Roeren is in elk laboratorium een dagelijkse handeling, maar de keuze voor de juiste methode en het juiste apparaat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. De bewegingsvorm, het toerental, de viscositeit van het monster en de temperatuur bepalen samen of menging snel, uniform en reproduceerbaar verloopt — of juist niet. Op deze pagina gaan we diep in op de fysica van roeren, de werking van de belangrijkste apparaattypen en de factoren die de keuze bepalen. Voor schudders en rotatoren verwijzen we naar het aparte artikel over laboratoriumrotatoren en schudders.
In de Nederlandstalige laboratoriumpraktijk worden de termen roeren en mengen vaak door elkaar gebruikt; ook agitatie of roering komen voor als synoniemen. In de Engelstalige vakliteratuur wordt een onderscheid gemaakt tussen stirring — de roterende beweging van een werktuig in het vat — en mixing als het bredere proces van homogeniseren, dat ook schudden, vortexen en andere bewegingsvormen omvat.
Mengen is het homogeniseren van twee of meer stoffen tot een uniform mengsel. Het doel van mengen is het bereiken van een toestand waarin de concentratie van elke component overal in het vat gelijk is — zonder gradiënten in concentratie, temperatuur of dichtheid. In de laboratoriumpraktijk gaat het vrijwel altijd om het verdelen van opgeloste stoffen, vaste deeltjes of gassen door een vloeistof. In de laboratoriumpraktijk gaat het vrijwel altijd om het verdelen van opgeloste stoffen, vaste deeltjes of gassen door een vloeistof. Volledige menging is bereikt wanneer de concentratie van elke component overal in het vat gelijk is — er zijn geen gradiënten meer in concentratie, temperatuur of dichtheid.
In de praktijk wordt menging gestuurd door twee transportmechanismen:
Actief roeren versnelt het convectief transport en verkort de diffusieafstanden door het monster op te breken in steeds kleinere volumes. Een goed gemengd systeem bereikt uniformiteit niet doordat de diffusie sneller is, maar doordat de te overbruggen afstanden kleiner zijn geworden.
Een veelgestelde vraag in de laboratoriumpraktijk is wanneer men kiest voor roeren en wanneer voor schudden. Bij roeren brengt een werktuig — een staaf of blad — de vloeistof direct in beweging vanuit een vaste positie in het vat. Bij schudden beweegt het vat zelf, waardoor de inhoud meebeweegt. Roeren is geschikter voor grote volumes, hoge viscositeiten en toepassingen waarbij gelijktijdig verwarmen noodzakelijk is. Schudden en roteren zijn beter voor gevoelige monsters (cellen, beads, precipitaten) waarbij schuifkrachten schade kunnen aanrichten, en voor parallelle verwerking van meerdere buizen tegelijk. Een uitgebreide vergelijking van schudders en rotatoren leest u in het artikel over laboratoriumrotatoren en schudders.
Viscositeit is de weerstand die een vloeistof biedt tegen stromingsvervorming. In praktische termen: hoe hoger de viscositeit, hoe moeilijker de vloeistof stroomt en hoe meer kracht er nodig is om te roeren. Viscositeit is de variabele die meer dan welke andere de keuze van apparaat, roerblad en toerental bepaalt.
De dynamische viscositeit η (eta) beschrijft de inwendige wrijving van een vloeistof en wordt uitgedrukt in Pascal·seconde (Pa·s) of de verouderde eenheid centipoise (cP), waarbij 1 cP = 1 mPa·s. De kinematische viscositeit ν (nu) is de dynamische viscositeit gedeeld door de dichtheid: ν = η/ρ, uitgedrukt in m²/s of de verouderde eenheid centistokes (cSt). In de laboratoriumpraktijk wordt bijna altijd de dynamische viscositeit gebruikt.
