Microbiologische kweekmedia: samenstelling, typen en bereiding

Kweekmedia — ook wel voedingsbodems of cultuurmedia genoemd — zijn de voedingsoplossingen of gestolde substraten waarop micro-organismen worden gekweekt. Ze leveren alle stoffen die een micro-organisme nodig heeft: een koolstofbron, een stikstofbron, minerale zouten en, afhankelijk van het organisme, groeifactoren of specifieke sporenstoffen. De keuze van het juiste medium bepaalt in hoge mate of een kweek slaagt, welke organismen groeien en of selectie op specifieke eigenschappen mogelijk is. Dit artikel beschrijft de grondstoffen, typen, bereidingsmethoden en kwaliteitsaspecten van microbiologische kweekmedia.

Wat zijn de vier basiscomponenten van een kweekmedium?

Elk microbiologisch kweekmedium bevat vier typen componenten, ongeacht of het om een vloeibaar of vast medium gaat:

1. Koolstofbron — Micro-organismen hebben koolstof nodig voor de opbouw van biomassa en als energiebron. In complexe media levert trypton, pepton of gistextract organische koolstofverbindingen. In synthetische (gedefinieerde) media wordt glucose, sucrose of een ander zuivere suiker als koolstofbron gebruikt. Autotrofe organismen zoals algen en sommige bacteriën benutten CO₂ als koolstofbron en behoeven geen organische koolstofbron in het medium.

2. Stikstofbron — Stikstof is onmisbaar voor de synthese van aminozuren, eiwitten en nucleïnezuren. Complexe media bevatten stikstof in de vorm van pepton (partieel gehydrolyseerd eiwit) of gistextract. Gedefinieerde media gebruiken ammoniumzouten (NH₄Cl, (NH₄)₂SO₄) of nitraat als stikstofbron. Stikstoffixerende bacteriën zoals Rhizobium en Azotobacter zijn in staat elementaire stikstof (N₂) uit de lucht om te zetten en kunnen op stikstofvrije media worden geselecteerd.

3. Minerale zouten — Macro-elementen zoals fosfaat (HPO₄²⁻), sulfaat (SO₄²⁻), magnesium (Mg²⁺) en kalium (K⁺) zijn structurele onderdelen van celmembranen, enzymen en energiedragers (ATP). Sporenelementen zoals ijzer, mangaan, zink en koper zijn als cofactor onmisbaar voor enzymatische reacties, maar worden slechts in micromolaire concentraties benodigd.

4. Water — Water is het oplosmiddel voor alle overige componenten en het medium voor biochemische reacties in de cel. Voor microbiologische media wordt uitsluitend gedemineraliseerd of gedestilleerd water van Type II-kwaliteit of hoger aanbevolen, om contaminatie met ionen en micro-organismen te vermijden. Leidingwater bevat te veel ionen en organische verbindingen die de groei kunnen beïnvloeden of interferentie geven bij selectieve media. Meer informatie over de juiste waterkwaliteit voor laboratoriumtoepassingen staat in het kennisbankartikel over waterzuivering in het laboratorium.

Wat is het verschil tussen vloeibaar en vast medium?

Overzicht van microbiologische kweekmediatypen: vloeibaar medium, agarplaat en schuinagar

De fysieke aggregatietoestand van het medium bepaalt welke kweektechnieken mogelijk zijn en welke informatie een kweek oplevert.

Vloeibaar medium (bouillon) — Een vloeibaar medium bevat geen stollingsmiddel. Het wordt gebruikt voor schudculturen in erlenmeyers of buizen, voor fermentaties in een bioreactor en voor de voorvermenigvuldiging van inocula (bronmateriaal (zoals bacteriën, virussen, schimmels of celmateriaal)). Vloeibare kweken leveren snel grotere hoeveelheden biomassa op maar geven geen informatie over de morfologie van individuele kolonies. Troebeling van het medium is een indicatie voor groei; de optische dichtheid bij 600 nm (OD₆₀₀) is de standaardmethode om celconcentratie kwantitatief te volgen. Zie voor de meetmethode het kennisbankartikel celgroei meten en OD600.

