ML-1, ML-2, ML-3 en ML-4 zijn de Nederlandse inperkingsniveaus voor laboratoria waar met genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) wordt gewerkt. Ze worden ook als ML-I t/m ML-IV geschreven. ML staat voor microbiologisch laboratorium. Het cijfer geeft aan hoe streng de inperking is: hoe hoger het niveau, hoe zwaarder de eisen aan de ruimte, de werkwijze en de toegang. Het gaat dus niet om een medisch laboratorium. Het artikel over BSL-klassen beschrijft de internationale bioveiligheidsniveaus en de agentia per niveau. Dit artikel gaat over de Nederlandse ML-indeling zelf: wat een ML-niveau is, hoe het wordt bepaald, wie erover beslist, wat elk niveau in de praktijk vraagt en welke apparatuur erbij hoort.
De ML-niveaus zijn de vier inperkingsniveaus van de Nederlandse regels voor het ingeperkt gebruik van ggo’s. Ze corresponderen met de vier risicoklassen die voor micro-organismen gelden. Een hoger niveau hoort bij een ziekteverwekkender organisme en bouwt voort op de maatregelen van het niveau eronder.
Een ML-2-lab is een laboratorium dat is ingericht voor ggo-werk op inperkingsniveau 2. Dat is het niveau voor organismen met een beperkt risico voor mens en milieu. Kenmerkend zijn beperkte toegang, een gesloten deur tijdens het werk, een biologisch veiligheidskabinet voor handelingen waarbij aerosolen ontstaan, desinfectie van afval en een autoclaaf op locatie. Ook in de praktijk wordt het geschreven als ML-II of ML2.
In de ggo-praktijk staat ML voor microbiologisch laboratorium, gevolgd door het inperkingsniveau (ML-I, ML-II, enzovoort). De combinatie van niveau en type ruimte heet de categorie van fysieke inperking. Voor andere ruimten, zoals kassen en dierverblijven, bestaan aparte categorieën. In sommige online bronnen vindt u een andere uitleg van de afkorting; de officiële stukken van Bureau GGO en uw eigen instelling gaan voor.
Lab is de korte vorm van laboratorium: een ruimte waar onderzoek, analyses of proeven worden uitgevoerd onder gecontroleerde omstandigheden. Een ML-lab is dus een laboratorium waarin met micro-organismen wordt gewerkt, en ML zegt iets over de mate van inperking.
Nee. ML staat niet voor medisch laboratorium. Een medisch of klinisch laboratorium kan wel in een ML-2-omgeving werken als het met ggo’s werkt, maar het label zegt niets over het type onderzoek. Klinische diagnostiek met niet-gemodificeerde ziekteverwekkers valt niet onder de ML-indeling, maar onder de regels voor biologische agentia in het Arbobesluit en wordt vaak op BSL-2-niveau uitgevoerd. Voor bloedonderzoek en de uitleg van bloedwaarden verwijzen wij naar uw arts.
Een ML1-lab is bedoeld voor organismen met een verwaarloosbaar risico. Basishygiëne en goede laboratoriumpraktijk volstaan. Een ML2-lab is bedoeld voor organismen die ziekte kunnen veroorzaken maar die zich moeilijk verspreiden en waarvoor behandeling of preventie bestaat. Daar komen bij: beperkte toegang, een biologisch veiligheidskabinet bij aerosolvorming, gesloten deuren en een gestructureerde inactivatie van afval. De tabel verderop zet alle vier de niveaus naast elkaar.
BSL (Biosafety Level) is het internationale kader voor werken met biologische agentia, gebaseerd op de WHO. ML is de Nederlandse indeling voor het ingeperkt gebruik van ggo’s en is juridisch verankerd in de milieuregelgeving. De niveaus lopen inhoudelijk grotendeels parallel: ML-1 komt overeen met BSL-1 en zo verder tot ML-4 en BSL-4. Het verschil zit in het wettelijk kader en in het onderwerp: BSL gaat over het werken met agentia in het algemeen, ML over het inperken van ggo’s. De WHO beschrijft het bioveiligheidskader in de Laboratory Biosafety Manual.
Het BSL-niveau is het bioveiligheidsniveau (BSL-1 t/m BSL-4) dat de beheersmaatregelen voor een laboratorium bepaalt op basis van het risico van het agens. Het artikel over BSL-klassen werkt de niveaus uit met voorbeelden en eisen.
