Gevaarlijke stoffen veilig opslaan is in elk laboratorium, elke werkplaats en elk bedrijf een wettelijke verplichting. De Nederlandse PGS-richtlijnen — en specifiek PGS-15 — geven aan welke eisen gelden voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, van kleine hoeveelheden in een opslagkast tot grote voorraden in een opslaglocatie. Op deze pagina leggen we uit wat PGS-15 inhoudt, welke categorieën gevaarlijke stoffen worden onderscheiden, welke opslagmiddelen er zijn — van lekbakken en jerrycans tot IBC's en gasflessen — en wanneer een audit verplicht is.
PGS staat voor Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Het is een reeks Nederlandse richtlijnen die door de overheid, het bedrijfsleven en de brandweer gezamenlijk zijn opgesteld om de veilige opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen te reguleren. PGS-richtlijnen worden gebruikt als toetsingskader bij vergunningverlening en handhaving op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Omgevingswet.
PGS-15 specifiek gaat over de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen — dat wil zeggen stoffen die zijn opgeslagen in hun originele of gecertificeerde verpakking, zoals vaten, jerrycans, IBC's, gasflessen en kleine flacons. PGS-15 is van toepassing op bedrijven die meer dan bepaalde drempelwaarden aan gevaarlijke stoffen opslaan en geldt voor uiteenlopende branches: laboratoria, industriële bedrijven, groothandels en opslag- en distributiebedrijven.
PGS staat voor Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. De reeks bestaat uit meerdere delen, elk gericht op een specifiek type gevaarlijke stof of opslagsituatie. Bekende PGS-richtlijnen naast PGS-15 zijn PGS-29 (bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks), PGS-37 (opslag van gasflessen) en PGS-12 (chloor). PGS-15 is de meest breed toepasbare richtlijn en geldt voor vrijwel alle bedrijven die verpakte gevaarlijke stoffen opslaan boven de drempelwaarden.
In het kader van PGS-15 worden gevaarlijke stoffen ingedeeld op basis van hun gevaarseigenschappen conform de CLP-verordening (GHS). De drie hoofdcategorieën zijn:
In de praktijk hanteert PGS-15 een meer gedetailleerde indeling op basis van de gevarenklassen uit de ADR (transport van gevaarlijke goederen over de weg), waarbij stoffen worden ingedeeld in klassen 2 t/m 9. Voor de dagelijkse labpraktijk zijn de bovenstaande drie hoofdcategorieën de meest relevante.
PGS-15 is van toepassing zodra de totale opgeslagen hoeveelheid gevaarlijke stoffen een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. De drempelwaarden zijn afhankelijk van de gevarenklasse en het type stof. Als globale richtlijn geldt:
PGS-15 maakt onderscheid tussen de werkvoorraad en de totale opgeslagen hoeveelheid. De werkvoorraad is de hoeveelheid gevaarlijke stof die direct op de werkplek aanwezig is voor dagelijks gebruik — denk aan een fles oplosmiddel naast een zuurkast of een klein vat zoutzuur bij een reinigingsstation. Voor de werkvoorraad gelden soepelere eisen dan voor de opslag in een officiële opslaglocatie, mits de hoeveelheid beperkt blijft tot wat strikt noodzakelijk is voor de lopende werkzaamheden. De exacte maximale werkvoorraadhoeveelheden zijn per stofklasse vastgelegd in PGS-15.
Een bedrijf of locatie is PGS-vrij wanneer de totale opgeslagen hoeveelheid gevaarlijke stoffen onder de drempelwaarden van PGS-15 blijft. PGS-vrij betekent niet dat er geen regels gelden: de algemene zorgplicht, de CLP-etiketteringsplicht en de REACH-verordening blijven van toepassing. Bovendien is het verstandig om ook bij kleine hoeveelheden te werken met lekbakken, afsluitbare opslagkasten en adequate persoonlijke beschermingsmiddelen.
De Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen bestaat uit meerdere afzonderlijke richtlijnen, elk gericht op een specifieke opslagsituatie of stofcategorie. Ze worden regelmatig herzien door de PGS-programmaraad, waarin overheid, bedrijfsleven en brandweer samenwerken. De richtlijnen worden gepubliceerd op de website van het PGS-programma en vormen de basis voor milieuvergunningen en de Activiteitenbesluit-toetsing door omgevingsdiensten.
PGS-richtlijnen zijn niet direct wettelijk verplicht, maar ze worden wel gebruikt als erkende beoordelingsmaatstaf door bevoegde gezagen (omgevingsdiensten, gemeenten). In de praktijk geldt: als een bedrijf boven de drempelwaarden opslaat en een omgevingsvergunning nodig heeft, zal de vergunning PGS-15 als toetsingskader hanteren. Voldoe je aan PGS-15, dan wordt aangenomen dat je aan de wettelijke eisen voldoet. Wijk je af, dan moet je aantonen dat je alternatieve maatregelen even veilig zijn.
Een PGS-richtlijn doorloopt vier ontwikkelingsstadia voordat ze definitief wordt:
Scheidingseisen zijn een kernonderdeel van PGS-15. De volgende combinaties zijn in principe niet toegestaan in dezelfde opslagruimte of hetzelfde vak:
PGS-37 gaat specifiek over de opslag van gasflessen en is opgesplitst in twee delen. PGS 37-1 behandelt de opslag van gasflessen in gebouwen (inpandig), inclusief eisen aan ventilatie, brandcompartimentering en maximale hoeveelheden per ruimte. PGS 37-2 gaat over de buitenopslag van gasflessen, met eisen aan omheiningen, afstanden tot gebouwen en openbare wegen, en noodventilatie. Beide delen zijn van belang voor laboratoria en industriële bedrijven die werken met persgas, zuurstof, stikstof of brandbare gassen zoals acetyleen en propaan.
De concrete opslagseisen uit PGS-15 zijn gericht op het voorkomen van brand, explosie, milieuverontreiniging en gezondheidsschade. Ze gelden voor de opslagruimte zelf, de verpakkingen, de inrichting en de organisatorische maatregelen.
De vier basisregels voor veilige chemicaliënopslag zijn:
De maximale hoeveelheden zijn afhankelijk van de stofklasse, de opslaglocatie en de aanwezigheid van brandveiligheidsvoorzieningen. Als globale richtlijn voor laboratoria:
Raadpleeg altijd uw omgevingsdienst of de actuele PGS-15-publicatie voor de exacte drempelwaarden voor uw specifieke stoffen en situatie.
Een lekbak is verplicht bij de opslag van vloeistoffen die bij lekkage schade kunnen veroorzaken aan het milieu of een brandhaard kunnen vormen. De lekbak vangt gemorste vloeistof op en voorkomt verspreiding naar riool, bodem of andere opslagzones. De basisregel: de lekbak moet minimaal 10% van de totale opgeslagen vloeistofhoeveelheid kunnen opvangen, of het volume van de grootste individuele verpakking — afhankelijk van welke groter is.
Lekbakken zijn er in diverse uitvoeringen:
Gecertificeerde opslagkasten bieden een brandveilige en van de omgeving afgeschermde opslagoplossing voor gevaarlijke stoffen. Ze zijn verkrijgbaar in verschillende uitvoeringen op basis van de te bewaren stofcategorie:
Een IBC (Intermediate Bulk Container) is een herbruikbare industriële verpakking voor vloeistoffen, poeders en granulaten in hoeveelheden van 500 tot 3.000 liter. De meest gebruikte uitvoering is de kunststof binnencontainer (HDPE) in een stalen framekooi op een pallet — de zogenoemde composiet IBC of GRV (grote rechthoekige verpakking). IBC's zijn UN-gecertificeerd voor transport en opslag van gevaarlijke stoffen en beschikken over een aftapkraan aan de onderzijde.
