Wat is immunohistochemie?

Immunohistochemie (IHC) is een laboratoriumtechniek waarmee specifieke eiwitten in weefselsecties worden aangetoond met behulp van antilichamen. De naam beschrijft de drie pijlers van de methode: immuno (antilichamen), histo (weefsel) en chemie (kleurreactie). IHC maakt zichtbaar waar in een cel of weefsel een bepaald eiwit tot expressie komt, en geeft daarmee informatie over de aanwezigheid, lokalisatie en relatieve hoeveelheid van dat eiwit.

De techniek wordt breed ingezet in de pathologische diagnostiek, het oncologisch onderzoek en de farmaceutische ontwikkeling. Typische toepassingen zijn het classificeren van tumoren, het vaststellen van de primaire tumorlocatie bij gemetastaseerde kanker, en het bepalen van de expressie van therapeutische doelwitten zoals HER2 of PD-L1.

Wat is een andere naam voor immunohistochemie?

Immunohistochemie wordt in de praktijk aangeduid met verschillende termen die grotendeels synoniem zijn. De afkorting IHC is de meest gebruikte aanduiding in zowel de klinische als de wetenschappelijke context. De term immunokleuring (Engels: immunostaining) beschrijft hetzelfde principe en wordt zowel voor weefsel- als celpreparaten gebruikt. Immunoperoxidasekleuring verwijst specifieker naar de meest toegepaste detectievariant waarbij het enzym horseradish peroxidase (HRP) wordt ingezet. De term immunohistologie wordt incidenteel gebruikt als alternatief voor IHC, met nadruk op de histologische component. Is immunohistochemie hetzelfde als immunokleuring? In de meeste situaties wel: beide termen dekken het aantonen van eiwitten met antilichamen in weefsel- of celpreparaten. Het onderscheid zit hoofdzakelijk in het substraat — weefsel bij IHC, losse cellen bij immunocytochemie (ICC) — en niet in de detectiemethode zelf.

Wat is het verschil tussen IHC en immunocytochemie (ICC)?

Immunohistochemie en immunocytochemie (ICC) maken gebruik van hetzelfde principe — antilichamen die een doeleiwit herkennen — maar verschillen in het gebruikte substraat. Bij IHC worden dunne coupes gesneden van weefsel (FFPE of vriessectie). Bij ICC worden losse cellen onderzocht: celkweekcellen die op objectglazen zijn gegroeid of door centrifugatie zijn neergeslagen (cytospin). ICC wordt ingezet wanneer weefselarchitectuur niet relevant is en volstaan kan worden met individuele celanalyse, bijvoorbeeld bij uitstrijkjes of celkweekmateriaal.

Werkingsprincipe van IHC

IHC berust op de specifieke binding van een antilichaam aan zijn antigeen. Een antigeen is in dit geval een eiwit (of peptide) dat aanwezig is in het weefsel. De detectie verloopt doorgaans via een indirecte methode met twee antilichamen:

  1. Primair antilichaam — bindt rechtstreeks aan het doeleiwit (antigeen) in het weefsel.
  2. Secundair antilichaam — bindt aan het primaire antilichaam en draagt een detectielabel, meestal een enzym.

Het enzym (vaak horseradish peroxidase, HRP, of alkalische fosfatase, AP) zet een kleurloos substraat om in een gekleurd, onoplosbaar neerslag dat zichtbaar is onder de lichtmicroscoop. Het meest gebruikte substraat voor HRP is DAB (3,3’-diaminobenzidine), dat een karakteristiek bruin neerslag geeft op de plaats van het antigeen.

Wat is DAB en hoe werkt het als substraat?

