De steriliteitstest is de finale microbiologische vrijgavetest voor geneesmiddelen die als steriel op de markt komen: parenteralia, oogpreparaten, irrigatievloeistoffen, cel- en gentherapieproducten (ATMP's) en steriel bereide medische hulpmiddelen. In de EU is de test wettelijk verankerd via de Good Manufacturing Practice (GMP) en de Europese Farmacopee (Ph. Eur.); wereldwijd is de methodiek geharmoniseerd tussen Ph. Eur. 2.6.1, USP <71> en JP 4.06. Dit artikel behandelt de wettelijke basis, de twee erkende methoden, mediakeuze, incubatietijd, testomgeving onder EU GMP Annex 1, method suitability, snelle alternatieve methoden en de interpretatie van positieve bevindingen. Voor de bredere context van sterilisatietechnieken zie ons artikel over sterilisatienormen, voor materiaalkeuze het artikel steriel of niet-steriel en voor de mediabereiding het artikel over microbiologische kweekmedia.
De steriliteitstest is een in vitro-onderzoek dat aantoont dat een monster uit een batch geen levensvatbare micro-organismen bevat onder de in de farmacopee voorgeschreven kweekcondities. De test toetst niet de sterility assurance level (SAL) van de batch — die wordt bepaald door validatie van het sterilisatie- of aseptisch proces — maar dient als eindcontrole op procesbeheersing. De test is statistisch beperkt: bij een besmettingsniveau van 0,1 procent in een batch en het gebruikelijke testaantal van 20 eenheden is de kans op detectie slechts circa 2 procent. Een negatief testresultaat toont daarmee compliance met de test aan, niet de absolute afwezigheid van elke besmette eenheid in de batch. Om die reden fungeert de steriliteitstest onder GMP als bevestiging naast een robuust ontworpen aseptisch of terminaal sterilisatieproces, en niet als vervanging daarvan.
Een bioburden-bepaling (Ph. Eur. 2.6.12 voor totaal aeroob kiemgetal, TAMC, en 2.6.13 voor totaal aantal schimmels en gisten, TYMC; ISO 11737-1 voor medische hulpmiddelen) meet hoeveel micro-organismen aanwezig zijn in of op een niet-steriel product of proces-tussenproduct. Een steriliteitstest toetst of levensvatbare micro-organismen kunnen worden gedetecteerd in een als steriel geclaimd eindproduct. Bioburden is een kwantitatieve procesparameter — meestal uitgedrukt in CFU per eenheid — en wordt vroeg in het proces gemeten om de sterilisatie- of filtratiestap te dimensioneren. De steriliteitstest is een kwalitatieve pass/fail-test op het eindproduct.
De uitvoering van de steriliteitstest is drievoudig geharmoniseerd. Ph. Eur. 2.6.1, USP <71> en JP 4.06 beschrijven identieke methoden, media, temperaturen en incubatietijden. Voor de vrijgave van een EU-geneesmiddel is Ph. Eur. 2.6.1 de bindende referentie; voor de Amerikaanse markt USP <71>; voor de Japanse markt JP 4.06. Bedrijven met wereldwijde marktautorisatie gebruiken dezelfde SOP voor alle drie de markten.
De randvoorwaarden waaronder de test wordt uitgevoerd — cleanroom-classificatie, personeel, monitoring, contamination control strategy — komen uit EudraLex Volume 4 (EU GMP), specifiek de herziene Annex 1 - Manufacture of Sterile Medicinal Products (gepubliceerd augustus 2022, van kracht sinds 25 augustus 2023, voor lyofilisatie sinds 25 augustus 2024). Annex 1 introduceert onder meer de verplichte Contamination Control Strategy (CCS), stelt isolatoren en gesloten RABS boven traditionele Grade A/B-cleanrooms als voorkeurstechnologie voor aseptische verwerking en verscherpt de eisen aan environmental monitoring.
