kwantitatief voor deeltjesaantallen, maar geeft geen polymeeridentificatie en geeft ook fluorescentiesignaal bij andere hydrofobe deeltjes (oliedruppels, organisch materiaal). Nile Red-kleuring is daarmee een indicatieve screeningstechniek, niet een definitieve analysetechniek.
Blankobewaking is bij microplastics-analyse niet optioneel maar essentieel. Procesblanko's — lege filtereenheden of demiwater die dezelfde filtratieketen en digestiestap doorlopen als de werkelijke monsters — kwantificeren de achtergrondverontreiniging. Veldblanko's — monsters die worden genomen met dezelfde apparatuur maar zonder daadwerkelijk watermonster — tonen de bijdrage van luchtdepositie en monsterneming aan het resultaat. De procedure-gebaseerde rapportagegrens (Method Blank Quantification Limit, MBQL) wordt berekend op basis van de blankowaarden.
Contaminatiepreventie vereist: gebruik van glazen en roestvrijstalen materialen voor alle contactoppervlakken, katoenen of wollen kleding in het laboratorium, gelaagde werkopstellingen (laminaire-vloeikast voor open handelingen) en leidingwater of demiwater dat zelf is geanalyseerd op microplasticsbijdrage. Positieve en negatieve standaardmengsels van bekende polymeerdeeltjes — referentiebeads van gekalibreerde grootte en gekend polymeertype — worden meegeanalyseerd voor kalibratieverificatie van de spectrale bibliotheekmatching.
Traceerbaarheid vereist dat alle analysedata inclusief spectra worden opgeslagen in een gevalideerd LIMS-systeem conform de eisen voor methodevalidatie. Minimale rapportage-elementen zijn: monsternamedatum en -locatie, filtratievolume, filtertype en -poriëngrootte, digestiestap, spectrale bibliotheek en versie, polymeeridentificatiescores, en blankocorrectiewaarden.
Een representatief analyseprotocol voor microplastics in drinkwater omvat de volgende stappen. Neem via een roestvrijstalen of glazen doorstroomcel 100–1000 liter drinkwater af via het reguliere distributienet. Filtreer het monster over een gekalibreerde membraanfiltercascade (100 µm → 20 µm → 1 µm), waarbij elk filterkader afzonderlijk wordt bewaard in een gesloten petrischaal van glas. Onderwerp elk filter aan H₂O₂-digestie (35%, 60 °C, 24–48 uur) of enzymatische behandeling (proteinase K, 37 °C, 24 uur). Breng het digestaat over op een aluminium-oxide- of met goud gecoate membraanfilter voor µ-FTIR-meting.
Analyseer het filter met een µ-FTIR-systeem (FPA- of mapping-modus), selecteer alle deeltjes met een spectrale overeenkomst van ≥ 70% ten opzichte van de referentiebibliotheek, en noteer per deeltje het polymeertype, de deeltjesgrootte en de morfologische categorie (vezel, fragment, folie, granulaat). Rapporteer het resultaat als aantal deeltjes per liter, uitgesplitst per polymeertype en deeltjesgrootteklasse. Voor absolute massaconcentraties is aanvullende Py-GC-MS-analyse noodzakelijk op een parallelle filterset.
Hoe kan ik microplastics in water detecteren zonder laboratorium? Betrouwbare detectie en identificatie van microplastics in watermonsters is niet mogelijk zonder gespecialiseerde laboratoriumapparatuur. Visuele inspectie onder een stereo- of lichtmicroscoop kan grotere deeltjes (boven circa 0,5 mm) zichtbaar maken, maar geeft geen polymeeridentificatie en leidt bij kleinere deeltjes tot hoge fout-positiefpercentages door organisch materiaal dat op plastic lijkt. Consumentenfiltersystemen of -teststrips voor drinkwaterkwaliteit zijn niet ontworpen voor microplastics en geven geen valide resultaat. Voor een betrouwbare kwantitatieve analyse van microplastics in water — inclusief polymeeridentificatie per deeltje — zijn µ-FTIR-microscopie, Raman-microscopie of Py-GC-MS in een geaccrediteerd laboratorium noodzakelijk, gecombineerd met de monstervoorbereidingsstappen die in dit artikel worden beschreven.
Wat is het verschil tussen primaire en secundaire microplastics? Primaire microplastics worden doelbewust in kleine formaten geproduceerd, zoals microbeads in cosmetica of pelletskorrels. Secundaire microplastics ontstaan door fysische en chemische afbraak van groter plasticafval. In oppervlaktewater overheersen secundaire microplastics; pelletskorrels en synthetische vezels zijn veelvoorkomende primaire bronnen.
Kan ik microplastics detecteren met een standaard FTIR-instrument? Een conventionele FTIR-spectrometer met ATR-accessoire is bruikbaar voor bulkidentificatie van grotere plastic fragmenten (≥ 0,5 mm), maar is niet geschikt voor routinematige microplastics-analyse in watermonsters. Daarvoor is een FTIR-microscoop of FPA-detector noodzakelijk voor de vereiste spatiale resolutie.
Zijn er wettelijke normen voor microplastics in drinkwater? De Europese drinkwaterrichtlijn (Richtlijn 2020/2184) verplicht lidstaten tot het uitvoeren van monitoringsonderzoek naar microplastics, maar stelt nog geen specifieke maximumconcentraties vast. De WHO heeft in 2019 een beoordeling uitgebracht waarin de huidige menselijke blootstelling via drinkwater als laag risico wordt ingeschat, maar benadrukt dat er nog veel onzekerheid bestaat. Harmonisatie van analysemethoden is een voorwaarde voor wetgeving.