Vast medium (agarplaat of schuinagar) — Door toevoeging van agar als stollingsmiddel wordt het medium vast. Op het vaste oppervlak kan plaatuitzaai worden uitgevoerd: elke cel groeit uit tot een zichtbare, telbare kolonie. Dit is de basis voor koloniemorfologie-beoordeling, bacterietelling (CFU/ml), isolatie van zuivere stammen en kwaliteitscontrole in de voedselindustrie en het klinische laboratorium. Schuinagar (agar in een schuin gestolde reageerbuis) wordt gebruikt voor kortetermijnopslag en transport van bacteriestammen.

Semi-vast medium — Een lage agarconcentratie (0,3–0,5%) geeft een half-gestolde consistentie waardoor micro-organismen kunnen bewegen maar niet wegspoelen. Dit wordt gebruikt voor motiliteitsbepalingen: beweeglijke bacteriën verspreiden zich vanuit het inoculatiepunt; niet-beweeglijke bacteriën groeien alleen ter plaatse.

Welke soorten kweekmedia worden onderscheiden?

In de microbiologie worden media ingedeeld naar samenstelling en selectieve eigenschappen:

Algemeen voedingsmedium (niet-selectief) — Ondersteunt de groei van een brede range van organismen zonder selectiedruk. Voorbeelden zijn Nutrient Agar, LB-agar (Lysogeny Broth, ook bekend als Luria-Bertani), Tryptic Soy Agar (TSA) en Mueller-Hinton Agar. LB is het standaardmedium voor laboratoriumstammen van Escherichia coli; Mueller-Hinton is het referentiemedium voor antibioticagevoeligheidsbepalingen (MIC-testen) conform EUCAST-richtlijnen.

Selectief medium — Bevat inhibitoren (antibiotica, kleurstoffen, galzouten, hoge zoutconcentraties) die de groei van ongewenste organismen onderdrukken terwijl de doelorganismen groeien. MacConkey Agar selecteert op Gram-negatieve bacteriën via galzouten en kristalviolet die Gram-positieven remmen. Mannitol Salt Agar (MSA) met 7,5% NaCl selecteert op zouttolerante stafylokokken. Sabouraud Dextrose Agar met een lage pH en cycloheximide wordt gebruikt voor schimmels en gisten.

Differentiaalmedium — Maakt onderscheid tussen organismen op basis van een zichtbare reactie in of op het medium, zonder de groei van bepaalde organismen te onderdrukken. MacConkey Agar is zowel selectief als differentiaal: lactosefermenterende bacteriën (zoals E. coli) produceren zuur dat de pH-indicator (neutraalrood) van kleur doet veranderen, waardoor kolonies rood kleuren; niet-fermenterende soorten blijven kleurloos. Bloedagar toont hemolysepatronen: alfa-hemolyse (groene verkleuring), bèta-hemolyse (heldere zone) en gamma-hemolyse (geen reactie).

Verrijkingsmedium — Bevat extra groeifactoren of nutriënten voor organismen met bijzondere voedingsbehoeften (fastidious organisms). Chocolade-agar (verhit bloedagar, waarbij rode bloedcellen worden gelyseerd en groeifactoren vrijkomen) is vereist voor Haemophilus influenzae en Neisseria gonorrhoeae. Bloedagar en serum-verrijkte media worden gebruikt voor de kweek van klinische isolaten.

Gedefinieerd (synthetisch) medium — Elke component is kwantitatief bekend en in chemisch zuivere vorm aanwezig. Voordelen zijn volledige reproduceerbaarheid en de mogelijkheid om de concentratie van één variabele (bijv. koolstofbron of één sporenelement) systematisch te variëren. Gedefinieerde media zijn onmisbaar voor metabole studies, groeikinetiek-experimenten en de productie van geneesmiddelen waarbij de exacte samenstelling voor regulatoire doeleinden (GMP) gedocumenteerd moet zijn.

