De theorie van Gy: bemonsteringsfouten kwantificeren

De theorie van Gy — formeel de Theory of Sampling (TOS) — is een wiskundig raamwerk dat beschrijft welke fouten er optreden bij de bemonsteringsperiode van heterogene materialen, hoe groot die fouten zijn en hoe u ze kunt minimaliseren. De theorie is ontwikkeld door de Franse ingenieur Pierre Gy (1924–2015) en geldt als de wetenschappelijke grondslag voor verantwoorde monsterneming in de analytische chemie, mijnbouw, voedingsindustrie en procesindustrie. Het kernargument: een fout in de bemonsteringsfase is door geen enkele analytische techniek achteraf te compenseren. Wie fouten wil beheersen, begint bij de monstername.

De TOS is de basis achter de uitdrukking representatieve monsterneming: het idee dat een deelmonster statistisch dezelfde samenstelling moet hebben als de bulk waaruit het wordt genomen. TOS maakt dit concept meetbaar en bruikbaar voor de praktijk.

Overzicht van de zeven bemonsteringsfouten uit de theorie van Gy (TOS): FSE, GSE, DE, EE, PE, CE1 en CE2
Figuur 1 — De zeven bemonsteringsfouten uit de theorie van Gy, ingedeeld naar materiaalgebonden en procesgebonden origine

Wie was Pierre Gy?

Pierre Maurice Gy (1924–2015) was een Frans schei- en mijnbouwkundig ingenieur die zijn loopbaan begon in de mijnbouwindustrie. Zijn werk aan de variabiliteit van ertsstalen bracht hem in de jaren vijftig van de twintigste eeuw tot de conclusie dat de heersende bemonsteringspraktijk niet wetenschappelijk was onderbouwd. Hij ontwikkelde vervolgens gedurende decennia een coherente mathematische theorie die alle bronnen van bemonsteringsfout omvat, kwantificeert en hiërarchisch ordent. Zijn standaardwerk Sampling of Particulate Materials (eerste editie 1979) werd de internationale referentie voor het vakgebied. Gy werkte later samen met internationale groepen die zijn theorie verder formaliseerden onder de naam Theory of Sampling (TOS), een term die nu de standaard is in de wetenschappelijke literatuur.

Wat is de Theory of Sampling (TOS)?

De Theory of Sampling (TOS) is de verzamelterm voor het door Gy ontwikkelde kader. TOS definieert de totale bemonsteringsfout (TE) als de optelsom van zeven afzonderlijke fouten, elk met een eigen oorzaak en een eigen mogelijkheid tot reductie. De fout die inherent is aan het materiaal zelf (FSE) is nooit volledig te elimineren, maar kan binnen grenzen worden gehouden door de juiste monstermassa en de juiste reductie van de korrelgrootte. De overige zes fouten zijn in principe vermijdbaar door goed ontworpen procedures en apparatuur.

TOS geldt voor alle heterogene materialen: vaste poeders en granulaten, suspensies, slurries, vloeibare stromen en zelfs gasvormige emissies waarbij deeltjes aanwezig zijn. De basisvraag die TOS beantwoordt, is: hoe groot moet het monster zijn, en hoe moet het worden genomen, om een vooraf gedefinieerde meetonzekerheid niet te overschrijden?

Heterogeniteit als oorzaak van bemonsteringsfouten

Gy onderscheidt twee typen heterogeniteit die aan de basis liggen van alle bemonsteringsfouten:

Constitutionele heterogeniteit (CH) is de variatie in samenstelling tussen de afzonderlijke deeltjes of eenheden waaruit het materiaal bestaat. Zelfs als de deeltjes willekeurig zijn gemengd, verschilt elk deeltje in grootte, dichtheid of chemische samenstelling van zijn buren. Deze heterogeniteit is onlosmakelijk verbonden met de aard van het materiaal en bepaalt de omvang van de fundamentele bemonsteringsfout (FSE). CH kan niet worden geëlimineerd, maar wordt verkleind door de deeltjesgrootte te reduceren — malen, vermalen of zeven — waardoor de individuele deeltjes compositioneel meer op elkaar lijken.

Distributieheterogeniteit (DH) is de variatie in samenstelling die voortkomt uit de ruimtelijke rangschikking van de deeltjes binnen de bulkpopulatie. Een gelijkmatig gemengd materiaal heeft een lage DH; een materiaal waarbij zware deeltjes naar de bodem zijn gezakt (segregatie) heeft een hoge DH. DH is de oorzaak van de segregatie- en groeperingsfout (GSE). DH kan worden gereduceerd door homogenisering voor de monstername.