Referentiewaarden voor veelgebruikte laboratoriumvloeistoffen bij 20 °C:
Bij newtoniaanse vloeistoffen — water, de meeste organische oplosmiddelen, dunne bufferoplossingen — is de viscositeit onafhankelijk van de schuifspanning: roer je harder, dan stroomt de vloeistof evenredig sneller. Bij niet-newtoniaanse vloeistoffen is dit niet het geval. Er zijn twee relevante typen voor de laboratoriumpraktijk:
Voor de keuze van het juiste roerapparaat is het nuttig om de viscositeit van het monster te kennen of te schatten. In de dagelijkse praktijk volstaat vaak een visuele vergelijking: stroomt de vloeistof snel als water (≤ 5 mPa·s), langzaam als olie (50–500 mPa·s) of nauwelijks nog (> 1 000 mPa·s)? Voor nauwkeurige metingen worden rotatieviscometers of capillairen ingezet, waarbij de meting altijd bij de gebruikstemperatuur moet plaatsvinden. Veel fabrikanten van biochemische reagentia en buffers vermelden de viscositeit in het technisch datasheet.
Viscositeit is sterk temperatuurafhankelijk — voor de meeste vloeistoffen geldt: hogere temperatuur = lagere viscositeit. Dit verband wordt goed beschreven door de Arrhenius-relatie voor vloeistoffen:
η = A · e(Ea/RT)
Waarbij Ea de activeringsenergie voor visceuze stroming is, R de gasconstante (8,314 J/mol·K) en T de absolute temperatuur in Kelvin. Voor water geldt specifiek:
De viscositeit van water daalt dus met een factor 6,4 tussen 0 °C en 100 °C. Dit heeft directe gevolgen voor de laboratoriumpraktijk:
Voor organische oplosmiddelen is de viscositeitsafhankelijkheid doorgaans minder sterk dan voor glycerol of polyolen, maar nog altijd significant. Aceton heeft bij 20 °C een viscositeit van 0,32 mPa·s — al dunner dan water — en wordt bij 40 °C nog dunner (≈ 0,27 mPa·s).
De aard van de stroming bij roeren — laminair of turbulent — bepaalt in hoge mate de mengefficiëntie. Dit wordt beschreven door het dimensieloze getal van Reynolds (Re):
Re = (ρ · N · D²) / η
Waarbij ρ de dichtheid van de vloeistof is (kg/m³), N het toerental van het roerblad (omwentelingen per seconde), D de diameter van het roerblad (m) en η de dynamische viscositeit (Pa·s).
In de laboratoriumpraktijk betekent dit concreet: bij het roeren van een waterige buffer in een bekerglas van 500 ml met een standaard magneetroerstaaf van 5 cm bij 300 rpm is Re typisch in de orde van 500–2000 — overgangsgebied, redelijk goede menging. Bij hetzelfde toerental in een glyceroloplossing van 80% is Re slechts in de orde van 1–5 — volledig laminair, menging nauwelijks.
Bij laminaire stroming bewegen de vloeistoflagen langs elkaar zonder onderling materiaaluitwisseling — transport tussen lagen is uitsluitend moleculaire diffusie, wat bij kamertemperatuur extreem traag is. Turbulente stroming genereert wervelingen op alle lengtesschalen: die wervelingen breken het monster voortdurend op in kleinere volumes en vernieuwen het grensvlak tussen lagen, waardoor de effectieve diffusie-afstanden sterk verkorten. Het resultaat is een mengsnelheid die tientallen tot honderden malen hoger ligt dan in de laminaire situatie. Voor analytische toepassingen waarbij homogeniteit snel bereikt moet worden — zoals bij het oplossen van zouten of het bereiden van standaardoplossingen — is turbulente stroming het gewenste regime. Voor gevoelige biologische preparaten kunnen de bijbehorende schuifkrachten echter nadelig zijn (zie ook de sectie over vortexmengers hieronder).
De magneetroerder (magnetic stirrer) is het meest gebruikte roerapparaat in het analytisch en preparatief laboratorium. Het principe is eenvoudig: een elektromotor drijft een draaiend magneet aan onder het platform; een magneetroerstaafje — een permanent magneet in een PTFE-coating — volgt dat veld en roteert mee in het vat.