Wat is het verschil tussen µ-FTIR en Raman voor microplastics? µ-FTIR geeft de beste resultaten voor deeltjes ≥ 10 µm en is niet gevoelig voor fluorescentie, maar werkt slecht op waterige monsters. Raman bereikt een betere spatiale resolutie (1–2 µm) en kan worden gemeten op waterige filters, maar heeft last van fluorescentie van organisch materiaal. In de praktijk worden beide technieken complementair ingezet: FTIR voor de bulkanalyse van grotere deeltjes, Raman voor deeltjes in het bereik van 1–20 µm.
Hoe voorkom ik besmetting van mijn monsters met laboratoriumplastics? Gebruik uitsluitend glaswerk, roestvrijstaal en aluminium voor alle stappen na monsterneming. Draag een katoenen of wollen labjas. Voer open handelingen uit onder een laminaire-vloeikast of in een gesloten werkruimte. Analyseer altijd procesblanko's. Vermijd kunststoffen ook voor afdekmateriaal: gebruik aluminiumfolie in plaats van plasticfolie.
Hoe verhoud ik mij tot ISO-normen voor microplastics-analyse? ISO/CD 24187 (karakterisering van microplastics in omgevingswater), ISO/TR 21960 (microplastics in het milieu — terminologie) en ISO 5667-27 (monsterneming voor microplastics in oppervlaktewater) zijn in ontwikkeling of recent gepubliceerd. Totdat een uniforme norm beschikbaar is, vormen de OSPAR-monitoringrichtlijnen (voor marien milieu) en de Umweltbundesamt-protocollen (voor zoetwater) breed geaccepteerde referenties. Documenteer in elk analyserapport welk protocol is gevolgd en vermeld de versie.
Kan Py-GC-MS ook nanoplastics detecteren? Py-GC-MS analyseert de totale polymeerinhoud van een filtermonster, ongeacht de deeltjesgrootte. Het geeft dus ook een bijdrage van nanoplastics mee, mits de deeltjes zijn gecollecteerd op het filter. De methode geeft echter geen aantallen of groottedistributie — alleen de totale massaconcentratie per polymeertype.
Hoeveel microplastics zitten er in kraanwater? Nederlands onderzoek van drinkwaterbedrijven Dunea en Waternet meet in gekruid kraanwater na volledige zuivering gemiddeld 1–2 microplasticsdeeltjes per liter voor deeltjes groter dan circa 20 µm. Bij analyses met lagere detectiegrens (1 µm) lopen de waarden op tot enkele honderden deeltjes per liter, waarbij de kleinste fracties de grootste onzekerheid kennen. Ter vergelijking: in ongezuiverd oppervlaktewater en RWZI-effluent worden concentraties van duizenden tot tienduizenden deeltjes per liter gemeten. De zuivering van drinkwater verwijdert dus het overgrote deel van de microplasticsbelasting; de restfractie in kraanwater is analytisch detecteerbaar maar ligt ver beneden de waarden in andere waterbronnen.
Bevat kraanwater meer of minder microplastics dan flessenwater? Onderzoek van Nederlandse drinkwaterbedrijven (Dunea en Waternet) laat zien dat kraanwater na zuivering slechts 1–2 microplasticsdeeltjes per liter bevat. Gebotteld water bevat in diverse internationale studies aanzienlijk hogere concentraties, mede door afgifte van de fles en dop zelf — met name bij herhaald openen en sluiten. Voor analysedoeleinden is de conclusie relevant dat ook flessenwater als monsterverpakking ongeschikt is; glazen of roestvrijstalen containers zijn vereist.
Voor de volledige analytische keten zijn de volgende instrumenten en verbruiksartikelen nodig. Voor monsterneming en filtratie: roestvrijstalen filtratie-apparatuur of in-line filtratie-eenheid, glazen petrischalen voor filteropslag, een vacuümpompsysteem en glasvezelfilters of aluminium-oxide membraanfilters. Voor digestie: glazen bekers en reactieflessen, een laboratoriumoven of thermostatisch waterbad, H₂O₂ van analytische kwaliteit. Voor gravimetrische massabepaling na filtratie: een analytische balans met voldoende afleesbaarheid (0,01 mg), zie ook het kennisbankartikel Laboratoriumbalans en analytische balans.
Voor spectroscopische identificatie: een FTIR-microscoop met FPA- of mapping-detector met IR-transparante substraten (ZnSe of CaF₂) of aluminium-oxide filters, of een confocale Raman-microscoop met passende laserlijn (532 nm of 785 nm). Voor massaconcentraties: een Py-GC-MS-systeem met pyrolyse-unit. Voor deeltjesgroottebepaling: een laserdiffractie-instrument of een deeltjesteller met optische sensor.
Meer achtergrond over de hier besproken technieken en methoden vindt u in de volgende kennisbankartikelen:
Externe bronnen: de WHO-beoordeling van microplastics in drinkwater (2019) en de RIVM-pagina over microplastics bieden aanvullende achtergrondinformatie over risicobeoordeling en beleid.
Voor de monstervoorbereiding bij microplastics-analyse levert Labvakhandel onder andere membraanfilters, filtratie-apparatuur, glazen flessen, glazen schalen en aluminiumfolie. Neem contact op voor advies bij de keuze van geschikte verbruiksmaterialen voor uw microplastics-analyseprotocol.
Disclaimer: dit artikel is bedoeld als algemene technische achtergrondinformatie over analysetechnieken voor microplastics in water. De beschreven protocollen zijn indicatief; voor geaccrediteerde milieubemonsteringen dienen geldende ISO-normen, nationale voorschriften en de vereisten van de opdrachtgevende instantie leidend te zijn. Labvakhandel aanvaardt geen aansprakelijkheid voor analytische beslissingen gebaseerd op dit artikel.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.