In een laboratorium wordt gewerkt met chemische stoffen, open vuur, scherp glaswerk en biologisch materiaal. Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's) vormen de laatste verdedigingslinie tegen restrisico's die niet door technische of organisatorische maatregelen zijn weggenomen. Dit artikel geeft een overzicht van de meest gebruikte PBM's in laboratoriumomgevingen, de eisen waaraan ze moeten voldoen en de keuzeoverwegingen per toepassing.
Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn hulpmiddelen die de drager beschermen tegen gevaren voor de veiligheid en gezondheid. Ze worden ingezet wanneer risico's niet volledig door bronaanpak of technische maatregelen kunnen worden geëlimineerd. In de Europese PBM-verordening (EU 2016/425) zijn eisen vastgelegd waaraan PBM's moeten voldoen voor CE-markering. Werkgevers zijn op grond van de Arbowet verplicht om een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) op te stellen en op basis daarvan passende PBM's ter beschikking te stellen.
PBM's zijn onderverdeeld in drie categorieën naar risicozwaarte. Categorie I omvat eenvoudige beschermingsmiddelen tegen minimale risico's. Categorie II betreft de meeste gangbare laboratorium-PBM's zoals handschoenen en veiligheidsbrillen. Categorie III omvat PBM's tegen ernstige of fatale risico's, zoals ademhalingsbescherming voor toxische stoffen.
Op grond van de Arbowet is de werkgever verplicht om de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen kosteloos ter beschikking te stellen aan medewerkers. De kosten van PBM's mogen niet worden verhaald op de werknemer — ook niet via inhoudingen op het loon of eigen bijdragen.
De werkgever is daarnaast verantwoordelijk voor:
Wanneer een werknemer een PBM beschadigt door onzorgvuldig gebruik, kan de werkgever in bijzondere gevallen civielrechtelijk verhaal zoeken — maar dit laat de primaire verstrekkingsplicht onverlet. Raadpleeg voor de toepassing in uw laboratorium de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
De laboratoriumjas beschermt de eigen kleding en huid tegen spatten, gemorste chemicaliën en besmetting met biologisch materiaal. Of een labjas als PBM kwalificeert hangt af van de risico's in de specifieke werksituatie. Als werkkleding beschermt hij de eigen kleding; als PBM beschermt hij de drager tegen gevaren voor veiligheid en gezondheid.
Een laboratoriumjas (ook wel labjas of witte jas genoemd) reikt doorgaans tot kniehoogte en biedt daarmee bescherming aan het grootste deel van het lichaam, inclusief de dijen. Een labjacket is een kortere variant — vergelijkbaar met een werkjasje — die tot de heup of het middel reikt. Het labjacket biedt minder lichaamsoppervlak bescherming en is daardoor minder geschikt als PBM bij werk met chemicaliën of biologisch materiaal. Het labjacket wordt soms gebruikt in industriële omgevingen waar mobiliteit zwaarder weegt dan uitgebreide bescherming, of als bovenste laag in combinatie met aanvullende beschermende kleding.
Voor laboratoriumtoepassingen waarbij spatten, biologisch materiaal of ontvlambare stoffen een rol spelen, verdient de volledige laboratoriumjas de voorkeur. De norm EN 13688 stelt eisen aan beschermende kleding voor algemeen gebruik; specifiekere eisen gelden voor thermische bescherming (EN ISO 11612) en elektrostatische bescherming (EN 1149).
Een stofjas is een werkkledingstuk dat bedoeld is om de eigen kleding te beschermen tegen vuil, stof en slijtage — en kwalificeert doorgaans niet als persoonlijk beschermingsmiddel in de zin van de PBM-verordening. Een laboratoriumjas voldoet aan technische normen voor beschermende kleding (onder meer EN 13688) en is specifiek ontworpen om de drager te beschermen tegen chemische spatten, biologisch materiaal en — afhankelijk van het materiaal — thermische gevaren.
In de praktijk ziet u stofjassen met name in magazijnen, apotheken en schoonmaakdiensten; laboratoriumjassen van 100% katoen of vlamvertragend materiaal horen thuis in chemische, biologische en industriële laboratoria waar de jas als PBM fungeert. Wanneer de labjas als PBM is aangemerkt in de RI&E, gelden de verstrekkings- en onderhoudseisen van de Arbowet — zie ook de sectie risicoanalyse in het laboratorium.