De zeven bemonsteringsfouten

De totale bemonsteringsfout (TE) is de som van zeven componentfouten. In de TOS worden deze gegroepeerd in twee categorieën: materiaalgebonden fouten (FSE en GSE) en procesgebonden fouten (DE, EE, PE, CE₁ en CE₂).

FSE — Fundamentele bemonsteringsfout (Fundamental Sampling Error)

De FSE is de minimaal haalbare fout bij de monstername van een heterogeen materiaal, ook als de procedure perfect wordt uitgevoerd. Zij vloeit voort uit de constitutionele heterogeniteit: omdat elk deeltje een andere samenstelling heeft, bevat elk deelmonster van beperkte massa per definitie iets meer of minder van de component die u wilt analyseren dan de bulk. De FSE is altijd aanwezig en kan nooit nul zijn; ze kan alleen worden geminimaliseerd door de monstergrootte te vergroten of de korrelgrootte te verkleinen. Verdubbeling van de monstergrootte verkleint de FSE-variantie met de helft. Verkorting van de maximale korrelgrootte met factor 2 vermindert de FSE-variantie met een factor 8 (want FSE ~ d³). De FSE is het referentiepunt van de hele theorie: alle andere fouten kunnen worden gezien als vermijdbare toevoegingen bovenop de onvermijdelijke FSE.

GSE — Segregatie- en groeperingsfout (Grouping and Segregation Error)

De GSE ontstaat doordat deeltjes in een heterogeen materiaal niet willekeurig verdeeld zijn, maar geneigd zijn te groeperen of te segregeren. Zware deeltjes zakken naar de bodem, fijne deeltjes komen bovenop te liggen bij het storten, cohesieve poeders vormen klonters. Wanneer het monster altijd van dezelfde locatie wordt genomen, wordt een niet-representatief deel van de distributie bemonsterd. De GSE is in principe vermijdbaar door het materiaal voor de monstername te homogeniseren, door meerdere incrementen over de hele partij te nemen en te combineren, of door systematische roulering van de bemonsteringspositie. In de praktijk is GSE bij slecht gemengde poeders en granulaten minstens zo groot als de FSE — soms veel groter.

DE — Afbakeningsfout (Delimitation Error)

De DE is een procesgebonden fout die optreedt doordat de geometrie van het bemonsterde volume niet correct is. Bij het nemen van een snede uit een vallend materiaalstroom moet de snede geometrisch correct zijn: alle deeltjes die door de snede passeren, moeten gelijke kansen hebben om in het monster terecht te komen. Als de bemonsteringsschep of het bemonsterde volume een verkeerde vorm heeft — te smal, te breed of met scherpe randen — worden sommige deeltjes stelselmatig bevoordeeld of uitgesloten. Een korrelvorm waarbij de schep net niet het volledige stromingsprofiel snijdt, is een klassieke DE. DE is geheel vermijdbaar door de bemonsteringsopstelling correct te ontwerpen en te valideren. Gy gaf hiervoor de richtlijn dat de breedte van de bemonsteringsopening minimaal drie keer de maximale korrelgrootte moet zijn.

EE — Extractiefout (Extraction Error)

De EE treedt op wanneer het afgebakende volume niet volledig en onvervormd wordt meegenomen. Grote deeltjes die op de rand van de schep liggen en terugvallen, fijn poeder dat door de opening wegwaait, of vloeistof die lekt tijdens de monstername: allemaal EE. Zoals de DE een fout is in de definitie van het monster, is de EE een fout in de uitvoering van die definitie. EE is vermijdbaar door de bemonsterings­apparatuur goed te onderhouden, te valideren en met voldoende capaciteit te dimensioneren.

PE — Voorbereidingsfout (Preparation Error)

De PE omvat alle fouten die optreden tijdens de monstervoorbereiding in het laboratorium: kruisbesmetting door onvoldoende reiniging van apparatuur, verdamping van vluchtige componenten, verlies van fijne deeltjes bij het verkleinen van het monster (monsterreductie), verandering van samenstelling door oxidatie of vochtige absorptie, en fouten bij het verdelen van een groot monster in analyseporcies. PE is vermijdbaar door strikte werkinstructies, gedocumenteerde procedures en goed onderhouden apparatuur. De GLP-principes en de eisen uit ISO 17025 voor monstervoorbereiding zijn direct gericht op het minimaliseren van de PE.