De magneetroerstaaf (stir bar, flea) is verkrijgbaar in een reeks vormen die elk een ander stromingsprofiel geven:
De PTFE-coating is chemisch inert tegenover vrijwel alle organische oplosmiddelen, zuren en basen, maar slijt bij intensief gebruik met abrasieve vaste stoffen. Versleten coating kan metaalcontaminatie in het monster veroorzaken — wissel staafjes regelmatig en controleer op beschadigingen.
Een zesde variant die minder vaak wordt vermeld maar in visceuze media relevant is, is de H-bar (ook wel retriever-staaf of ring-staaf): een PTFE-staaf met een centrale dwarsrib of ringvorm die de magnetische koppeling bij hogere weerstand verbetert. De H-bar is geschikt voor oplossingen met lichte suspensies of voor media waarbij een cilindrische staaf te snel loskoppelt, zonder dat de sprong naar een overhead roerder noodzakelijk is.
Bij de keuze van de staafvorm gelden drie praktische vuistregels: gebruik de kleinste staaf die nog voldoende menging geeft (minder massa = minder kans op loskoppelen), kies een octagonale of kruis-staaf bij onregelmatige vatbodems (beter bodemcontact), en gebruik een micro-staaf in buizen en vials in combinatie met een multistirrer die meerdere posities tegelijk aandrijft.
Loskoppeling — het moment waarop de roerstaaf stopt met roteren terwijl het platform nog draait — is de meest voorkomende storingsoorzaak bij magneetroerders. Dit treedt op wanneer de magnetische koppelkracht te klein is ten opzichte van de weerstand die de vloeistof biedt. Concrete oorzaken zijn: een te hoog toerental (het magneetveld roteert te snel voor de staaf om te volgen), een te hoge vloeistofviscositeit, een te grote of te zware roerstaaf in relatie tot het magneetvermogen van het apparaat, een vat dat te ver van het platform staat (afstand verzwakt het veld kwadratisch), en de aanwezigheid van ferromagnetische deeltjes in het monster. De oplossing is altijd het toerental verlagen tot de staaf opnieuw synchroniseert, en daarna geleidelijk terug te verhogen. Blijft loskoppeling optreden, overweeg dan een kleinere staafvariant, een krachtigere roerder of een overhead roerder.
Magneetroerstaafjes reinigt u na gebruik door ze te spoelen met het oplosmiddel dat als laatste in het vat aanwezig was, gevolgd door een spoeling met gedemineraliseerd water en eventueel ethanol. Hardnekkige aankoeksels — ingedroogde zouten, eiwitresten — lost u op door de staafjes te laten weken in een mild zuur (0,1 M HCl) of een enzymoplossing, afhankelijk van de verontreiniging. Controleer na het reinigen de PTFE-coating visueel op krassen of slijtage: beschadigde coating is niet alleen een contaminatierisico maar zorgt ook voor versneld slijtage van de glasbodem. Staafjes met zichtbare coating-beschadiging dienen vervangen te worden. Autoclaveren bij 121 °C is mogelijk voor PTFE-staafjes, maar sommige kleurstoffen in gekleurde staafjes kunnen bij herhaald autoclaveren uitlogen.
Bij lage toerentallen (50–200 rpm voor waterige vloeistoffen) is de stroming laminair en geordend. Naarmate het toerental toeneemt, ontstaat er een vortex: de vloeistof in het midden zakt weg doordat de centrifugaalkracht de vloeistof naar buiten duwt. Een vortex is nuttig — het vergroot de menglengtes en versnelt de overdracht van opgeloste gassen aan het vloeistofoppervlak — maar bij te hoge vortex treden problemen op:
De optimale instelling is het laagste toerental waarbij de vortex net de bodem bereikt — dit geeft maximale axiale menging zonder luchtinname of loskoppeling.