Aanvullende normatieve documenten die bij een steriliteitsprogramma horen: Ph. Eur. 5.1.1 (methoden voor productie van steriele geneesmiddelen), 5.1.2 (biologische indicatoren van sterilisatie), 5.1.6 (alternatieve microbiologische methoden), 5.1.9 (guidelines voor microbiologische kwaliteit van niet-steriele farmaceutische producten) en de sectorspecifieke ICH Q6A/Q6B (specificaties). De regelgevingsbronnen zijn samengebracht in de EMA GMP-richtlijnenpagina en de ICH Quality Guidelines.
Annex 1 is het EU GMP-bijvoegsel dat de eisen vastlegt voor de vervaardiging van steriele geneesmiddelen. De herziening van 2022 vervangt de vorige uitgave uit 2008 en introduceert een fundamenteel andere benadering: contaminatiebeheersing is niet meer een verzameling losse maatregelen maar een geïntegreerd systeem dat wordt beschreven in de Contamination Control Strategy (CCS). De CCS omvat productontwerp, faciliteit- en installatieontwerp, personeel, hulpstoffen, proces, apparatuurkwalificatie, cleaning en desinfectie, environmental monitoring, in-proces- en eindproductcontroles, en periodieke evaluatie. De steriliteitstest is één sluitstuk in deze keten; de overige onderdelen moeten aantoonbaar zo zijn ontworpen dat een besmet product de test in principe niet zou passeren.
De CCS is een gedocumenteerd, holistisch overzicht van alle maatregelen die een fabrikant treft om microbiële, deeltjes- en endotoxinencontaminatie te beheersen. Annex 1 vereist dat alle contaminatierisico's expliciet zijn geïdentificeerd, gescoord en gekoppeld aan mitigerende maatregelen — met bewijs van effectiviteit. Een CCS is geen document dat één keer wordt opgesteld en gearchiveerd; het is een levend systeem dat wordt geactualiseerd bij procesveranderingen, nieuwe risico-inzichten of trendsignalen uit environmental monitoring. Inspecteurs beoordelen bij audits nadrukkelijk of de CCS actueel is en of vastgelegde maatregelen aantoonbaar worden nageleefd.
Ph. Eur. 2.6.1 kent twee gelijkwaardige uitvoeringsvarianten. De voorkeur gaat uit naar membraanfiltratie. Directe inoculatie is toegestaan wanneer filtratie technisch niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld bij zeer viskeuze producten, olieachtige suspensies of vaste doseervormen die niet in oplossing zijn te brengen.
Bij membraanfiltratie wordt het product door een membraanfilter met poriegrootte 0,45 micrometer geleid. Het membraan houdt alle micro-organismen achter; conserveermiddelen, remstoffen of antibiotica in het product spoelen door en worden na de filtratie weggespoeld met een neutraliserende diluent fluid (bijvoorbeeld diluent A of D uit Ph. Eur. 2.6.1). Na spoelen wordt het membraan aseptisch in twee gelijke helften gesneden — één helft in Fluid Thioglycollate Medium, één helft in Soybean-Casein Digest Medium — of parallel gefiltreerd op twee membranen die elk in één medium worden geïncubeerd. Filtratie is de voorkeursmethode omdat remstoffen effectief kunnen worden verwijderd voordat de kweek start en omdat een groter monstervolume kan worden getest.
Bij directe inoculatie wordt het monster rechtstreeks in het kweekmedium ingebracht, met een monstervolume dat maximaal 10 procent van het mediavolume bedraagt om verdunning van remstoffen te garanderen. Het monster wordt naar de twee media verdeeld volgens de proportionering van Ph. Eur. 2.6.1 tabel 2.6.1.-2 en 2.6.1.-3, afhankelijk van monstervorm en batchgrootte. Directe inoculatie is technisch eenvoudiger maar gevoeliger voor verstoring door remstoffen; de method suitability-validatie (zie hieronder) is dan doorslaggevend.