CE₁ — Langetermijnfluctuatiefout (Long-range Fluctuation Error)

De CE₁ is een procesgebonden fout die veroorzaakt wordt door systematische trends of driften in de samenstelling van de bron over de tijd of de ruimte. Als een productie­partij aan het begin anders van samenstelling is dan aan het einde — doordat grondstoffen variëren of een batch-proces driftet — en het monster alleen aan het begin of alleen aan het einde wordt genomen, geeft het monster de gemiddelde batchsamenstelling niet correct weer. CE₁ wordt gereduceerd door de monstername tijdproportioneel of debietproportioneel te spreiden over de gehele productie­periode.

CE₂ — Periodieke fluctuatiefout (Periodic Fluctuation Error)

De CE₂ ontstaat door cyclische variaties in de samenstelling van het materiaal, waarbij de cyclus synchroon loopt met de bemonsteringsfrequentie. Als een mengproces een pulserende pompbeweging heeft die samenvalt met het tijdstip van monstername, wordt steeds hetzelfde deel van de cyclus bemonsterd. CE₂ is te vermijden door de bemonsteringsfrequentie bewust asynrhoon te kiezen ten opzichte van de cyclustijd van het proces, of door gebruik van continue automatische bemonsteringsapparatuur.

De fundamentele bemonsteringsvergelijking

De kwantitatieve basis van de TOS wordt gevormd door de formule voor de variantie van de fundamentele bemonsteringsfout (σ²FSE):

σ²FSE = (1/Ms − 1/ML) × c × f × g × l × d³

Voor de meeste praktijksituaties geldt dat ML veel groter is dan Ms, zodat 1/ML verwaarloosbaar klein is en de formule vereenvoudigt tot:

σ²FSE ≈ (c × f × g × l × d³) / Ms

Symbool Naam Toelichting
σ²FSE FSE-variantie Doelwaarde afhankelijk van de gewenste meetonzekerheid
Ms Monstergrootte Massa van het te nemen monster (g of kg); vergroot Ms om FSE te reduceren
ML Lotgrootte Totale massa van de partij of batch; bij ML >> Ms te verwaarlozen
c Constitutionele heterogeniteitsfactor Samengestelde factor die de variatie in samenstelling en dichtheid tussen deeltjes weergeeft; materiaalspecifiek
f Vormfactor Geometrische factor voor deeltjesvorm: 0,5 voor bollen, hoger voor onregelmatige deeltjes
g Grootteverdelingsfactor Correctie voor de breedte van de deeltjesgrootteverdeling; g = 0,25 voor brede verdeling, g = 1 voor monodisperss
l Liberatiefactor Graad van vrijligging van het doeelcomponent; l = 1 als component volledig vrij is, kleiner als ingekapseld
d Nominale korrelgrootte Karakteristieke maximale deeltjesgrootte (d95 of d90); bepalend omdat σ²FSE ~ d³

De relatie σ²FSE ~ d³ is de meest praktisch waardevolle uitkomst van de formule: het halveren van de maximale deeltjesgrootte reduceert de FSE-variantie met een factor acht. Dit verklaar waarom gravimetrische analyses altijd worden voorafgegaan door malen of zeven, en waarom deeltjesgroottebepaling via laserdiffractie nauw samenhangt met bemonsteringstheorie.

De gulden regel van Gy: minimale monstergrootte

Uit de FSE-formule volgt de zogenaamde gulden regel van Gy: de minimale monstergrootte Ms,min die nodig is om de FSE-variantie beneden een gewenste drempelwaarde σ²max te houden is:

Ms,min = (c × f × g × l × d³) / σ²max

De praktische strekking: hoe groter de deeltjes en hoe groter de variatie in samenstelling tussen de deeltjes, hoe meer monster nodig is om een bepaalde nauwkeurigheid te garanderen. Voor een ertsstaal met grote klompen en sterk wisselende gehalten zijn monsters van tientallen kilogrammen geen uitzondering. Voor een homogeen chemicaliën met kleine deeltjes volstaat een fractie van een gram. De gulden regel koppelt de monstergrootte aan meetbare materiaaleigenschappen en maakt de bemonsteringskeuze rationeel onderbouwbaar in plaats van ervaringsgericht.