Complex medium — Bevat componenten met een variabele, niet volledig gekarakteriseerde samenstelling, zoals pepton, gistextract of vleesbouillon. Complex media zijn goedkoper, eenvoudiger te bereiden en groeien de meeste organismen goed, maar zijn minder reproduceerbaar dan gedefinieerde media.

Wat is agar en waarom wordt het gebruikt als stollingsmiddel?

Agar is een polysaccharide dat wordt gewonnen uit roodwieren (voornamelijk Gelidium- en Gracilaria-soorten). Het bestaat uit agarose (de gelerende fractie) en agaropectine. Agar lost op bij verhitting boven 85 °C en stolt bij afkoeling onder circa 45 °C, wat het gieten van warme agar in petrischalen mogelijk maakt zonder dat de agar al stolt. Eenmaal gestold, smelt het medium pas opnieuw boven 85 °C, zodat incubatie bij 37 °C geen probleem vormt.

Agar heeft twee cruciale eigenschappen die het tot de gouden standaard voor microbiologie hebben gemaakt: de overgrote meerderheid van micro-organismen kan agar niet als voedingsbron gebruiken (het wordt niet afgebroken), en het is transparant na stollen, wat koloniewaarneming en reactiezones (hemolysezones, precipitatielijnen) goed zichtbaar maakt. De gebruikelijke concentratie is 1,5% (15 g/l) voor standaard vaste media; 0,7–1,0% voor zachter agar bij bepaalde toepassingen.

Gelatine werd historisch als stollingsmiddel gebruikt vóór de introductie van agar door Angelina Fanny Hesse (1882, in het laboratorium van Robert Koch), maar heeft een smeltpunt van circa 28 °C, waardoor het bij incubatietemperaturen vloeibaar wordt. Bovendien kunnen gelatinase-producerende bacteriën gelatine afbreken. Agar vervangt gelatine in vrijwel alle microbiologische toepassingen.

Hoe worden kweekmedia bereid?

De bereiding van microbiologische kweekmedia verloopt in vijf stappen die in strikte volgorde worden uitgevoerd:

Stap 1 — Afwegen en oplossen — De droge componenten worden nauwkeurig afgewogen op een analytische of semi-analytische balans en opgelost in een iets kleinere hoeveelheid gedemineraliseerd water dan het eindvolume. Pepton en gistextract lossen goed op bij kamertemperatuur; agar heeft verhitting nodig. Voor complexe media wordt vaak gebruik gemaakt van kant-en-klaar dehydrated culture media (droogpoeder) van leveranciers als Oxoid, BD Difco of Merck, waarbij de fabricageinstructie (g/l) op de verpakking leidend is. Het medium wordt aangevuld tot het exacte eindvolume en de pH wordt gecontroleerd.

Stap 2 — pH-instelling — De meeste bacteriologische media hebben een optimale pH tussen 6,8 en 7,4. De pH wordt gemeten met een gekalibreerde pH-meter en indien nodig bijgesteld met 1 M NaOH (voor verhoging) of 1 M HCl (voor verlaging). De pH-instelling vindt altijd vóór sterilisatie plaats, omdat autoclaveren de pH enigszins kan beïnvloeden. Meer over pH-meting en -meters staat in het artikel over pH-meting in het laboratorium.

Stap 3 — Verdelen in flacons of kolven — Het medium wordt verdeeld over glazen of autoclaveerbare plastic flacons of erlenmeyers. Glazen Schottflacons met schroefdop zijn de standaard voor distributie van gesmolten agar; erlenmeyers worden gebruikt voor vloeibare bouillon in grotere volumes. De containers worden afgedekt maar niet luchtdicht afgesloten (stoom moet vrij kunnen circuleren tijdens autoclaveren) en voorzien van autoclaaftape.