De magneetroerder heeft duidelijke grenzen. Gebruik geen magneetroerder bij:
De verwarmingsplaat met magneetroerder combineert een keramisch of aluminium verwarmingselement met een ingebouwde roterende magneet. Dit maakt gelijktijdig verwarmen en roeren mogelijk — essentieel bij oplossen van moeilijk oplosbare vaste stoffen, het bereiden van agarose, het koken van buffers of het uitvoeren van reacties bij verhoogde temperatuur.
De keuze hangt in de eerste plaats af van het te verwachten chemisch contact. Werkt u met geconcentreerde zuren, sterk oxiderende middelen of agressieve oplosmiddelen, dan verdient een keramisch verwarmingsvlak de voorkeur vanwege de hogere chemische bestendigheid. Voor algemeen laboratoriumgebruik met waterige buffers en milde reagentia is een aluminium vlak eveneens geschikt en heeft het voordeel dat het sneller op temperatuur komt en nauwkeuriger reageert op veranderingen in de temperatuurinstelling — relevant als u een reactie nauwkeurig op temperatuur wilt houden. Voor toepassingen waarbij de plaat regelmatig schoongemaakt moet worden met oplosmiddelen of waarbij kans bestaat op het morsen van zuren, is keramisch de veiligste keuze.
De ingebouwde temperatuursensor van een hotplate meet de temperatuur van het verwarmingsvlak, niet van het monster. Bij gebruik van een oliebad of waterbad als tussenmedium kan het monster 20–50 °C koeler zijn dan de ingestelde vlaktemperatuur. Gebruik altijd een externe Pt100- of thermocouple-voeler gedompeld in het monster voor nauwkeurige temperatuurregeling. Meer over de werking en het meetbereik van PT100, NTC en thermokoppels leest u in het artikel over temperatuurmeting in het laboratorium. Moderne hotplates hebben daarvoor een externe voeleringang. Zonder externe voeler is de temperatuur van het monster in het beste geval een schatting.
Bij verhitting boven 100 °C geldt: zorg voor een terugslagkoeler of een luchtkoeler om verdamping te beperken. Bij ontvlambare oplosmiddelen is werken op een hotplate in open lucht niet toegestaan — gebruik een waterbad of siliconenoliebad als verwarmingsmedium en werk in een zuurkast. Houd een minimale vloeistofhoogte in het vat aan om droogkoken te voorkomen.
Een overhead roerder (ook: mechanische roerder, top-drive stirrer) bestaat uit een elektromotor die via een as een roerblad aandrijft dat in het vat is gedompeld. In tegenstelling tot de magneetroerder is de koppeling direct mechanisch: er is geen magnetisch grensvlak dat kan bezwijken bij hoge belasting.
De overhead roerder is de aangewezen keuze zodra de magneetroerder zijn grenzen bereikt. Concreet: bij vloeistofvolumes boven circa 2–5 L, bij viscositeiten boven 50–100 mPa·s, bij monsters met hoge concentraties vaste deeltjes of abrasieve bestanddelen, en bij toepassingen waarbij nauwkeurige procesbewaking van koppel en toerental vereist is. Veel overhead roerders beschikken over een digitale koppel- en toerentalmeting, waarmee de operator de consistentie van het mengproces kwantitatief kan volgen — waardevol bij scale-up van reacties of bij validatie van mengprotocollen. Voor toepassingen waarbij de roerder langdurig (uren tot dagen) onbeheerd moet werken, biedt de directe mechanische koppeling van een overhead roerder ook meer zekerheid dan de magnetische koppeling van een magneetroerder.
Overhead roerders zijn beschikbaar in een breed vermogensbereik: van kleine modellen voor volumes van 0,1–5 L bij toerentallen van 20–2000 rpm, tot industriële modellen voor honderden liters bij lage toerentallen met hoog koppel. Het koppel (Nm) — de draaimoment-capaciteit — is de relevante parameter bij hoog-visceuze toepassingen, niet het toerental. Een roerder met hoog maximaal toerental maar laag koppel springt vast in een glycerolrijke oplossing even goed als een magneetroerder.