Genetisch gemodificeerde organismen kunnen eigenschappen hebben die het moederorganisme niet heeft. Daarom moet vooraf worden beoordeeld wat een ggo voor mens en milieu betekent als het ontsnapt. De ML-niveaus vertalen die beoordeling in concrete inperkingsmaatregelen.
Ingeperkt gebruik betekent werken met ggo’s in een afgesloten ruimte, zoals een laboratorium, een fabriek, een dierverblijf of een kas, met maatregelen die contact met mens en milieu beperken. Het omvat onder meer het maken, vermeerderen, vervoeren en vernietigen van ggo’s. Experimenten buiten zo’n inperking, zoals veldproeven, vallen onder een ander regime. De Europese basis is Richtlijn 2009/41/EG over het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen.
De regels staan in het omgevingsrecht en vloeien voort uit de Europese richtlijn. Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 en de bijbehorende regeling zijn de bekende namen. Met de komst van de Omgevingswet zijn onderdelen daarvan ondergebracht in het omgevingsrecht, onder meer het Besluit activiteiten leefomgeving. De regelgeving is in beweging, dus controleer de actuele stand bij Bureau GGO of via het Omgevingsloket voordat u een traject start.
Bureau GGO voert de wettelijke taken uit namens het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en is het aanspreekpunt voor wie met ggo’s werkt. Het beoordeelt de kennisgevingen en vergunningaanvragen voor ingeperkt gebruik. De Commissie Genetische Modificatie (COGEM) adviseert over de risico’s. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op het gebruik van ggo’s; voor gebruikers voor ingeperkt gebruik staat dat beschreven op de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Ook de NVWA controleert of vergunninghouders zich aan de regels houden.
Dat hangt af van de risicobeoordeling en van de actuele regels. In de praktijk van instellingen wordt voor lagere niveaus gewerkt met een kennisgeving en voor hogere niveaus met een vergunning; voor niveau IV is volgens het Informatiepunt Leefomgeving altijd een omgevingsvergunning nodig, en voor niveau I tot en met III in de meeste gevallen ook een vergunning op grond van het omgevingsplan. Het bedrijf of de instelling moet bovendien vooraf algemene gegevens aanleveren. Vraag het altijd na bij Bureau GGO, want het antwoord verschilt per activiteit en kan veranderen met de regelgeving. Werkzaamheden mogen pas starten na de beschikking.
Het ML-niveau volgt uit een risicobeoordeling van de specifieke ggo-activiteit. Het niveau van het ouderorganisme is een startpunt, maar niet het eindpunt: de gemodificeerde eigenschappen kunnen het risico verhogen of verlagen. De beoordeling is ook de basis van de kennisgeving of de vergunningaanvraag.
De risicogroep beschrijft het gevaar van het organisme zelf. Het ML-niveau beschrijft de inperking die nodig is voor een concrete ggo-activiteit in een concrete ruimte. Ze lopen vaak gelijk op, maar het ML-niveau volgt uit de beoordeling van het ggo en de handelingen. Een gemodificeerd organisme kan daardoor op een lager of hoger niveau uitkomen dan het ouderorganisme.
Dat verschilt per constructie. Een niet-pathogene laboratoriumstam met een onschuldig gen valt doorgaans onder ML-1. Virale vectoren, zoals lentivirale of adeno-geassocieerde vectoren, vragen afhankelijk van het ontwerp en het doelgen vaak ML-2. Een goede beoordeling is dus altijd per project nodig. Voor de technieken zie het artikel over CRISPR-Cas9 en het overzicht moleculaire biologie en biotechnologie.
De gebruiker, dus de instelling of het bedrijf, is verantwoordelijk voor de beoordeling. Intern wordt dat meestal gedaan met de biologisch veiligheidsfunctionaris en de projectleider; het resultaat wordt ingediend bij Bureau GGO. Voor het arbo-deel van de beoordeling zie het artikel over de RI&E voor het laboratorium en over risicoanalyse in het laboratorium.
ML-1 is het laagste niveau. Het is bedoeld voor ggo’s waarvan de beoordeling laat zien dat ze nauwelijks risico voor mens en milieu opleveren, zoals veelgebruikte, niet-pathogene laboratoriumstammen. De inperking steunt vooral op goede werkwijzen.