In de praktijk worden de materiaalparameters c, f, g en l bepaald via karakteriseringsmetingen of ontleend aan literatuurwaarden voor vergelijkbare materialen. De analytische balans die wordt gebruikt voor de weighing van het monster, introduceert zijn eigen meetonzekerheid die afzonderlijk moet worden begroot en niet in de FSE-formule zit.

De kwart-aanpak voor poeders en vaste monsters

De kwart-aanpak (quartering) is een klassieke praktijkmethode om een groot poedermonster te reduceren tot een kleinere, representatieve portie voor laboratoriumanalyse. De methode werkt als volgt:

  1. Giet het materiaal op een schone, vlakke ondergrond tot een kegel.
  2. Plat de kegel af tot een cirkelschijf van uniforme hoogte.
  3. Verdeel de schijf in vier gelijke kwartten met twee loodrechte sneden.
  4. Bewaar twee diagonaal tegenoverliggende kwartten en verwijd de andere twee.
  5. Combineer de twee bewaarde kwartten en herhaal de procedure totdat de gewenste hoeveelheid is bereikt.

De kwart-aanpak is een praktische benadering van de statistische deelmethode (riffle splitting), maar is gevoelig voor menselijke fouten bij de uitvoering. Een rotary divider of riffle splitter geeft voor goed-stromende poeders een nauwkeuriger resultaat. Voor kleverige, cohesieve of hygroscopische poeders zijn beide methoden beperkt bruikbaar en wordt instrumentele monsterreductie via een geschikte verkleinings- en verdeelcombinatie aanbevolen. De vochtbepaling is bij dergelijke poeders ook relevant, omdat vochtige deeltjes anders segregeren dan droge.

TOS in gereguleerde omgevingen

De beginselen van de Theory of Sampling zijn impliciet of expliciet terug te vinden in een reeks internationale normen en kwaliteitskaders:

ISO 11648 (Statistical aspects of sampling from bulk materials) beschrijft een op TOS gebaseerde aanpak voor de bemonsteringsplanning van vaste massagoederen en geeft aanbevelingen voor het bepalen van de minimale monstergrootte op basis van de materiaaleigenschappen.

ISO 3082 (Iron ores — Sampling and sample preparation procedures) bevat gedetailleerde bepalingen voor bemonsteringsapparatuur, increment-grootte en reductie­procedures die direct zijn afgeleid van Gy's werk.

Onder GLP (Good Laboratory Practice) is de monstervoorbereiding een kritisch processtap die volledig gedocumenteerd moet zijn. GLP vereist dat de gebruikte monstervoorbereidingsprocedure gevalideerd en traceerbaar is — wat direct aansluit op het reduceren van de PE uit de TOS.

Onder ISO 17025 moet een laboratorium de totale meetonzekerheid rapporteren, inclusief de bijdrage van de monstername. Dat vereist een kwantitatieve schatting van de bemonsteringsfout — wat TOS exact levert. Zonder een op TOS gebaseerde analyse is de ISO 17025-eis voor complete meetonzekerheidsbegroting voor heterogene monsters lastig aantoonbaar te voldoen.

Onder GMP (Good Manufacturing Practice) worden inkomsten- en eindproductcontroles uitgevoerd op basis van bemonsteringsplannen. De acceptatiecriteria voor de bemonsteringsprocedure (frequentie, locatie, hoeveelheid) worden ondersteund door TOS-berekeningen.

De validatie van analytische methoden (ICH Q2) gaat in op precisie, juistheid en robuustheid, maar de validatie omvat formeel ook de monstervoorbereidingsstap. TOS biedt het theoretisch kader om die validatiescope te definiëren.

Toepassingen per industrie

Mijnbouw en ertsverwerkingsindustrie. De mijnbouwindustrie is historisch gezien het domein waar Gy zijn theorie ontwikkelde. De economische consequenties van een bemonsteringsfout bij ertsen zijn groot: een systematisch te hoge of te lage schatting van het gehalte kan investeringsbeslissingen voor miljoenen euro's beïnvloeden. Automatische bemonsteringsinstallaties op transportbanden zijn ontworpen met strikte toepassing van de DE- en EE-criteria uit de TOS.

Farmaceutische industrie. Inkomende grondstofcontrole, mengvalidatie en eindproductbemonstering zijn alle aan bemonsteringsregels gebonden. De deeltjesgrootte van werkzame stoffen is rechtstreeks gerelateerd aan de FSE via de d³-relatie: dezelfde API kan bij een grove korrel een veel grotere monstergrootte vereisen dan bij een fijn poeder. Zie ook de laserdiffractie als methode voor deeltjes­groottebepaling in dit kader.