Stap 4 — Sterilisatie door autoclaveren — Alle microbiologische media worden gesteriliseerd door vochtig-hittesterilisatie in een autoclaaf bij 121 °C gedurende 15–20 minuten (vloeistofprogramma). Dit garandeert een steriliteitsniveau (SAL) van 10⁻⁶, wat betekent dat de kans op een levensvatbaar micro-organisme kleiner is dan één op een miljoen. Het vloeistofprogramma koelt trager af dan het standaardprogramma om overkoken te voorkomen. Meer over het gebruik van de autoclaaf staat in het kennisbankartikel over autoclaven.

Hittegevoelige componenten — antibiotica, serumfracties, sommige suikers — worden apart sterielgefiltreerd door een 0,22 µm membraanfilter en pas na afkoeling van het geautoclaveerde medium (tot ca. 50 °C) toegevoegd. Dit voorkomt denaturatie of afbraak van thermolabiele stoffen.

In sommige situaties — vooral bij kleine volumes (tot circa 200 ml) of in onderwijslaboratoria zonder directe toegang tot een autoclaaf — wordt een magnetron gebruikt om agar op te lossen. De magnetron is in dat geval geen sterilisatiemethode maar uitsluitend een verhittingsmethode: het medium moet daarna alsnog worden gesteriliseerd, of de magnetron wordt ingezet om vooraf gesteriliseerde, gestolde agar opnieuw te smelten voor hergebruik. Verhit in korte intervallen van 20–30 seconden en zwenk de fles tussendoor voorzichtig (met hittebestendige handschoenen) om oververhitting te voorkomen. Plaats de dop los op de fles — nooit volledig dichtgedraaid — omdat overdruk anders tot springen of overkoken kan leiden. Voor microbiologische werken die echte steriliteit vereisen, blijft autoclaveren de standaardmethode.

Stap 5 — Gieten van agarplaten — Het geautoclaveerde agarmedium wordt afgekoeld tot circa 47–50 °C (voelbaar warm maar niet meer brandend heet; bij lagere temperatuur begint agar te stollen in de fles) en aseptisch in steriele petrischalen gegoten. Elk 90 mm petrischaaltje ontvangt 15–20 ml agar. De platen worden open gelaten tot de agar volledig gestold is, vervolgens omgekeerd bewaard (deksel naar beneden, zodat condenswater niet op de agarplaat druppelt) en bij 4 °C in de koelkast opgeslagen. Goed bereide platen zijn transparant, zonder luchtbellen en zonder condenswater op het agaroppervlak.

Welke veiligheidseisen gelden bij de bereiding?

Micro-organismen worden gekweekt in een steriele omgeving om contaminatie te voorkomen en werknemers te beschermen. De bereiding van media en het gieten van platen vindt bij voorkeur plaats onder een laminaire-luchtstroom-werkbank of in de directe nabijheid van een gasbrander. De vlam van de gasbrander creëert een opstijgende warme luchtstroom die contaminanten uit de directe werkomgeving wegdrijft; daarnaast wordt de vlam gebruikt voor het steriliseren van instrumenten en het vlammen van flessenmonden. Zie het kennisbankartikel over steriel versus niet-steriel voor een uitgebreide richtlijn over de keuze van steriel laboratoriummateriaal.

Bij het werken met pathogenen of genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) gelden aanvullende veiligheidsklassificaties (BSL-1 t/m BSL-4 respectievelijk ML-1 t/m ML-4 in de Nederlandse regelgeving). De inrichting van de werkruimte, het gebruik van biologische veiligheidskabinetten en de afvoer van biologisch afval zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en de bijbehorende vergunning. Gebruikt biologisch materiaal — platen, buizen, pipetten — wordt vóór afvoer geautoclaveerd of op andere wijze geïnactiveerd.

Welke standaardmedia worden het meest gebruikt?