Een ML-1-lab vraagt een gewone, goed te reinigen werkruimte met een wastafel en een afsluitbare toegang. Instellingen leggen in een werkinstructie doorgaans de volgende basisregels vast:
Bedek de morsing met absorberend materiaal en ontsmet met een geschikt desinfectans. Meld de morsing bij de biologisch veiligheidsfunctionaris, volg de instructie van uw instelling en leg het incident vast. Bij een incident met ggo’s kan een meldplicht bij de ILT gelden. Het veiligheidsinformatieblad van het desinfectans geeft de contacttijd en de beschermingsmiddelen, zie het artikel over het veiligheidsinformatieblad.
Nee. Eten, drinken, roken en het aanbrengen van cosmetica zijn in elk ML-lab verboden. Bewaar voedsel en persoonlijke spullen buiten de werkruimte.
ML-2 geldt voor ggo’s die op basis van de beoordeling een beperkt risico vormen. Op dit niveau gelden de maatregelen van ML-1, aangevuld met meer technische en organisatorische eisen. Veel moleculair-biologische en celbiologische laboratoria werken op dit niveau.
Naast de basisregels van ML-1 gelden op ML-2 onder meer:
Een biologisch veiligheidskabinet klasse II beschermt de gebruiker, het product en de omgeving. De luchtstroom en de HEPA-filters houden aerosolen tegen die bij pipetteren, vortexen of centrifugeren kunnen vrijkomen. De achtergrond van HEPA-filtratie staat in het artikel over HEPA- en ULPA-filters; de keuze tussen kabinettypen in de keuzewijzer voor zuurkasten en luchtzuiverende werkkasten.
Het gaat om ggo’s met een beperkt risico, zoals sommige gemodificeerde bacteriën, virale vectoren of cellijnen waarvoor de beoordeling ML-2 oplevert. Welk niveau geldt, volgt uit de risicobeoordeling en niet uit een vaste lijst. Voor celkweek op dit niveau zie het artikel over celkweektechnieken.
ML-3 is bedoeld voor ggo’s die ernstige ziekte kunnen veroorzaken en waarvan overdracht via de lucht een reële route is. Het stelt hoge eisen aan het gebouw en aan de werkwijze. Het is een zwaar en duur traject, dat bij weinig instellingen voorkomt.
De Europese richtlijn over ingeperkt gebruik geeft het kader. In het algemeen horen bij dit niveau een van de rest van het gebouw gescheiden werkruimte, toegang via een sluis, onderdruk ten opzichte van de omgeving zodat lucht naar binnen stroomt, HEPA-filtratie van de afgezogen lucht, werken in een biologisch veiligheidskabinet, een autoclaaf op locatie en strikte regels voor kleding en afval. De exacte eisen staan in de actuele regelgeving en in de vergunning.
Onderdruk zorgt ervoor dat lucht altijd van buiten naar binnen stroomt. Zo ontsnappen er bij een lek geen aerosolen naar de gangen. De afgezogen lucht gaat door HEPA-filters voordat ze naar buiten gaat.
ML-4 is het hoogste niveau, voor ggo’s die levensbedreigende ziekte kunnen veroorzaken en waarvoor geen behandeling of vaccin bestaat. Het vraagt een volledig afgesloten faciliteit met een eigen ventilatie, werken in een klasse III-kabinet of in een positiefdrukpak met eigen luchttoevoer, ontsmettingsdouches en behandeling van afvalwater. Voor ggo-werk op dit niveau is volgens het Informatiepunt Leefomgeving altijd een omgevingsvergunning nodig.
Voor zover bekend is in Nederland geen BSL-4-laboratorium in bedrijf. Onderzoek met de gevaarlijkste agentia gebeurt in het buitenland, bijvoorbeeld in Duitsland, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk. Controleer de actuele stand bij de bevoegde instanties, want dat kan veranderen. Het artikel over BSL-klassen noemt de agentia en de eisen voor BSL-4.
De tabel geeft per niveau het risicoprofiel en de belangrijkste kenmerken. Een hoger niveau bouwt voort op alle maatregelen van het niveau eronder. De eisen zijn indicatief; de vergunning en de regelgeving gelden altijd voor uw situatie.
De apparatuur volgt uit de inperkingsmaatregelen. De tabel noemt de onderdelen die in de meeste ML-1- en ML-2-laboratoria terugkomen.
Los van het niveau gelden in elk laboratorium een aantal basisregels. Ze zijn de basis van ML-1 en blijven op elk hoger niveau van kracht.