DAB (3,3’-diaminobenzidine) is een chromo­geen substraat dat door het HRP-enzym wordt geoxideerd tot een bruin, in organische oplosmiddelen onoplosbaar polymeer. Dit neerslag slaat neer op de exacte locatie waar het antilichaam-antigeen­complex aanwezig is en blijft stabiel na inbedding van het preparaat. De bruine kleur contrasteert goed met de blauwe hematoxyli­ne-tegenkleuring van celkernen. DAB is lichtgevoelig en wordt doorgaans vers bereid voor gebruik. Alternatief voor toepassingen waarbij bruine achtergrondkleuring storend is, is het substraat AEC (3-amino-9-ethylcarbazol), dat een rood neerslag geeft maar oplosbaar is in alcohol en daarmee minder geschikt voor bepaalde inbed­dingsmedia.

Schematisch overzicht van het IHC-werkingsprincipe: antigeen, primair antilichaam, secundair antilichaam met HRP-enzym en DAB-kleurreactie

De indirecte methode stap voor stap

  1. Weefselfixatie — Weefsel wordt gefixeerd (doorgaans in 10% gebufferd formaline) om eiwitten ter plekke te fixeren en autolyse te voorkomen. Na fixatie wordt het weefsel ingebed in paraffine (FFPE) of er worden vriescoupes bereid.
  2. Deparaffinisering en rehydratie — FFPE-secties worden ontparaffineerd in xyleen en via een alcoholreeks gehydrateerd tot een waterige omgeving.
  3. Antigeenontsluiting (antigen retrieval) — Formalinefixatie veroorzaakt crosslinks in eiwitten waardoor epitopen gemaskeerd raken. Hitte-geïnduceerde antigeenontsluiting (HIER) in citraatbuffer (pH 6) of EDTA-buffer (pH 9) verbreekt deze crosslinks en maakt de epitopen weer toegankelijk.
  4. Blokkering — Endogene peroxidase-activiteit en aspecifieke binding worden geblokkeerd (bijv. met H₂O₂ en normaal serum).
  5. Incubatie primair antilichaam — Het primaire antilichaam wordt in geoptimaliseerde verdunning opgebracht en geïncubeerd (doorgaans 1 uur bij kamertemperatuur of overnight bij 4 °C).
  6. Incubatie secundair antilichaam — Het enzymgekoppelde secundaire antilichaam bindt aan het primaire antilichaam.
  7. Kleurreactie — Toevoeging van DAB-substraat geeft een bruin neerslag op de positieve locaties.
  8. Tegenkleuring en inbedding — Hematoxyline kleurt de celkernen blauw (tegenkleuring), waarna het preparaat wordt ingebed voor microscopie.

Hoe lang duurt een IHC-procedure?

Een volledige IHC-procedure neemt doorgaans één tot twee werkdagen in beslag, afhankelijk van het protocol en de mate van automatisering. De meest tijdrovende stap is de formalinefixatie van het weefsel, die idealiter 6–24 uur duurt. Deparaffinisering, antigeenontsluiting en blokkering beslaan samen circa 1–2 uur. De incubatie met het primaire antilichaam varieert van 1 uur bij kamertemperatuur tot overnight bij 4 °C. De overige stappen (secundair antilichaam, kleurreactie, tegenkleuring) zijn in 30–60 minuten afgerond. Op geautomatiseerde platforms zoals Leica Bond of Ventana BenchMark is de totale processtijd na fixatie en inbedding teruggebracht tot 3–5 uur per run.

Wat is het verschil tussen FFPE- en vriessecties voor IHC?

FFPE-secties (formaline-gefixeerd, paraffine-ingebed) zijn de standaard in diagnostische IHC. Formalinefixatie conserveert de weefselarchitectuur uitstekend en maakt langdurige opslag mogelijk. Het nadeel is dat fixatie epitopen kan maskeren, waardoor antigeenontsluiting noodzakelijk is. Vriessecties worden bereid door weefsel direct in te vriezen en te snijden op een cryo­staat. De weefselarchitectuur is minder goed geconserveerd dan bij FFPE, maar epitopen blijven beter intact — antigeenontsluiting is vaak niet nodig. Vriessecties worden voornamelijk gebruikt bij intra-operatieve sneldiagnostiek (vriescoupes) en bij antigenen die niet bestand zijn tegen formalinefixatie.