Membraanfiltratie scheidt de te testen micro-organismen fysiek van het product voordat kweekmedium ermee in contact komt. Antibiotica, conserveermiddelen en tensieactieve stoffen worden weggespoeld en kunnen de groei van eventueel aanwezige contaminanten niet meer onderdrukken. Bij directe inoculatie blijven deze stoffen in de kweek aanwezig; alleen verdunning tot onder de remmende concentratie kan groei van contaminanten mogelijk maken. Voor de meeste steriele farmaceutische producten — die per definitie in oplossing zijn — biedt filtratie daarom een gevoeliger detectie en een robuuster resultaat.
De harmonized farmacopee schrijft twee media met twee verschillende incubatietemperaturen voor, samen bedoeld om het brede spectrum van mogelijke contaminanten te dekken.
De thioglycollaat in FTM verlaagt de redoxpotentiaal en creëert een lokale anaerobe zone in de diepte van de buis, waardoor obligate anaeroben zoals Clostridium sporogenes kunnen groeien. De hogere incubatietemperatuur (30 tot 35 graden Celsius) begunstigt bacteriegroei. SCDM heeft een neutrale redoxstatus en een lagere incubatietemperatuur, waardoor schimmels en gisten (Aspergillus brasiliensis, Candida albicans) een optimale kweekomgeving hebben. Voor de mediabereiding — pH-instelling, autoclaveren, invulling van growth promotion en steriliteitscontrole — verwijzen wij naar het aparte artikel over microbiologische kweekmedia.
De incubatietijd van 14 dagen is een compromis tussen gevoeligheid en doorlooptijd. Groeicurves van door de farmacopee voorgeschreven testorganismen — Staphylococcus aureus, Pseudomonas aeruginosa, Bacillus subtilis, Clostridium sporogenes, Candida albicans, Aspergillus brasiliensis — laten zien dat 14 dagen ruim voldoende is om zelfs gestreste, sub-lethaal beschadigde cellen zichtbare groei te laten vertonen. Deze latentietijd kan lang zijn: subletaal beschadigde sporen na warmtebehandeling of osmose-schok hebben soms dagen nodig om metabolisch te herstellen. Kortere incubatie zou het risico op vals-negatieve resultaten bij zulke reparerende cellen vergroten. De 14 dagen worden dagelijks visueel gemonitord op troebeling of macroscopische groei.
Een growth promotion test (GPT) is de aantoning dat het gebruikte batch medium in staat is om een klein inoculum van referentieorganismen te ondersteunen — Ph. Eur. 2.6.1 en USP <71> schrijven voor iedere batch of los aangekochte lot een GPT voor met minder dan 100 CFU van elk voorgeschreven testorganisme. De aanwezigheid van zichtbare groei binnen de gestelde termijn (3 dagen voor bacteriën, 5 dagen voor schimmels) bewijst dat het medium geschikt is. Zonder een geslaagde GPT is een negatief testresultaat niet interpretabel: het zou immers ook door een defect medium veroorzaakt kunnen zijn. De GPT wordt uitgevoerd parallel aan elk teststation en gedocumenteerd conform ALCOA-principes; zie ons artikel over ALCOA en data-integriteit.
Voordat de steriliteitstest voor een specifiek product als valide kan worden beschouwd, moet zijn aangetoond dat het product zelf de groei van referentieorganismen niet onderdrukt. Deze test wordt method suitability test of test of specified microorganisms and bacteriostasis/fungistasis genoemd. In de praktijk worden de zes farmacopee-testorganismen — S. aureus, P. aeruginosa, B. subtilis, C. sporogenes, C. albicans, A. brasiliensis — geïnoculeerd in de aanwezigheid van het product (na filtratie of directe inoculatie) en de groei wordt vergeleken met een controle zonder product. Zichtbare groei binnen 3 tot 5 dagen bevestigt dat het product de test niet remt.