Een laboratoriumjas dient tot circa kniehoogte te reiken om de bovenbeenpartij afdoende te beschermen. Bij korter knielange modellen blijft een deel van het onderbeen onbeschermd; dit is acceptabel bij laag risico op spatten maar onvoldoende bij intensief werk met bijtende of toxische vloeistoffen.
Qua maatkeuze geldt als vuistregel dat de labjas comfortabel over de eigen kleding moet passen zonder te krap te zitten of de bewegingsvrijheid te beperken. Bij twijfel kiest u één maat groter: een labjas die te krap zit kan scheuren en biedt minder bescherming. Labjassen zijn beschikbaar in unisex modellen, in maten XXS tot en met XXL. Let bij aanschaf op de mouwhoogte: de mouwen van de labjas moeten de eigen kleding volledig afdekken.
De witte kleur heeft een praktische achtergrond: verontreinigingen — spatten van chemicaliën, bloed of andere biologische vloeistoffen — zijn op een witte jas direct zichtbaar. Dat maakt snelle signalering van besmetting mogelijk. In ziekenhuizen en medische laboratoria versterkt de witte kleur daarnaast de herkenbaarheid van zorgpersoneel. In sommige laboratoria worden gekleurde labjassen gebruikt om verschillende afdelingen of functies te onderscheiden, bijvoorbeeld blauw voor de keuken of oranje voor gevaarlijke stoffen. De technische beschermingswaarde van de jas is echter niet afhankelijk van de kleur, maar van het materiaal en de constructie.
De keuze van het materiaal is bepalend voor de beschermingswaarde, met name bij werk met open vuur of ontvlambare stoffen:
Een labjas moet goed sluiten en lang genoeg zijn om ook de kleding onder de jas te bedekken. Mouwen van de eigen kleding mogen niet uitsteken. De jas moet altijd gesloten gedragen worden. Bij werk met open vuur geldt aanvullend dat lange haren opgestoken moeten zijn en dat licht ontvlambare kleding, sjaals en losse kledingstukken niet onder de labjas mogen uitsteken.
Regelmatig wassen is essentieel — gemorste chemicaliën kunnen door een vuile jas heen slaan naar de kleding eronder. Was de jas op de hoogst toegestane temperatuur voor het materiaal en controleer na het wassen op vlekken die kunnen duiden op restanten van chemicaliën. Een jas met onbekende chemische besmetting mag niet gedragen worden totdat de aard van de besmetting is vastgesteld.
Een labjas van 100% katoen is doorgaans machinewasbaar op 60 °C of hoger, wat ook geschikt is voor thermische desinfectie. Polyester-katoen mengsels zijn in de meeste gevallen wasbaar op 40 tot 60 °C; raadpleeg altijd het verzorgingsetiket.
Voor het drogen gelden de volgende richtlijnen:
Handschoenen beschermen de handen tegen chemische stoffen, biologisch materiaal, snijwonden en thermische gevaren. De keuze van het juiste handschoentype is cruciaal: niet elk handschoen biedt bescherming tegen elke stof.
Nitril is het meest gebruikte materiaal voor laboratoriumhandschoenen. Nitril handschoenen zijn latexvrij en poedervrij, wat allergische reacties minimaliseert. Ze bieden goede bescherming tegen een breed scala aan chemicaliën, waaronder verdunde zuren, basen en vele organische oplosmiddelen. Beschikbaar in blauw of zwart, in maten S tot en met XL. Wegwerphandschoenen van nitril voldoen aan EN 455 (medisch gebruik) en EN 420 (algemene beschermende handschoenen).
Ondanks de brede chemische bestendigheid van nitril zijn er stoffen waartegen nitrilhandschoenen onvoldoende bescherming bieden. Nitril biedt beperkte weerstand tegen:
Raadpleeg bij twijfel altijd de chemische bestendigheidstabel van de fabrikant van de specifieke handschoen, inclusief de opgegeven doorbraaktijd bij de betreffende stof en concentratie. Dikke herbruikbare nitrilhandschoenen (0,3 mm of dikker) bieden doorgaans langere doorbraaktijden dan dunne wegwerpmodellen van dezelfde samenstelling.
Latex handschoenen bieden uitstekende tactiele gevoeligheid en flexibiliteit. Ze zijn geschikt voor algemeen laboratoriumgebruik en biologisch werk, maar kunnen bij gevoelige personen allergische reacties veroorzaken. In omgevingen waar latexallergie een risico is verdienen nitril handschoenen de voorkeur.