IBC's worden ingezet wanneer de hoeveelheid te bewaren vloeistof de capaciteit van jerrycans en vaten overstijgt, maar een vaste tank te groot of te inflexibel is. Typische toepassingen in een laboratorium- of industriële context zijn: opslag van reinigingschemicaliën, oplosmiddelen in grotere volumes, proceswater, zuren of basen voor neutralisatieprocessen, en afvalvloeistoffen voor periodieke afvoer.
IBC's met gevaarlijke vloeistoffen moeten altijd worden geplaatst op een lekbak met voldoende opvangcapaciteit (minimaal de volledige inhoud van de IBC: 1.000 liter bij een standaard IBC). De opslaglocatie moet voorzien zijn van adequate ventilatie, vloeistofdichte vloer en toegang voor nooddiensten. IBC's mogen niet worden gestapeld tenzij de constructie daarvoor is gecertificeerd. Na gebruik moet de IBC worden gereinigd voor hergebruik of worden afgevoerd via een erkend verwerker.
Voor kleinere hoeveelheden vloeistoffen zijn jerrycans en opslagvaten de meest gangbare opslagmiddelen. HDPE-jerrycans zijn verkrijgbaar van 5 tot 30 liter en zijn chemisch bestendig tegen de meeste zuren, basen en oplosmiddelen. RVS-vaten en -emmers zijn geschikt voor stoffen waarbij kunststof niet chemisch bestendig is. Alle verpakkingen voor gevaarlijke stoffen moeten voorzien zijn van een UN-keurmerk als ze worden gebruikt voor transport of opslag van stoffen boven bepaalde concentraties en hoeveelheden.
Gasflessen stellen specifieke eisen aan opslag vanwege de combinatie van hoge druk en het brandbare, toxische of oxiderende karakter van de inhoud. De eisen zijn vastgelegd in PGS-15 (inpandige opslag) en PGS-37 (zowel inpandig als buiten).
F-gassen (gefluoreerde broeikasgassen) zijn gassen die worden gebruikt in koelsystemen, klimaatinstallaties en als draaggas in laboratoria. De EU F-gassenverordening (EU 2024/573, van kracht per 2024) heeft de eisen voor gebruik, onderhoud en registratie van F-gassen aanzienlijk aangescherpt. Apparatuur die meer dan een bepaalde hoeveelheid F-gas bevat, moet worden geregistreerd in de Europese F-gassenportaal. Lekkagecontroles zijn verplicht voor grotere installaties. Voor laboratoria is de meest relevante maatregel dat bepaalde F-gassen gefaseerd worden verboden als koelmiddel, wat gevolgen heeft voor koelcellen en -apparatuur. Raadpleeg uw leverancier van koelinstallaties voor de specifieke eisen voor uw situatie.
Voor particulieren geldt dat kleine gasflessen voor gebruik met een barbecue of kampeerbrander thuis mogen worden bewaard, mits de fles buiten staat of in een goed geventileerde ruimte — nooit in een kelder of souterrain waar zwaar gas zich kan ophopen. Voor bedrijfsmatige opslag van gasflessen gelden altijd de PGS-15 en PGS-37 eisen, ongeacht de opslaglocatie.
Een PGS-15 audit is een controle waarbij wordt beoordeeld of de opslag van gevaarlijke stoffen voldoet aan de eisen van PGS-15. Audits worden uitgevoerd door de omgevingsdienst (als onderdeel van reguliere inspectie), door een intern kwaliteitssysteem (ISO 14001, ISO 45001) of door een externe veiligheidskundige in opdracht van het bedrijf zelf.