Directe versus indirecte methode

Kenmerk Directe methode Indirecte methode
Antilichamen Eén (primair gelabeld) Twee (primair + gelabeld secundair)
Signaalversterking Geen Ja (meerdere secundaire AB binden per primair)
Gevoeligheid Lager Hoger
Toepassingsgebied Directe immunofluorescentie, snelle screening Standaard in pathologie en research

Wat is signaalversterking in IHC?

Bij lage antigeen­expressie kan het signaal van de standaard indirecte methode onvoldoende zijn voor betrouwbare detectie. Signaalversterkingssystemen vergroten de hoeveelheid detectielabel per antilichaam-antigeen­complex. De meest gebruikte methoden zijn polymeersystemen, waarbij meerdere HRP-moleculen zijn gekoppeld aan één secundair antilichaam via een dextranpolymeer, en tyramide-signaalversterking (TSA), waarbij een tyramide-HRP-substraat covalente neerslag vormt op en rondom het antilichaamcomplex. Polymer­systemen bieden een goede balans tussen gevoeligheid en achtergrond en zijn geïntegreerd in de meeste geautomatiseerde IHC-platforms.

Antilichaamtypen in IHC

Antilichamen voor IHC zijn verkrijgbaar als monoklonale of polyklonale antilichamen:

  • Monoklonale antilichamen zijn afkomstig van één B-celkloon en herkennen één specifiek epitoop. Ze geven hoge specificiteit en reproduceerbare resultaten, en zijn daardoor de standaard in diagnostische IHC.
  • Polyklonale antilichamen herkennen meerdere epitopen van hetzelfde antigeen. Ze zijn gevoeliger bij lage antigeen­expressie, maar kunnen meer achtergrondsignaal geven.

De meeste primaire antilichamen voor IHC zijn geproduceerd in konijn of muis. Het secundaire antilichaam is dan anti-konijn of anti-muis, en dient altijd te worden afgestemd op de gastheer­soort van het primaire antilichaam.

Veelgebruikte IHC-markers in de pathologie

In de diagnostische pathologie worden tientallen markers routinematig ingezet. Een selectie van klinisch relevante markers:

Marker Eiwit / functie Diagnostische toepassing
Ki-67 Proliferatiemarker (kernprotein) Tumorproliferatiegraad, gradatie
HER2 (ERBB2) Receptortyrosinekinase Borstkanker, maagkanker; therapeutische selectie (trastuzumab)
p53 Tumorsuppressorprotein Aanwijzing voor TP53-mutatie bij overexpressie of volledig verlies
p16 (CDKN2A) CDK-remmer, celcyclusregulatie HPV-geassocieerde tumoren (cervix, orofarynx); diffuus positief bij HPV+
p63 Transcriptiefactor, basaalcelmarker Plaveiselcelcarcinoom, basaalcelcarcinoom; differentiatie van adenocarcinoom
CD markers (CD3, CD20, CD68…) Celoppervlakeiwitten leukocyten Classificatie van lymfomen en hematologische maligniteiten
Vimentine Intermediair filament mesenchymale cellen Sarcomen, mesothelioom, nier­celcarcinoom
Cytokeratines (CK7, CK20, Pan-CK) Epitheliale intermediaire filamenten Bepalen tumoroorsprong bij carcinomen van onbekende primaire tumor (CUP)

Interpretatie van IHC-resultaten

Positief versus negatief resultaat

Een positief IHC-resultaat betekent dat het doeleiwit in het onderzochte weefsel aantoonbaar aanwezig is. Het bruin gekleurde neerslag (bij DAB-detectie) geeft de locatie van het antigeen aan: kern, cytoplasma of celmembraan, afhankelijk van het eiwit. Positief betekent niet automatisch pathologisch — ook normaal weefsel kan een marker tot expressie brengen.