De kern is: draag de voorgeschreven beschermingsmiddelen, was uw handen voor het verlaten van de ruimte, eet en drink niet in het lab, werk gesloten en beperk aerosolen, ontsmet werkvlakken, voer afval gescheiden af, meld incidenten en volg de instructies van de biologisch veiligheidsfunctionaris. Chemische veiligheid kent aparte regels, zie het artikel over het veiligheidsinformatieblad.
Voor biologisch werk onderscheidt men in de praktijk drie invalshoeken: de veiligheid van de medewerker (arbeidsomstandigheden), de veiligheid van de omgeving (inperking, zodat ggo’s niet in het milieu komen) en de beveiliging tegen misbruik (biosecurity). Het artikel over BSL-klassen werkt het verschil tussen biosafety en biosecurity uit.
De biologisch veiligheidsfunctionaris (BVF) is binnen een instelling de vertrouwenspersoon voor veilig werken met biologische agentia en ggo’s. Hij of zij adviseert over de risicobeoordeling, ziet toe op de naleving van de regels en is het aanspreekpunt bij incidenten en morsingen.
Voor alle niveaus geldt dat ggo-materiaal niet ongecontroleerd het lab mag verlaten. Afval wordt geïnactiveerd, besmet afvalwater wordt niet zonder desinfectie op het riool geloosd en transport gebeurt in een gesloten verpakking.
Verzamel ggo-afval gescheiden, inactiveer het door autoclaveren of een gevalideerde chemische methode en voer het daarna af volgens de regels van uw instelling. Voor de inzameling en afvoer, ook van scherp en biologisch afval, zie het artikel over laboratoriumafvalbeheer. Voor het schoonmaken van herbruikbaar glaswerk zie het artikel over laboratoriumvaatwassers en thermodesinfectors.
Binnen het gebouw vervoert u ggo-materiaal in een gesloten, breukvaste en lekdichte container met een duidelijk opschrift. Voor vervoer buiten de instelling kunnen aanvullende regels gelden, bijvoorbeeld voor genetisch gemodificeerde micro-organismen onder het vervoer van gevaarlijke stoffen. Zie het artikel over ADR-vervoer van gevaarlijke stoffen en raadpleeg de biologisch veiligheidsfunctionaris.
De risicoklasse (1 tot en met 4) beschrijft hoe gevaarlijk een organisme is. Het ML-niveau (ML-1 tot en met ML-4) is de inperking die voor een ggo-activiteit nodig is. Ze corresponderen, maar het ML-niveau volgt uit de beoordeling van de activiteit.
Inhoudelijk lopen ML-2 en BSL-2 grotendeels gelijk, maar ze zijn niet hetzelfde. ML-2 is een Nederlands inperkingsniveau voor ggo-werk met een wettelijk kader, BSL-2 is het internationale bioveiligheidsniveau voor werken met biologische agentia in het algemeen.
Welke toetsing of vergunning nodig is, hangt af van het niveau en de actuele regels. Bureau GGO beoordeelt de kennisgevingen en vergunningaanvragen. Informeer daar naar de eisen voor uw situatie. Kabinetten en autoclaven worden daarnaast periodiek gekeurd volgens de documentatie van de fabrikant.
Werken met ggo’s zonder de vereiste melding of vergunning is niet toegestaan en kan leiden tot handhaving door de toezichthouder. Raadpleeg daarom vooraf Bureau GGO.
Ook onderwijsinstellingen vallen onder de regels als zij met ggo’s werken. Voor het onderwijs worden in de praktijk vaak niet-pathogene stammen op het laagste niveau gebruikt, maar ook dan geldt de beoordeling en de plicht om de regels na te leven. Overleg met uw biologisch veiligheidsfunctionaris.
Bij Bureau GGO, bij de COGEM en op de website van de ILT, en in de interne instructies van uw instelling. Het artikel over BSL-klassen geeft de internationale achtergrond.
Voor het inrichten van een ML-1- of ML-2-laboratorium vindt u apparatuur en toebehoren in onze webgroepen sterilisatie, bescherming, laboratoriumplastics en laboratoriumcentrifuges. Neem contact op voor advies over de apparatuur die bij uw inperkingsniveau past.
Onderdeel van: Farmaceutisch lab · Klinisch laboratorium
Geschreven door Labvakhandel, specialist in laboratoriumbenodigdheden voor bedrijven en instellingen.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.