Bij een PGS-15 audit worden de feitelijk aanwezige hoeveelheden gevaarlijke stoffen vergeleken met de drempelwaarden uit PGS-15. Overschrijding van de drempelwaarden zonder adequate opslagvoorzieningen is een overtreding van het Activiteitenbesluit en kan leiden tot handhavingsmaatregelen, dwangsommen of stillegging. De grenswaarden zijn per stofklasse gepubliceerd in de actuele PGS-15-versie en worden door de omgevingsdienst getoetst aan de vergunning of de algemene regels van het Activiteitenbesluit.
Bij een inspectie op basis van PGS-15 worden doorgaans de volgende punten beoordeeld:
PGS-15 schrijft voor dat medewerkers die werken met of in de nabijheid van opgeslagen gevaarlijke stoffen aantoonbaar zijn geïnstrueerd over de risico's en de veiligheidsmaatregelen. Dit hoeft geen formele gecertificeerde opleiding te zijn, maar de instructie moet gedocumenteerd zijn. Voor specifieke functies — zoals veiligheidsadviseur gevaarlijke stoffen (VCA), intern noodplan of BRZO-bedrijf — gelden aanvullende opleidingseisen.
Bij de opslag en hantering van gevaarlijke stoffen horen de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM). Welke PBM vereist zijn, staat beschreven in het veiligheidsinformatieblad van de betreffende stof (rubriek 8). In het algemeen geldt bij werk met gevaarlijke stoffen: draag altijd een veiligheidsbril of spatbril, chemisch resistente handschoenen en een labjas of beschermend overhemd. Bij vluchtige stoffen of in slecht geventileerde ruimten is adembescherming aanvullend vereist. Zorg ook altijd voor een oogdouche en nooddouche binnen bereik bij werk met bijtende vloeistoffen.
Voor meer informatie over de classificatie en etikettering van gevaarlijke stoffen verwijzen we naar onze kennisbankartikelen over het veiligheidsinformatieblad (VIB/SDS) en over ATEX-richtlijnen voor explosieveilige omgevingen.
In een standaard opslagbox (zoals een zeecontainer of magazijnkast zonder speciale voorzieningen) mogen geen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen die boven de PGS-15 drempelwaarden vallen, tenzij de box voldoet aan de eisen voor brandveiligheid, ventilatie, lekopvang en scheiding van onverenigbare stoffen. Specifiek verboden in een niet-gecertificeerde opslagbox: brandbare vloeistoffen boven de werkvoorraadhoeveelheden, oxidatoren, zeer giftige stoffen en ongeconditioneerde gasflessen.
Aspirine (acetylsalicylzuur) is geen gevaarlijke stof in de zin van PGS-15 bij normale gebruikshoeveelheden. De vraag refereert vermoedelijk aan aceton of een andere brandbare vloeistof. Voor aceton (vlampunt −20 °C, brandbare vloeistof klasse I) gelden dezelfde opslagslimieten als voor andere brandbare vloeistoffen: maximaal 25 liter als werkvoorraad buiten een gecertificeerde kast, meer in een goedgekeurde brandstofkast of PGS-15-conforme opslagruimte.
In principe mag je als gebruiker geen gasflessen zelf vullen. Gasflessen zijn eigendom van de gasleverancier en mogen alleen worden gevuld door gecertificeerde vulstations met de juiste apparatuur en keuringen. Uitzonderingen gelden voor bepaalde specifieke toepassingen zoals CO₂-sifons voor dranken, maar dit valt buiten de industriële laboratoriumcontext. Laat gasflessen altijd ophalen en vervangen via uw gasleverancier.
Gasflessen in een laboratorium moeten rechtop staan, vastgezet zijn met een ketting of beugel, gescheiden worden bewaard van onverenigbare gassen, en worden opgeslagen in een geventileerde ruimte of gecertificeerde gasflessenkast. Volle en lege flessen worden apart gehouden. Bij inpandige opslag gelden de eisen uit PGS-15 en PGS 37-1. Raadpleeg uw arbodienst of veiligheidskundige voor een opslagplan dat is afgestemd op de specifieke gassen in uw laboratorium.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.