Het roerblad bepaalt het stromingsprofiel en daarmee de mengefficiëntie voor een specifieke toepassing. De zes meest gebruikte typen in het laboratorium, in oplopende volgorde van viscositeitsbereik:
De keuze tussen deze typen is primair een viscositeitskeuze. Onderstaande tabel geeft de aanbevolen combinaties:
Beide roerbladen zijn ontworpen voor hoog-visceuze toepassingen, maar ze pakken het mengprobleem op een andere manier aan. Het ankerblad volgt de wand en bodem van het vat nauwgezet (D/T ≈ 0,90–0,95) en scraapt aangehechte lagen los. Dit geeft uitstekende warmteoverdracht via de wand en voorkomt aanbranden of aankoeken, maar de mengwerking is hoofdzakelijk horizontaal: lagen boven en onder het blad worden nauwelijks actief uitgewisseld. Het spiraalblad (helix) voegt een axiale component toe: de helixgeometrie transporteert vloeistof actief over de volledige vathoogte, van de bodem naar het oppervlak of omgekeerd. Dit is noodzakelijk bij producten waarbij het ankerblad wel de onderste zone beroert maar de bovenkant van het vat ongemengd laat — een situatie die zich voordoet bij extreem visceuze mengsels (> 10 000 mPa·s) of bij vaten met een grote hoogte-breedteverhouding.
Een vuistregel: de diameter van het roerblad (D) bedraagt 30–50% van de interne vatdiameter (T). Bij D/T < 0,25 is de mengzone te klein en ontstaan dode zones bij de wand. Bij D/T > 0,6 neemt de kracht op de as sterk toe en bestaat het risico op beschadiging van het monster of het apparaat. Voor anker- en spiraalbladen ligt D/T typisch op 0,90–0,95 omdat het blad juist de wand moet schoonhouden.
Een vortexmenger (vortex mixer, whirlimixer) brengt een buishouder in een snelle, excentrieke beweging die een krachtige wervelstroming in het vat veroorzaakt. Dit is de snelste manier om kleine volumes (0,5–50 ml) volledig te mengen — typisch in enkele seconden.
Het werkingsprincipe: de motor drijft een excentrieke schijf aan die de vaathouder in een kleine, snelle cirkelvormige beweging brengt. De vloeistof in het vat volgt die beweging niet volledig — er ontstaat een intensieve roterende wervelstroom die het monster in zeer korte tijd homogeniseert.
Vortexmengers werken in twee modi:
Er bestaat geen universele mengduur voor de vortexmenger: de benodigde tijd hangt af van het volume, de viscositeit en de aard van de te mengen stoffen. Als richtlijn geldt dat een waterige oplossing in een microcentrifugebuis (1,5 ml) bij vol toerental in 3–5 seconden homogeen is. Grotere volumes (15 ml, 50 ml Falcon-buizen) vergen doorgaans 10–30 seconden bij maximaal vermogen. Vaste stoffen die nog niet volledig zijn opgelost, kunnen een langere pulsenreeks vereisen met tussendoor visuele controle. Bij gevoelige monsters — enzymen, celextracten, DNA-preparaten — gebruikt u de kortst mogelijke puls die volstaat voor homogenisatie, en controleert u daarna activiteit of integriteit. Het is beter om meerdere korte pulsen te geven dan één lange sessie, zodat u de homogenisering stap voor stap kunt beoordelen. Voor intensievere desintegratie van weefsel, cellen en vaste deeltjes — waarbij een vortexmenger niet volstaat — zie het artikel Homogenisatie van monsters in het laboratorium.