Medium Type Primaire toepassing Organismen
LB-agar / LB-bouillon Algemeen, complex Routinekweek, moleculaire biologie E. coli, Gram-negatieve bacteriën
Nutrient Agar / Bouillon Algemeen, complex Routinemicrobiologie, onderwijs Breed spectrum bacteriën
Tryptic Soy Agar (TSA) Algemeen, complex Klinische microbiologie, voedingscontrole Breed spectrum, inclusief fastidious
MacConkey Agar Selectief-differentiaal Detectie Enterobacteriaceae, wateranalyse Gram-negatieve bacteriën
Bloedagar (5% schapenbloed) Verrijking-differentiaal Klinische kweek, hemolysepatroon Streptokokken, stafylokokken
Sabouraud Dextrose Agar Selectief (lage pH) Schimmels en gisten Candida, Aspergillus, dermatofyten
YPD (Yeast Extract Peptone Dextrose) Algemeen, complex Gistbiologie, biotechnologie Saccharomyces cerevisiae, gisten
M9 Minimale Zouten Gedefinieerd, minimaal Genetica, metabole studies E. coli en andere facultatieve bacteriën
Mueller-Hinton Agar Algemeen, standaard Antibioticagevoeligheidstest (MIC) Klinische isolaten
Bold's Basal Medium Gedefinieerd, anorganisch Algenkweek Groenwieren, cyanobacteriën

Hoe worden media voor schimmels en gisten aangepast?

Schimmels en gisten hebben andere eisen aan het kweekmedium dan bacteriën. De optimale pH voor de meeste schimmels ligt tussen 5,0 en 6,0; gisten groeien goed tussen pH 4,0 en 6,5. Sabouraud Dextrose Agar (SDA) heeft een pH van 5,6 en bevat 40 g/l dextrose (glucose) als koolstofbron — een hogere concentratie dan bacteriologische media, waardoor schimmels een osmotisch voordeel hebben. De lage pH onderdrukt de meeste bacteriën.

Voor de selectieve isolatie van gisten uit voedsel of omgeving wordt chloramfenicol of gentamicine aan Sabouraud-agar toegevoegd als antibacteriële remmer. Potato Dextrose Agar (PDA) bevat aardappelextract als complexe koolstofbron en wordt gebruikt voor de sporenproductie van schimmels. Malt Extract Agar ondersteunt de groei van zowel schimmels als gisten en wordt veel gebruikt in de voedingsmiddelenindustrie voor kwaliteitscontrole.

Dermatofyten (schimmels die huid, nagels en haar aantasten) worden gekweekt op Dermatophyte Test Medium (DTM) met cycloheximide, dat de groei van niet-dermatofyte schimmels onderdrukt en een pH-indicator bevat die van geel naar rood verkleurt bij alkalinisering door dermatofyten.

Wat zijn de 5 vereisten voor bacteriegroei?

Een kweekmedium moet aan vijf fundamentele groeivoorwaarden voldoen om bacteriën optimaal te laten groeien:

1. Voedingsstoffen — Koolstof, stikstof, minerale zouten en eventueel groeifactoren (vitaminen, aminozuren die het organisme niet zelf kan aanmaken). Auxotrofe mutanten missen een biosynthetische enzymactiviteit en groeien alleen als het betreffende eindproduct aan het medium wordt toegevoegd.

2. Water — Biochemische reacties vinden uitsluitend in waterige omgeving plaats. De wateractiviteit (aw) van het medium moet hoog genoeg zijn; toevoeging van hoge suiker- of zoutconcentraties verlaagt de wateractiviteit en remt de groei van de meeste organismen.

3. Geschikte temperatuur — Elke soort heeft een minimale, optimale en maximale groeitemperatuur. Mesofiele organismen (waaronder de meeste pathogenen en laboratoriumstammen) groeien optimaal bij 20–45 °C. Een nauwkeurig geregelde laboratoriumincubator is onmisbaar voor reproduceerbare kweken.