Wanneer het product remmend blijkt, moet de methode worden aangepast: een groter spoelvolume bij filtratie, gebruik van neutraliserende toevoegingen (polysorbaat 80 voor tensioactieve producten, thioglycollaat voor kwikverbindingen, penicillinase voor bèta-lactamantibiotica) of overschakelen op een andere procedure. De aangepaste methode wordt opnieuw gevalideerd; de validatie van analytische methoden (ICH Q2) beschrijft de bijbehorende validatieparameters. Method suitability is productspecifiek en wordt uitgevoerd bij een nieuwe formulering, bij significante wijziging in samenstelling of hulpstoffen, en periodiek bij ongewijzigde producten.
Ph. Eur. 2.6.1 tabellen 2.6.1.-2 en 2.6.1.-3 specificeren het minimum aantal eenheden dat per batch moet worden getest en het minimum monstervolume per eenheid, gedifferentieerd naar productvorm (vloeistof, vast, oogpreparaat, catgut) en containervolume. Enkele richtgetallen: voor parenteralia met een containervolume kleiner dan 1 milliliter wordt de volledige inhoud van 20 eenheden getest; voor containervolumes tussen 1 en 40 milliliter wordt 20 eenheden ingezet met per eenheid het grotere van 1 milliliter of de helft van de inhoud; voor grotere volumes de helft van de inhoud van 10 eenheden met een maximum van 500 milliliter per medium. De exacte proportionering staat in de farmacopee; de tabellen gelden zowel voor filtratie als voor directe inoculatie.
Bij batches boven de 500 eenheden en tot 10 000 eenheden schrijft de farmacopee minimaal 20 eenheden voor; boven 10 000 minimaal 2 procent tot een maximum van 40 eenheden. Voor batches kleiner dan 100 eenheden bedraagt het testaantal 10 procent van de batchgrootte met een minimum van 4 eenheden. De monstername gebeurt aseptisch en statistisch representatief; het aparte artikel over monsterneming en bemonstering beschrijft de bemonsteringsprincipes.
De steriliteitstest wordt uitgevoerd onder condities die zelf géén contaminatie mogen introduceren. Annex 1 (2022) benoemt de isolator en de closed RABS (Restricted Access Barrier System) als voorkeurstechnologieën voor de fysieke scheiding tussen operator en product. Een isolator is een gesloten kamer met eigen HVAC en gedecontamineerde binnenzijde (VHP, damping met waterstofperoxide); toegang gebeurt via handschoenpoorten of half-suits. Een closed RABS is een barrière boven een klasse A-werkruimte binnen een klasse B-cleanroom met beperkte openingen. De ISO 14644-klassen definiëren het deeltjesbelastingniveau; zie het artikel over ISO 14644 cleanroom-klassen. In een klassieke Grade A/B-omgeving zonder isolator is de risico-op-vals-positief door omgevingscontaminatie hoger; Annex 1 vraagt in dat geval om extra rechtvaardiging in de CCS.
Een isolator is een volledig gesloten systeem met een decontaminatiecyclus die de binnenzijde reduceert tot een verifieerbaar sporenniveau (typisch 6-log reductie van Geobacillus stearothermophilus-sporen). Het onderscheid tussen open en gesloten isolatoren betreft de manier waarop materialen worden in- en uitgesluisd; de operator raakt de binnenzijde nooit met blote handen. Een RABS is een barrière: de fysieke afscherming rond het werkgebied is minder streng, de omgeving eromheen moet aan Grade B voldoen. Closed RABS heeft luchtstroominterlocks en handschoenpoorten; open RABS heeft interventies via geopende deuren toegestaan onder strenge SOP. Voor steriliteitstesten geeft Annex 1 de voorkeur aan isolatoren juist wegens de lagere kans op false positives door omgevingscontaminatie.
Na 14 dagen wordt elk vaatje visueel gecontroleerd op groei (troebeling, film, sediment of macroscopische kolonies). Ph. Eur. 2.6.1 kent twee mogelijke uitkomsten:
Geen groei — Het product voldoet aan de steriliteitstest. De batch kan, mits alle andere vrijgavecriteria zijn behaald, worden vrijgegeven. Alle testresultaten worden gedocumenteerd; de contramonstername wordt gearchiveerd conform batchdocumentatiebeleid.