Een negatief IHC-resultaat geeft aan dat het eiwit afwezig of niet aantoonbaar is in het onderzochte weefsel. In diagnostische context kan een negatief resultaat even informatief zijn als een positief resultaat. Zo sluit een negatieve HER2-uitslag een HER2-gerichte therapie uit.

Semikwantitatieve scoring

IHC-resultaten worden vaak semikwantitatief gescoord. Voor HER2 bij borstkanker wordt het systeem van de ASCO/CAP-richtlijnen gebruikt, waarbij de intensiteit van de membraankleuring en het percentage positieve cellen samen een score 0, 1+, 2+ of 3+ opleveren. Score 3+ geldt als positief (overexpressie); score 2+ is equivocaal en vereist aanvullend FISH-onderzoek (fluorescentie in-situ hybridisatie).

Voor Ki-67 wordt het percentage positieve tumorkernen bepaald (de proliferatie-index). Een hoog Ki-67-percentage correleert met agressiever tumorgedrag.

IHC versus verwante technieken

Techniek Substraat Informatie Resolutie
IHC Weefselsnede (FFPE/vriessectie) Eiwitlokalisatie in weefsel Lichtmicroscopisch
ICC (immunocytochemie) Losse cellen (kweek/cytospin) Eiwitlokalisatie in individuele cellen Lichtmicroscopisch
IF (immunofluorescentie) Weefsel of cellen Eiwitlokalisatie, co-lokalisatie meerdere markers Licht- of confocaalmicroscopisch
Western blot Cellysat (eiwitmengsel) Aanwezigheid + molecuulgewicht eiwit Gel/membraan (geen ruimtelijke info)
ELISA Vloeistof (serum, cellysat) Kwantitatieve eiwitconcentratie Geen ruimtelijke info
Flowcytometrie Celsuspensie Eiwitexpressie per cel, celtypen Per cel, geen weefselcontext
Gelelectroforese DNA/RNA of eiwitten in gel Scheiding op grootte; geen eiwitlokalisatie in weefsel Gel (geen weefselcontext)

Wat is het verschil tussen IHC en immunofluorescentie?

IHC en immunofluorescentie (IF) delen hetzelfde antilichaam­principe, maar verschillen in detectiemethode. Bij IHC genereert een enzym (HRP of AP) een gekleurd chemisch neerslag dat zichtbaar is onder de gewone lichtmicroscoop en permanent is na inbedding. Bij immunofluorescentie is het secundaire antilichaam gelabeld met een fluorescerende kleurstof (fluorofoor) die zichtbaar is onder UV- of laserbelichting. IF biedt als voordeel dat meerdere antigenen tegelijk in één preparaat kunnen worden gedetecteerd via fluoroforen met verschillende emissiegolflengten (multiplexing), en leent zich beter voor kwantitatieve analyse en confocale microscopie. IHC heeft als voordeel dat preparaten permanent zijn, geen speciale verlichting vereisen en gemakkelijk te beoordelen zijn in de klinische routinediagnostiek. Zie ook het artikel over fluorescentie­microscopie voor een uitgebreid overzicht van fluorescente detectiemethoden.

Wat is multiplexing in IHC?

Multiplex-IHC maakt het mogelijk om meerdere antigenen gelijktijdig in één weefselsectie aan te tonen. Bij chromogene multiplexing worden verschillende enzymen (HRP en AP) gecombineerd met substraten die elk een andere kleur geven (bijv. bruin voor DAB en rood voor Fast Red). Bij fluorescentie-multiplexing worden meerdere fluoroforen gebruikt, vergelijkbaar met multi-color immunofluorescentie. Geavanceerde platforms zoals spectrale beeldvorming (multispectrale IHC) maken het mogelijk om vijf tot acht markers tegelijk te visualiseren in één coupe, wat met name waardevol is voor de karakterisering van het tumor-immuunmilieu (tumor micro­environment, TME).