4. Juiste pH — De meeste bacteriën groeien bij pH 6,5–7,5; neutrofiele organismen hebben een optimum bij pH 7,0. Acidofiele organismen (zoals Lactobacillus) groeien bij lage pH; alcalofiele organismen bij pH boven 9. Buffering van het medium — met fosfaatbuffers, MOPS of HEPES — voorkomt pH-drift door zuurvormende metabolieten tijdens kweek.

5. Juiste atmosfeer — Aeroben hebben zuurstof nodig; obligate anaeroben worden gedood door zuurstof; facultatieve anaeroben groeien met of zonder zuurstof. Micro-aërofiele organismen (zoals Campylobacter) groeien optimaal bij een verlaagde zuurstofconcentratie (5%) en een verhoogd CO₂-gehalte (10%). Schudculturen en beluchte bioreactoren zorgen voor voldoende zuurstoftoevoer bij aeroben; voor anaeroben worden anaërobepotten met gasopwekkende sachets of anoxische kabinetten gebruikt.

Hoe wordt kweekmedium gesteriliseerd?

De standaardmethode voor sterilisatie van microbiologische kweekmedia is autoclaveren bij 121 °C, 1 bar overdruk, gedurende 15–20 minuten. Deze condities zijn voldoende om vegetatieve cellen, schimmelsporen en de meeste bacteriesporen (met uitzondering van de meest hittebestendige sporen van bepaalde Bacillus-soorten) te doden. Het vloeistofprogramma van de autoclaaf moet worden gebruikt — niet het standaard instrumentenprogramma — om koken en overdruk in de flacons te voorkomen.

Alternatieve sterilisatiemethoden zijn sterielfiltratie (0,22 µm membraanfilter) voor hittegevoelige oplossingen, en tyndallisatie (herhaaldelijk verhitten op 100 °C gedurende drie opeenvolgende dagen) als historische methode voor media die niet kunnen worden geautoclaveerd. Tyndallisatie is niet betrouwbaar genoeg voor moderne laboratoria en wordt vervangen door sterielfiltratie of de keuze voor hittestabiele alternatieven.

Na sterilisatie worden media bewaard bij 4 °C (agarplaten maximaal 2–4 weken; vloeibare bouillon 3–6 maanden mits afgesloten). Media die een antibioticum bevatten, worden korter bewaard: de meeste bèta-lactam-antibiotica (ampicilline, penicilline) hebben een halfwaardetijd van enkele dagen tot weken bij 4 °C. Ampicillineplaten worden bij voorkeur niet langer dan twee weken opgeslagen; carbenicilline is stabieler en wordt als alternatief gebruikt bij langdurige kweekexperimenten.

Waarom gebruik je bij het herinkweken een vaste voedingsbodem en geen vloeibare voedingsbodem?

Bij het herinkweken (subkultiveren) van een mengcultuur op een vaste voedingsbodem maakt de uitstrektechniek het mogelijk individuele cellen van elkaar te scheiden en te isoleren. Elke geïsoleerde cel groeit uit tot een zichtbare kolonie die — in theorie — afkomstig is van één enkele voorloupercel (kloon). Dit maakt de isolatie van zuivere stammen mogelijk, wat de basis vormt voor identificatie, typering en verdere experimenten.

In een vloeibaar medium vermengen alle organismen zich onvermijdelijk. Een snelgroeiend organisme overheerst de kweek in korte tijd; langzaamgroeiende of kwetsbare organismen worden weggeconcurreerd. Op een vaste voedingsbodem groeit elke kolonie op zijn eigen plek, onafhankelijk van zijn buren, waardoor ook langzaam groeiende of competitief zwakkere organismen zichtbaar worden.

Is agar hetzelfde als gelatine?