Voedingsindustrie. Bulkgranen, gemengde diervoeding, kruiden en specerijen zijn typisch heterogene materialen met grote segregatieneiging. De FAO/AOAC-normen voor voedselanalyse verwijzen naar TOS-principes voor het bepalen van minimum monstergrootten.

Milieu- en wateranalyse. Bij bodem- en sedimentbemonstering is de constitutionele heterogeniteit groot. Het nemen van meerdere incrementen op systematisch gekozen locaties en het poolen ervan tot één mengmonster is de TOS-aanpak voor het reduceren van de distributieheterogeniteit in milieumonsters. Zie het artikel over monsterneming en bemonstering voor de praktische uitvoering bij wateranalyse.

Procesanalyse en procesbewaking. Bij continue processen is de tijdvariatie (CE₁ en CE₂) een dominante bemonsteringsfout. ICP-MS- en ICP-OES-analyses van processtromen vereisen representatieve bemonstering van een continu varierende stroom — TOS biedt de methodologie voor het ontwerpen van het bemonsteringsprotocol.

Veelgestelde vragen over de theorie van Gy

Wat is de Theory of Sampling?

De Theory of Sampling (TOS) is het door Pierre Gy ontwikkelde wiskundige raamwerk dat alle bronnen van bemonsteringsfout bij heterogene materialen beschrijft, kwantificeert en hiërarchisch ordent. TOS onderscheidt zeven componenten van de totale bemonsteringsfout (TE) en geeft formules waarmee de minimale monstergrootte voor een gewenste meetonzekerheid kan worden berekend. De kernformule is de FSE-variantievergelijking: σ²FSE = (c × f × g × l × d³) / Ms.

Wat is de gulden regel van Gy?

De gulden regel van Gy stelt dat de minimale monstergrootte (Ms,min) gelijk is aan het product van de materiaalparameters (c × f × g × l × d³) gedeeld door de maximaal toelaatbare FSE-variantie (σ²max). In de praktijk betekent dit: hoe grover het materiaal en hoe groter de compositievariatie, hoe meer monster nodig is. Een praktische vuistregel: halveer de korrelgrootte om de vereiste monstergrootte met een factor acht te reduceren.

Wat is de fundamentele bemonsteringsfout (FSE)?

De FSE (Fundamental Sampling Error) is de minimale, onvermijdelijke fout die optreedt bij de monstername van een heterogeen materiaal, zelfs bij een perfect uitgevoerde procedure. Ze vloeit voort uit het feit dat elk individueel deeltje een unieke samenstelling heeft. De FSE kan worden geminimaliseerd — door vergroting van de monstergrootte of door verlaging van de korrelgrootte — maar nooit naar nul worden gereduceerd.

Wat is het verschil tussen FSE en GSE?

De FSE (Fundamentele bemonsteringsfout) is de statistische spreiding die inherent is aan het bemonsteren van een heterogeen materiaal, ook bij willekeurige verdeling van de deeltjes. Ze vloeit voort uit de constitutionele heterogeniteit (CH): deeltjes hebben onderling een andere samenstelling. De GSE (Segregatie- en groeperingsfout) is de extra fout die ontstaat doordat deeltjes in de praktijk niet willekeurig zijn verdeeld maar neigen te segregeren of te groeperen. GSE is in principe te vermijden door homogenisering; FSE is dat niet.

Hoe verklein ik de bemonsteringsfout?

Reduceer de FSE door (1) de monstergrootte te vergroten — meer materiaal bemonsteren — en/of (2) de maximale korrelgrootte te reduceren door malen of zeven vóór de monstername. Reduceer de GSE door het materiaal voor monstername te homogeniseren of door meerdere incrementen op verschillende posities te nemen en samen te voegen. Elimineer DE en EE door de bemonsteringsapparatuur correct te ontwerpen: de opening moet minstens driemaal de grootste korrelgrootte zijn. Minimaliseer PE door strikte werkinstructies, schone apparatuur en gedocumenteerde procedures conform GLP of ISO 17025.

Wat is heterogeniteit in de zin van de bemonsteringstheorie?

In TOS heeft heterogeniteit een precieze betekenis: het is de variatie in samenstelling of eigenschappen tussen de afzonderlijke eenheden (deeltjes, grondstofpellets, vloeistofvolumes) waaruit het te bemonsteren materiaal bestaat. Gy onderscheidt constitutionele heterogeniteit (CH — variatie tussen individuele deeltjes) en distributieheterogeniteit (DH — variatie in ruimtelijke verdeling). CH bepaalt de grootte van de FSE; DH bepaalt de grootte van de GSE.