Benodigde apparatuur en materialen

Voor een IHC-procedure zijn de volgende hulpmiddelen nodig:

  • Microtoom — voor het snijden van FFPE-secties (doorgaans 3–5 µm dik).
  • Waterbad — voor het strekken van weefselsecties op objectglazen. Labvakhandel levert een breed assortiment waterbaden en verwarmingsmantels.
  • Incubatiekamer / vochtige kamer — om uitdrogen van secties tijdens antilichaamincubatie te voorkomen.
  • Pipetten en pipetpunten — voor het nauwkeurig opbrengen van antilichaamverdunningen en substraatoplossingen.
  • Lichtmicroscoop — voor beoordeling van de gekleurde preparaten; bij voorkeur met helderveldfaciliteiten en kleurencamera.
  • Centrifuge — bij de bereiding van celsuspensies of bij aanvullende technieken zoals cytospin.

Geautomatiseerde IHC-platforms (zoals Leica Bond, Ventana BenchMark) zijn in ziekenhuislaboratoria gemeengoed en standaardiseren de incubatietijden, wasstappen en substraatapplicatie volledig.

Kwaliteitscontrole in IHC

Betrouwbare IHC-resultaten vereisen strikte kwaliteitsborging. Cruciale controlepunten zijn:

  • Positieve controle — weefsel waarvan bekend is dat het de doelmarker tot expressie brengt, wordt meegenomen in elke run.
  • Negatieve controle — het primaire antilichaam wordt weggelaten of vervangen door een isotype-controle om aspecifieke binding zichtbaar te maken.
  • Fixatietijd — te korte of te lange formalinefixatie beïnvloedt de antigeenontsluiting en daarmee de signaalintensiteit.
  • Antilichaamvalidatie — antilichamen dienen gevalideerd te zijn voor de specifieke toepassing (FFPE, vriessectie, celkweek — inclusief 3D-sferoïden en tumoroïden) en de betreffende diersoort.

Waarom is een negatieve controle nodig, en wat is een isotype-controle?

Een negatieve controle toont aan of een positief signaal daadwerkelijk afkomstig is van specifieke antilichaambinding, of dat het achtergrondsignaal betreft. Er zijn twee vormen: bij een reagens-negatieve controle wordt het primaire antilichaam volledig weggelaten; bij een isotype-controle wordt het primaire antilichaam vervangen door een niet-specifiek antilichaam van hetzelfde isotype (bijv. IgG konijn) in gelijke concentratie. De isotype-controle controleert op aspecifieke binding van het primaire antilichaam op basis van het Fc-gedeelte, los van de antigeen­specificiteit. Zonder negatieve controle is het onmogelijk onderscheid te maken tussen specifiek signaal en achtergrond­kleuring door endogene peroxidase, avidinebinding of niet-specifieke adsorptie.

Hoe wordt achtergrondsignaal verminderd bij IHC?

Achtergrondsignaal bij IHC heeft meerdere oorzaken en vereist gerichte tegenmaatregelen. Endogene peroxidase-activiteit (in erytrocyten, eosinofielen) wordt geblokkeerd met waterstofperoxide vóór de antilichaamincubatie. Aspecifieke eiwitbinding wordt verminderd door de sectie voor incubatie te blokken met normaal serum of BSA (bovine serum albumin) van dezelfde diersoort als het secundaire antilichaam. Endogene biotine (aanwezig in nieren, lever en hersenen) kan bij avidinebased detectiesystemen een vals-positief signaal geven; avidin-biotineblokkering of overstap naar polymeersystemen lost dit op. Een te hoge antilichaamconcentratie of te lange incubatietijd verhoogt eveneens het achtergrondsignaal; titratie van het primaire antilichaam is daarom essentieel bij methodevalidatie.