De vortexmenger is uitstekend geschikt voor:
Gebruik geen vortexmenger bij:
Dit is een van de meest gestelde vragen in de biowetenschappelijke laboratoriumpraktijk. Het antwoord is: met terughoudendheid, en afhankelijk van het eiwit. De schuifkrachten die een vortexmenger genereert, kunnen de tertiaire structuur van gevoelige eiwitten verstoren, wat leidt tot gedeeltelijke denaturatie, aggregatie of activiteitsverlies. Robuuste eiwitten — zoals BSA of veel buffereiwitten — overleven korte vortexpulsen doorgaans zonder meetbaar kwaliteitsverlies. Enzymen met een labile actieve site, membraaneiwitten en antilichamen zijn gevoeliger. De aanbevolen aanpak voor eiwitoplossingen is zachte inversie (het vat omdraaien), een rotator of een langzame wiegschudder. Als vortexen onvermijdelijk is — bijvoorbeeld voor het resuspenderen van een neergeslagen pellet — gebruik dan de kortst mogelijke puls en controleer de activiteit of helderheid van de oplossing daarna. Koude monstervaten (op ijs) verlagen de schuifspanning iets doordat de hogere viscositeit de wervelintensiteit beperkt.
De relatie tussen toerental, vermogen en viscositeit is niet lineair. Het benodigde vermogen P om een roerblad op toerental N te draaien in een vloeistof met viscositeit η en dichtheid ρ wordt beschreven door:
P = NP · ρ · N³ · D⁵
Waarbij NP het dimensieloze vermogengetal (Power number) is — een bladspecifieke constante die afhangt van het Reynolds-getal en de bladgeometrie. Voor een standaard Rushton-turbine bij volledig turbulente stroming is NP ≈ 5. Voor een propellerblad is NP ≈ 0,3. Dit betekent dat bij gelijkblijvend toerental en vatafmeting een Rushton-turbine circa 17× meer vermogen verbruikt dan een propellerblad — maar ook aanzienlijk meer turbulentie en gasverspreiding genereert.
Praktische implicaties:
De mengtijd θm — de tijd tot volledige homogenisatie — is in de turbulente stroming omgekeerd evenredig met het toerental:
θm · N = constante (≈ 30–60 voor standaard geometrieën)
Dit betekent dat bij 300 rpm de mengtijd typisch 6–12 seconden bedraagt voor een goed ontworpen opstelling. Bij 60 rpm is dat 30–60 seconden. In de laminaire stroming (hoog-visceuze vloeistoffen) schaalt de mengtijd veel ongunstiger — hier domineert diffusief transport en zijn mengtijden van minuten tot uren normaal voor uniforme verdeling over afstanden van centimeters.
De mengtijd verkorten zonder het toerental te verhogen is mogelijk door de geometrie van het systeem aan te passen. Effectieve maatregelen zijn: een groter roerblad kiezen (D/T vergroten tot het aanbevolen bereik van 0,3–0,5), baffels aanbrengen in het vat — verticale platen langs de wand die de tangentiële stroming omzetten in axiale stroming en de vortexvorming onderdrukken — en de vulhoogte van het vat beperken tot maximaal tweemaal de vatdiameter. Baffels verdubbelen de mengefficiëntie in het turbulente regime zonder extra energieverbruik. In de laminaire stroming helpen baffels nauwelijks: daar is het vergroot van de roeroppervlakte (spiraalblad, ankerblad) de enige effectieve ingreep.
Reproduceerbaarheid van mengcondities is in analytisch werk even belangrijk als de juiste apparaatkeuze. Houd daarvoor rekening met het volgende:
Voor toepassingen die meer mechanische kracht vereisen dan roeren of vortexen — zoals celontsluiting, DNA-fragmentatie en emulgering op nanoschaal — wordt sonicatie ingezet, een techniek gebaseerd op ultrasone cavitatie.
Labvakhandel levert magneetroerders, hotplates met roerder, overhead roerders en vortexmengers voor uiteenlopende laboratoriumtoepassingen: van eenvoudige analytische opstelling tot veeleisende preparatieve toepassingen. Bekijk het volledige assortiment in de categorie roeren, schudden & mengen, of neem contact op voor advies bij de keuze van het juiste roerblad of de juiste roerder voor uw viscositeit en volume.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.