De drie meest gebruikte materialen voor wegwerphandschoenen in het laboratorium verschillen op een aantal punten:
Voor laboratoriumtoepassingen is nitril in de meeste gevallen de beste keuze vanwege de combinatie van chemische bestendigheid, allergieprofiel en tactiele gevoeligheid. Raadpleeg bij twijfel altijd de chemische bestendigheidstabel van de fabrikant.
Nitril is een synthetisch rubber — ook aangeduid als NBR (nitrile butadiene rubber). Het wordt geproduceerd door polymerisatie van acrylonitrile en butadieen, en bevat geen natuurlijk latexeiwit. Dat maakt nitrilhandschoenen geschikt voor personen met een latexallergie. Anders dan natuurrubber (uit de Hevea-boom) is nitril volledig synthetisch van oorsprong en wordt het specifiek ontwikkeld voor de combinatie van chemische bestendigheid, rek en punctuurweerstand die voor laboratoriumgebruik vereist is.
Naast het materiaal bepalen dikte en kwaliteitsklasse de beschermingswaarde. De dikte van nitrilhandschoenen varieert doorgaans van 0,08 tot 0,15 mm voor wegwerphandschoenen. Een dikkere handschoen biedt langere doorbraaktijden bij chemisch contact, maar vermindert de tactiele gevoeligheid. De AQL-waarde (Acceptable Quality Level) geeft aan hoeveel pinholes statistisch zijn toegestaan per partij: een lagere AQL-waarde (AQL 1,0 of lager) duidt op een hogere kwaliteitsstandaard. Voor medisch en biologisch werk wordt AQL 1,5 of lager aanbevolen.
De juiste maat handschoen is van belang voor zowel comfort als bescherming. Een handschoen die te strak zit beperkt de bewegingsvrijheid en vergroot de kans op scheuren; een handschoen die te ruim zit vermindert de tactiele gevoeligheid en kan loskomen. Meet de omtrek van uw hand op het breedste punt (over de knokkels, duim niet meegeteld) om de juiste maat te bepalen:
Fabrikanten kunnen licht afwijkende maatvoering hanteren; raadpleeg altijd de maattabel van de specifieke handschoen. Bij twijfel tussen twee maten kiest u de grotere maat: een iets ruimere handschoen is in de meeste laboratoriumsituaties veiliger dan een te strakke.
Zwetende handen bij het dragen van nitril of latex handschoenen zijn een veelvoorkomend verschijnsel. Handschoenen zijn luchtdicht en verhinderen verdamping van vochtigheid, waardoor warmte en zweet zich ophopen. Een aantal maatregelen kan dit beperken:
De maximale draagduur hangt af van twee factoren: de doorbraaktijd bij de gebruikte stof en de hygiënische staat van de handschoen.
Wegwerphandschoenen zijn bedoeld voor één gebruiksmoment en worden na afronding van de taak weggegooid — ook wanneer er geen zichtbare besmetting is.
Laboratoriummedewerkers met eczeem of een gevoelige huid lopen een verhoogd risico op huidirritatie bij langdurig handschoengebruik. Handschoenen houden warmte en vocht vast, wat bestaande huidproblemen kan verergeren. Een aantal maatregelen beperkt dit risico:
Voor specifieke toepassingen zijn gespecialiseerde handschoenen beschikbaar. Dikke butylrubber of neopreen handschoenen bieden betere bescherming bij langdurig contact met geconcentreerde chemicaliën. Hittebestendige handschoenen zijn vereist bij werk met ovens, autoclaven of vloeibare stikstof. Raadpleeg altijd de chemische bestendigheidstabel van de fabrikant bij twijfel over de geschiktheid voor een specifieke stof.
De ogen zijn bijzonder kwetsbaar voor spatten van chemicaliën, stofdeeltjes en UV-straling. In laboratoria waar met vloeistoffen, drukopbouw of stralende bronnen wordt gewerkt, is oogbescherming in de meeste gevallen verplicht.
De keuze tussen een veiligheidsbril en een spatbril (volledig gesloten chemicaliënbril) hangt af van het risicoprofiel van de werkzaamheden:
Een spatbril vervangt een veiligheidsbril niet in alle situaties — bij stofvorming zonder spatrisico kan een veiligheidsbril met zijbescherming voldoende zijn. Bij combinatie van risico's (stof én spat) geniet de spatbril de voorkeur.