Veelvoorkomende problemen bij IHC en oplossingen

Bij IHC kunnen verschillende technische problemen optreden die de uitkomst beïnvloeden:

  • Geen of zwak signaal — mogelijke oorzaken: onvoldoende antigeenontsluiting, te hoge antilichaamverdunning, verlopen reagentia of te korte incubatietijd. Controleer fixatieduur en HIER-omstandigheden.
  • Hoge achtergrond — mogelijke oorzaken: onvoldoende blokkering, te hoge antilichaamconcentratie, endogene peroxidase of biotine-activiteit. Verleng de blokkerstap of pas de antilichaamconcentratie aan.
  • Vals-positief signaal — mogelijke oorzaken: endogene enzymactiviteit, kruisreactiviteit van het antilichaam of diffusie van DAB-neerslag. Gebruik isotype-controles en antilichamen met gedocumenteerde specificiteit.
  • Ongelijkmatige kleuring — mogelijke oorzaken: uitdroging van de sectie, ongelijkmatige verdeling van reagentia of temperatuurschommelingen tijdens incubatie. Gebruik een vochtige kamer en gestandaardiseerde incubatietemperatuur.
  • Slechte weefselarchitectuur — te lange of te korte fixatieduur; optimale FFPE-fixatie is 6–24 uur in 10% gebufferd formaline.

Toepassingen van IHC

Diagnostische pathologie

IHC is onmisbaar in de moderne pathologische diagnostiek. Het paneel van markers dat wordt ingezet, helpt de patholoog bij het bepalen van tumortype, graad en origine. Bij een tumor van onbekende primaire locatie (CUP) kan een combinatie van cytokeratines, CD-markers en orgaanspecifieke markers (zoals PSA voor prostaat of TTF-1 voor long) de waarschijnlijke oorsprong aanwijzen.

Wat is aanvullende immunohistochemie?

Aanvullende immunohistochemie verwijst naar IHC-onderzoek dat wordt uitgevoerd nadat een eerste histologische diagnose is gesteld maar onvoldoende informatie oplevert voor een definitieve classificatie of behandelbeslissing. De patholoog vraagt aanvullend IHC aan wanneer het standaard kleuringspatroon (hematoxyline-eosine) niet onderscheidend genoeg is, of wanneer aanvullende markering nodig is voor een behandelrelevante uitspraak. Typische situaties zijn: het bepalen van de primaire tumorlocatie bij een carcinoom van onbekende oorsprong (CUP), het onderscheiden van een primair longcarcinoom van een metastase, of het vaststellen van HER2-overexpressie ter voorbereiding op doelgerichte therapie. Aanvullende IHC leidt in de klinische praktijk dus tot een verfijning of herclassificatie van de diagnose op basis van eiwitexpressieprofielen.

Biomarkeronderzoek en farmaceutische ontwikkeling

In de farmaceutische industrie en het translationeel onderzoek wordt IHC ingezet om de expressie van therapeutische doelwitten in patiëntcohorten te evalueren, en om de farmacodynamische effecten van een geneesmiddel in vivo zichtbaar te maken. Zo wordt de expressie van PD-L1 bepaald via IHC als selectiecriterium voor immuuntherapie (checkpointremmers).

Onderwijs en practica

In het hbo- en universitair onderwijs wordt IHC ingezet in practica celbiologie, histologie en moleculaire pathologie. Studenten leren daarmee de relatie tussen eiwitexpressie en weefselstructuur te begrijpen. Basisreagentia en objectglazen zijn verkrijgbaar via Labvakhandel.

Verwante technieken die in laboratoriumonderwijs en -onderzoek worden ingezet zijn onder meer Western blot, flowcytometrie, gelelectroforese en ELISA. IHC is tevens een vorm van preparaatkleuring; voor een breder overzicht van kleuringstechnieken zie het artikel over preparaatkleuringen. Voor eiwitlokalisatie op nanometerschaal met fluorescente antilichamen biedt super-resolutiemicroscopie (STORM/PALM/STED) hogere resolutie dan conventionele fluorescentiekleuring.

Voor advies over antilichamen, detectiereagentia of laboratoriumapparatuur geschikt voor IHC-toepassingen kunt u contact opnemen met Labvakhandel.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.