Groei — Er is sprake van een first stage failure. Ph. Eur. 2.6.1 laat een retest toe wanneer via een gedocumenteerd onderzoek onomstotelijk kan worden aangetoond dat de groei is veroorzaakt door een aantoonbare oorzaak buiten het product: laboratoriumcontaminatie, mediafout, defect materiaal of aantoonbare procedurefout. De invalidatiegronden zijn strikt en worden bij inspectie kritisch getoetst. Kan de oorzaak niet worden herleid tot een externe factor, dan wordt de batch afgekeurd en volgt een OOS-onderzoek volgens de tweefasenaanpak; zie ons artikel over OOS-onderzoek in GMP en farma. Bij goedgekeurde retest wordt de test herhaald met tweemaal het originele aantal eenheden; bij een positief resultaat in de retest wordt de batch afgekeurd.
De koppeling naar het bredere kwaliteitssysteem is verplicht: het OOS-onderzoek leidt tot root cause analysis en, waar nodig, tot corrigerende en preventieve maatregelen. Zie voor de systematiek de artikelen over root cause analysis-methoden en CAPA-systeem.
De 14 dagen incubatietijd is voor kortlevende producten een operationeel probleem. Autologe celtherapieproducten, korte houdbaarheidsradiofarmaca en persoonlijke bereidingen kunnen niet 14 dagen wachten op vrijgave. Ph. Eur. 5.1.6 (Alternative methods for control of microbiological quality) en het inmiddels toegevoegde hoofdstuk 2.6.27 (Microbiological examination of cell-based preparations) beschrijven het kader voor rapid microbiological methods (RMM). Alternatieve methoden moeten met de compendiale methode worden vergeleken en gevalideerd op minimaal detectiegrens, specificiteit, robuustheid, herhaalbaarheid, ruggeaardigheid en waar van toepassing kwantitatieve lineariteit.
Praktische technieken die als RMM voor steriliteitsdoeleinden worden ingezet: automatische incubatiesystemen met CO2- of drukdetectie (BacT/ALERT-familie), membraanfiltratie met vaste-fase-cytometrie of ATP-bioluminescentie (Milliflex Rapid, Growth Direct), en isotherme microcalorimetrie voor detectie van metabole warmte. Voor cel- en gentherapieproducten zijn nucleïnezuur-gebaseerde methoden (rapid PCR-detectie) in ontwikkeling maar detecteren DNA in plaats van levensvatbaarheid en zijn daarom niet gelijkwaardig aan een kweek-gebaseerde methode zonder aanvullende viabiliteitsmarker. De validatie tegen de compendiale methode is vastgelegd in USP <1223> en Ph. Eur. 5.1.6.
Voor een klassieke Ph. Eur. 2.6.1-uitvoering met FTM en SCDM is 14 dagen het minimum. Gevalideerde RMM's halen de detectietijd bij typische contaminatieniveaus terug naar 3 tot 7 dagen; voor sommige technologieën (microcalorimetrie in het pg-metabolic heat-bereik) is bij hoge inocula detectie binnen 24 tot 48 uur mogelijk. Voor autologe ATMP's waar de patiënt binnen dagen behandeld moet worden, is een RMM in combinatie met een positieve strikte procesbeheersing en een parallel lopende compendiale test de gangbare praktijk. De aanvaarding door de bevoegde autoriteit (voor de EU: EMA en nationaal het CBG) vereist voorafgaande discussie, meestal via een scientific advice-procedure.