Nee. Agar en gelatine zijn chemisch fundamenteel verschillend. Agar is een polysaccharide (koolhydraat) van plantaardige/algenoorsprong; gelatine is een eiwit (gehydrolyseerd collageen) van dierlijke oorsprong. Agar heeft een smeltpunt van circa 85 °C en een stelpunt van circa 42 °C; gelatine smelt al bij 28 °C, wat gebruik bij bacteriologische incubatietemperaturen (37 °C) onmogelijk maakt. Bovendien kunnen proteolytische bacteriën gelatine afbreken door de productie van gelatinase, terwijl agar door de overgrote meerderheid van micro-organismen niet als koolstofbron wordt benut.

Kwaliteitscontrole van kweekmedia

Elk zelfbereid of commercieel aangekocht kweekmedium dient te worden gecontroleerd vóór gebruik. De ISO 11133-norm beschrijft de eisen voor de kwaliteitscontrole van microbiologische voedingsbodems. De minimale kwaliteitscontroles omvatten een steriliteitstest (incubatie van niet-geïnoculeerde platen of buizen gedurende 48–72 uur bij 37 °C om contaminatie uit te sluiten), een groeibevorderingstest met referentiestammen (ATCC- of WDCM-stammen) en een functionele test voor selectieve en differentiaalmedia (groeiremming van de doelorganismen resp. correct kleurpatroon).

Bereid kweekmedium dat aan kwaliteitscontrole onderworpen is geweest, wordt gedocumenteerd met bereidingsdatum, lot-nummer van de droge componenten, sterilisatieparameters en testresultaten. In geaccrediteerde laboratoria (ISO 17025) en GMP-omgevingen is deze documentatie verplicht.

Kweekmedia en benodigde apparatuur voor het laboratorium

Voor de bereiding en het gebruik van kweekmedia is de volgende apparatuur en het volgende materiaal nodig: een autoclaaf voor sterilisatie (zie het kennisbankartikel over autoclaven), een analytische of semi-analytische balans, een magnetische roerder met verwarmingsplaat voor het oplossen van agar, een pH-meter voor de pH-instelling, steriele petrischalen of kweekkolven voor het gieten of distribueren van media, en een incubator voor de kweek. Schudkweken in vloeibaar medium vereisen een orbitale schudder die voldoende zuurstoftoevoer garandeert (zie het kennisbankartikel laboratorium rotatoren en schudders). Het kweken zelf en de groeifasen worden uitgebreid behandeld in het kennisbankartikel eencelligen kweken in het laboratorium. Alle materialen die in contact komen met het medium moeten steriel zijn; het kennisbankartikel steriel versus niet-steriel biedt een praktische richtlijn voor de materiaalkeuze.

Kweekmedia en voedingsbodems uit het Labvakhandel-assortiment

Labvakhandel levert een breed scala aan kweekmedia en voedingsbodems voor microbiologische toepassingen. Het assortiment omvat zowel droge poedermedia voor zelfbereiding (Nutrient Agar, LB-medium, Sabouraud, MacConkey en andere standaardmedia) als kant-en-klaar gegoten platen en voorbereide flessen met steriel medium. Voor laboratoria en onderwijsinstellingen die snel willen kunnen starten, zijn voorbereide platen vaak de praktischste keuze: ze zijn direct inzetbaar, kwaliteitsgecontroleerd en hoeven niet meer te worden geautoclaveerd of gegoten. Een voorbeeld uit het assortiment is de Nutrient Agar in 9 cm petrischaal — kant-en-klaar voor inoculatie. Voor specifieke media, andere verpakkingsvormen of grotere afnames buiten de webwinkel kunt u contact opnemen voor een offerte op maat.

Voor downstream moleculaire analyse van kweekresultaten op RNA-niveau — zoals RNA-isolatie uit bacteriën of kweekcellijnen en detectie via RT-qPCR — zie het artikel over RNA-isolatie en RNA-analyse.

Neem contact op voor advies over kweekmedia, autoclaafapparatuur of kweekmateriaal voor uw specifieke toepassing, of bekijk ons assortiment voor microbiologie en biotechnologie.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.