Wat is een representatief monster?

Een representatief monster is een deelhoeveelheid waarvan de samenstelling statistisch voldoende overeenkomt met de bulk om analytische conclusies over die bulk te rechtvaardigen. In TOS wordt representativiteit gedefinieerd in termen van een toelaatbare variantie: het monster is representatief als de totale bemonsteringsfout (TE) binnen de gespecificeerde meetonzekerheidsgrenzen valt. Een representatief monster is geen kwestie van gevoel of ervaring, maar van aantoonbare statistiek.

Is de theorie van Gy ook van toepassing op vloeistoffen?

Ja, maar de toepassingsvorm verschilt. Voor homogene vloeistoffen is de constitutionele heterogeniteit laag en is de FSE gering. Voor vloeistoffen met gesuspendeerde deeltjes (slurries, emulsies, waterige milieumonsters met sediment) gelden de TOS-principes onverminderd. Bij watermonsters is de temporele variatie (CE₁ en CE₂) doorgaans de dominante bemonsteringsfout, en wordt die bestreden met mengmonsters of debietproportionele bemonstering. Zie het artikel over monsterneming en bemonstering voor de aanpak bij wateranalyse.

Hoe werkt de kwart-aanpak bij poeders?

De kwart-aanpak (quartering) is een handmatige methode om een groot poedermonster te reduceren. Het materiaal wordt op een vlakke ondergrond uitgestort tot een kegel, platgedrukt tot een schijf en verdeeld in vier gelijke kwartten. Twee diagonaal tegenoverliggende kwartten worden bewaard en samengevoegd; de andere twee worden verwijderd. Deze cyclus herhaalt zich totdat de gewenste hoeveelheid is bereikt. De methode is een praktische benadering van de statistische splitsmethode, maar is operatorafhankelijk. Voor kritische analyses of GLP-toepassingen verdient een mechanische riffle splitter of roterende verdeler de voorkeur.

Welke normen verwijzen naar de theorie van Gy?

ISO 11648 (Statistical aspects of sampling from bulk materials, Part 1 en 2) is de meest directe internationale norm gebaseerd op TOS. ISO 3082 (IJzerertsen), ISO 13909 (Steenkool) en ISO 8213 (Chemicaliën — bulkmonsterneming) bevatten allemaal bepalingen die op Gy's werk zijn gebaseerd. Voor farmaceutische toepassingen verwijst de Europese Farmacopee (Ph. Eur.) naar representatieve bemonsteringsstrategieën die TOS-conform zijn. In Nederland gelden aanvullend de NEN-EN ISO-normen zoals NEN-EN ISO 10381 voor bodemmonsters.

Hoe past de theorie van Gy in de totale meetonzekerheid?

De totale meetonzekerheid (U) van een analyseresultaat is de kwadratische optelsom van alle bijdragende onzekerheden: die van de monstername, het transport, de monstervoorbereiding, de kalibratie en de instrumentele meting zelf. De bijdrage van de bemonsteringsvariantie — te berekenen via TOS — is in de praktijk bij heterogene materialen de grootste component. Een ICP-MS-meting kan een instrumentele precisie van 0,5 % hebben, terwijl de bemonsteringsfout van het vaste uitgangsmateriaal 10–20 % bedraagt. ISO 17025 verplicht laboratoria de complete meetonzekerheid te rapporteren, inclusief de bemonsteringscomponent.

Wat is het verschil tussen een increment en een monster?

In de terminologie van TOS is een increment (ook wel deelmonster of steekmonster) de hoeveelheid materiaal die bij één bemonsteringsactie wordt afgenomen. Het monster (of: samengesteld monster, composietsample) bestaat doorgaans uit een samenvoeging van meerdere incrementen die op systematisch gekozen locaties of tijdstippen zijn genomen. Het samenvoegen van incrementen reduceer de GSE, omdat de ruimtelijke of temporele variatie over de partij wordt uitgemiddeld.

Gerelateerde kennisbankartikelen

Neem contact op voor advies over monsternamedprocedures, bemonsteringsapparatuur of de juiste laboratoriumbenodigdheden voor uw analyse-workflow.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische en regulatoire toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende wet- en regelgeving, de relevante normen en de uitvoerende autoriteiten of toezichthouders.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.