Voor eindsteriel gesteriliseerde geneesmiddelen — producten die na verpakking in eindcontainers worden gesteriliseerd, bijvoorbeeld door stoomsterilisatie of ioniserende straling — kent EU GMP de mogelijkheid van parametric release. Bij parametric release wordt de steriliteitstest op eindproduct vervangen door de aantoonbaarheid dat het sterilisatieproces alle kritische parameters heeft gehaald: temperatuurprofiel, tijd, druk (bij stoom) of dosis (bij straling). Parametric release is geregeld in EudraLex Volume 4 Annex 17 en vereist een uitgebreide processervalidatie, continue procesmonitoring en het gebruik van biologische indicatoren volgens Ph. Eur. 5.1.2. Voor aseptisch geproduceerde producten — die niet in eindverpakking kunnen worden gesteriliseerd — is parametric release niet toegestaan; hier blijft de steriliteitstest de vrijgavevereiste, tenzij een gevalideerde RMM is geaccepteerd.
De achtergrond bij terminale sterilisatietechnieken en hun normen is beschreven in het overzichtsartikel sterilisatienormen; de praktische uitvoering van stoomsterilisatie in het lab in het artikel over autoclaven.
Steriele producten die door hitte, straling of gas niet gesteriliseerd kunnen worden, worden meestal aseptisch verwerkt na steriliserende filtratie. Steriliserende filters hebben een nominale poriegrootte van 0,22 micrometer (soms 0,2 micrometer) en zijn gevalideerd op bacterieretentie met Brevundimonas diminuta volgens ASTM F838 en Ph. Eur. 3.1 (materiaalvereisten voor primaire verpakking). De filter-integriteit wordt vóór en na elke filtratie getest — bubble point, diffusion flow of pressure hold — als onderdeel van het aseptische proces. Annex 1 (2022) verscherpt de eisen aan pre-use post-sterilisation integrity testing (PUPSIT) van steriliserende filters. Deze filtratiestap is de meest voorkomende sterilisatietechniek voor eiwitten, hormonen, celkweeksupernatanten en andere hittelabiele API's, en levert het product waarop de eindsteriliteitstest wordt uitgevoerd.
Steriliteit garandeert de afwezigheid van levensvatbare micro-organismen, maar niet van pyrogene celwandfragmenten. Gram-negatieve bacteriën laten na sterilisatie lipopolysaccharide (LPS, endotoxine) achter, dat pyrogene reacties bij infusie veroorzaakt. Voor parenteralia wordt daarom naast de steriliteitstest een bacterial endotoxin test (BET) uitgevoerd volgens Ph. Eur. 2.6.14 (LAL, Limulus Amoebocyte Lysate) of het recent toegevoegde 2.6.32 (recombinant Factor C, rFC). Deze test toetst de endotoxinebelasting in EU per milliliter of per doseereenheid tegen een productspecifieke limiet (K/M-berekening). De BET is een aparte vrijgavetest en vervangt de steriliteitstest niet; beide zijn cumulatief vereist voor parenteralia.
Voor ATMP's — autologe of allogene celtherapie, gentherapie en tissue-engineered producten — hoort de klassieke steriliteitstest in de EudraLex Volume 4 Part IV (Guidelines on GMP specific to ATMPs) tot de vrijgavecriteria, maar de operationele beperkingen zijn groot. Autologe producten hebben een houdbaarheid van uren tot dagen. Voor deze producten schrijft Ph. Eur. 2.6.27 een variant voor: bij monsters die niet aan 2.6.1 kunnen worden onderworpen (bijvoorbeeld door een klein productvolume) worden alternatieve inoculumverdelingen en snellere detectiemethoden toegestaan, mits volgens 5.1.6 gevalideerd tegen de compendiale methode. Aanvullend worden de gebruikte grondstoffen (celkweekmedia, groeifactoren, virale vectoren) onafhankelijk op steriliteit getest zodat het risico op late detectie wordt gemitigeerd. De regelgeving hierover evolueert; raadpleeg altijd de meest recente Ph. Eur.- en EMA-guidance.
De testomgeving zelf wordt continu bemonsterd via environmental monitoring: actieve luchtmonstername (impactorsampler), sedimentatieplaten, contactplaten voor oppervlakken, en fingerprint-testen van operatorhandschoenen. Annex 1 (2022) verlangt continue deeltjesmonitoring in de Grade A-zone en periodieke microbiële monitoring; de resultaten worden gebruikt om trend te detecteren en de CCS bij te stellen. Positieve environmental monitoring-signalen in dezelfde run of dagperiode als een positieve steriliteitstest zijn een belangrijke aanwijzing voor omgevingscontaminatie en spelen een rol in de retest-rechtvaardiging.
Alle stappen van de steriliteitstest worden vastgelegd conform ALCOA+ en 21 CFR Part 11-conforme electronic records: monsteridentificatie, medialotnummers, GPT-resultaten, method suitability-verwijzing, incubatorlogboeken, dagelijkse afleesregistratie, foto-opnamen bij positieve bevindingen en operatorhandtekeningen. Bij FDA- en IGJ-inspecties behoort het steriliteitsdossier tot de eerste opgevraagde documenten, samen met de aseptische processervalidatie (media fill), environmental monitoring-trend, CCS en OOS-onderzoeken over de laatste vergelijkbare periode. De FDA guidance documents bevatten de Amerikaanse referentiedocumenten; voor de EU raadpleegt u de eerder aangehaalde EudraLex Volume 4 en de Annex 1-tekst zelf.
Ph. Eur. 2.6.1 is het hoofdstuk in de Europese Farmacopee met de titel Sterility. Het beschrijft de methode voor de steriliteitstest van geneesmiddelen en steriele grondstoffen: media, incubatievoorwaarden, monstername-aantallen, method suitability en interpretatie. Het hoofdstuk is geharmoniseerd met USP <71> en JP 4.06 in het kader van de Pharmacopoeial Discussion Group; verschillen zitten uitsluitend in redactionele opzet en niet in de methodische inhoud.
De compendiale steriliteitstest duurt minimaal 14 kalenderdagen incubatie. Inclusief method suitability check, growth promotion van het gebruikte medium, de teststart en de aflezing komt de doorlooptijd van sample-in tot rapportage typisch neer op 17 tot 20 dagen. Voor gevalideerde snelle methoden (RMM) is deze tijd terug te brengen tot 3 tot 7 dagen.
Twee media worden voorgeschreven. Fluid Thioglycollate Medium (FTM), geïncubeerd bij 30 tot 35 graden Celsius, detecteert aerobe en anaerobe bacteriën. Soybean-Casein Digest Medium (SCDM, ook bekend als Tryptic Soy Broth, TSB), geïncubeerd bij 20 tot 25 graden Celsius, detecteert aerobe bacteriën en schimmels/gisten. Beide media worden vooraf getest via growth promotion en steriliteitscheck van het medium zelf.
Bij membraanfiltratie wordt het product door een 0,45 micrometer membraan geleid; het membraan gaat vervolgens in het medium. Bij directe inoculatie wordt het product zelf in het medium ingebracht. Filtratie is de voorkeursmethode omdat remstoffen worden weggespoeld en de gevoeligheid hoger is. Directe inoculatie wordt toegepast wanneer filtratie technisch niet uitvoerbaar is, zoals bij viskeuze suspensies of vaste doseervormen.
Nee, alleen voor geneesmiddelen die als steriel op de markt komen. Dit betreft parenteralia, oogpreparaten, irrigatievloeistoffen, dialysevloeistoffen, sommige inhalatiepreparaten, steriele wondbehandelingsproducten, ATMP's en steriel bereide medische hulpmiddelen. Orale doseervormen en topicale niet-steriele preparaten worden getoetst op microbiologische kwaliteit volgens Ph. Eur. 2.6.12/2.6.13 en 5.1.4/5.1.8, niet op steriliteit.
Een first stage failure is de vaststelling van groei in de eerste uitvoering van de steriliteitstest. Ph. Eur. 2.6.1 laat toe dat, wanneer via een gedocumenteerd onderzoek onomstotelijk kan worden aangetoond dat de groei is veroorzaakt door een aantoonbare oorzaak buiten het product, de test wordt herhaald met tweemaal het originele testaantal (retest of second stage). Kan de externe oorzaak niet worden vastgesteld, dan wordt de batch direct afgekeurd; retest is dan niet gerechtvaardigd.
Retest is uitsluitend toegestaan wanneer een gedocumenteerd onderzoek een concrete oorzaak identificeert die niet aan het productmateriaal is toe te schrijven: aantoonbare mediafout, laboratoriumcontaminatie, defect van filter of glaswerk, of aantoonbare procedurefout. Inspecteurs beoordelen retestverklaringen kritisch; een generieke of niet-onderbouwde verklaring wordt niet aanvaard. De strenge invalidatiegronden zijn bewust gekozen om te voorkomen dat batches worden vrijgegeven op basis van gunstige tweede metingen bij een reeël contaminatieprobleem.
Bij terminale sterilisatie wordt het product na verpakking in de eindcontainer gesteriliseerd — meestal door stoom, hitte of straling. Bij aseptische productie worden alle componenten afzonderlijk gesteriliseerd en vervolgens onder gecontroleerde condities samengevoegd zonder aanvullende eindsterilisatie. Terminale sterilisatie is de voorkeursmethode wanneer het product de sterilisatiecondities kan verdragen. Aseptische productie is technisch veeleisender, kent hogere contaminatierisico's en vereist een strengere Annex 1-uitvoering.
Ja, en dat is een fundamentele beperking. Bij een lage besmettingsfractie in de batch is de kans dat een besmette eenheid in de testset terechtkomt statistisch klein. Bij een besmettingsfractie van 0,1 procent en 20 geteste eenheden is de kans op detectie circa 2 procent. Deze beperking is de reden dat de test onder GMP nooit fungeert als primaire garantie: de aseptische processervalidatie (media fill), de continue environmental monitoring en de robuustheid van de CCS moeten aantonen dat de batch daadwerkelijk steriel is.
Een media fill is de simulatie van het aseptische productieproces waarin het product wordt vervangen door een kweekmedium (meestal TSB/SCDM). Alle proceshandelingen, interventies en containervullingen worden uitgevoerd zoals in de echte productie; de gevulde eenheden worden 14 dagen geïncubeerd en op groei gecontroleerd. Annex 1 vereist doorgaans een acceptatiecriterium van nul contaminated units bij een run van 5000 tot 10 000 eenheden. Media fills zijn de belangrijkste procesvalidatie voor aseptische productie en worden minimaal twee keer per jaar per productielijn uitgevoerd.
Parametric release is de vrijgave van een terminaal gesteriliseerd product op basis van de aantoonbare naleving van alle kritische sterilisatieparameters (temperatuur, tijd, druk of dosis), zonder aanvullende steriliteitstest op eindproduct. Parametric release vereist een volledig gevalideerd sterilisatieproces, continue procesmonitoring en biologische indicatoren volgens Ph. Eur. 5.1.2. Het is geregeld in EudraLex Volume 4 Annex 17 en uitsluitend toegestaan voor terminaal gesteriliseerde producten.
GMP - Good Manufacturing Practice uitgelegd Sterilisatienormen Steriel of niet-steriel: keuze van laboratoriummateriaal Over autoclaven Microbiologische kweekmedia ISO 14644 cleanroom-klassen Validatie van analytische methoden (ICH Q2) OOS-onderzoek in GMP en farma CAPA-systeem in het laboratorium ALCOA en data-integriteit
Voor de uitvoering van steriliteitstesten en aseptische bereidingen levert Labvakhandel de basisbenodigdheden: bekijk het assortiment sterilisatie-apparatuur en autoclaven, membraanfilters voor filtratieproeven, kant-en-klare kweekmedia en voedingsbodems en sterilisatie-indicatoren.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische en regulatoire toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriele situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende Ph. Eur.- en USP-monografieën, EU GMP Annex 1, de documentatie van uw fabrikant en de bevoegde toezichthouder (EMA, IGJ, FDA of nationale autoriteit).
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.