Op grond van de Arbowet is de werkgever verplicht om op basis van de RI&E passende PBM's ter beschikking te stellen. Voor laboratoria betekent dit in de praktijk dat oogbescherming in vrijwel alle situaties waarbij met vloeistoffen, gassen of stof wordt gewerkt verplicht is. De specifieke vereiste — veiligheidsbril of spatbril — staat beschreven in rubriek 8 van het veiligheidsinformatieblad (VIB) van de gebruikte stof; let er bij aanschaf op dat nieuwe brillen voldoen aan EN ISO 16321-1 (de opvolger van EN 166, van kracht vanaf november 2025). In de praktijk hanteert men in veel laboratoria de vuistregel dat oogbescherming altijd gedragen wordt zodra men de laboratoriumruimte betreedt, ongeacht de specifieke taak.
Brildragers kunnen kiezen uit twee oplossingen: een overzetbril die over de eigen bril heen wordt gedragen, of een veiligheidsbril op sterkte. Overzetbrillen zijn direct inzetbaar en geschikt voor occasioneel gebruik; een veiligheidsbril op sterkte biedt doorgaans meer draagcomfort bij langdurig gebruik. De werkgever is niet automatisch verplicht een veiligheidsbril op sterkte te vergoeden, maar wanneer de reguliere werkzaamheden continue oogbescherming vereisen, kan dit redelijkerwijs worden verlangd.
Een veiligheidsbril met zijbescherming biedt basisbescherming tegen spatten en vliegende deeltjes. De actuele Europese norm is EN ISO 16321-1 (van kracht vanaf november 2025, opvolger van EN 166). Verkrijgbaar in uitvoeringen met en zonder anti-condens coating (markering N). Geschikt voor algemeen laboratoriumgebruik bij laag tot matig risico op spatten.
Tot november 2025 gold voor oogbescherming de Europese norm EN 166. Vanaf 11 november 2025 is EN 166 als geharmoniseerde norm vervallen en vervangen door EN ISO 16321-1. Nieuwe producten kunnen sindsdien niet langer op basis van EN 166 worden gecertificeerd; producten met een geldig EN 166-certificaat mogen nog worden verkocht zolang dat certificaat geldig is.
De actuele norm voor oogbescherming in het laboratorium is EN ISO 16321-1. Deze norm stelt eisen aan optische kwaliteit, mechanische sterkte en markering. De markering op het montuur en de glazen geeft aan waartegen de bril beschermt:
Controleer bij aanschaf altijd of de bril de CE-markering en de EN ISO 16321-1-certificering draagt. Raadpleeg voor de specifieke beschermingseisen het veiligheidsinformatieblad (VIB) van de gebruikte stof.
Een spatbril sluit volledig aan op het gezicht en biedt ringvormige bescherming rondom de ogen. Vereist bij werk met geconcentreerde zuren, basen of andere bijtende vloeistoffen waarbij het risico op spatten hoger is. Verkrijgbaar met indirecte ventilatie om beslaan te minimaliseren.
Een gelaatsscherm beschermt het gehele gezicht en wordt gebruikt als aanvulling op een veiligheidsbril bij werk met verhoogd spatrisico, drukopbouw of grote volumes gevaarlijke vloeistoffen. Het vervangt de veiligheidsbril niet — beide worden gecombineerd gedragen.
Adembescherming is vereist wanneer schadelijke dampen, gassen, stof of aeroërolen niet voldoende door ventilatie of afzuiging worden beperkt. In goed geventileerde laboratoria met een zuurkast is aanvullende adembescherming vaak niet nodig; bij werken buiten de zuurkast met vluchtige of toxische stoffen kan dit echter wel vereist zijn.
Adembescherming in het laboratorium is verplicht wanneer technische maatregelen — zoals werken in een zuurkast of lokale afzuiging — onvoldoende zijn om de blootstelling onder de wettelijke grenswaarden te houden. Concrete situaties waarbij aanvullende adembescherming vereist kan zijn:
De verplichting en het vereiste type adembescherming zijn vastgelegd in rubriek 8 van het veiligheidsinformatieblad (VIB) van de gebruikte stof.
FFP staat voor Filtering Face Piece — een wegwerpstofmasker met geïntegreerd filtermateriaal. De norm EN 149 onderscheidt drie beschermingsklassen op basis van filtratieëfficiëntie en maximaal inwaarts lek:
Let op: geen van de drie FFP-klassen biedt bescherming tegen gassen of dampen. Raadpleeg voor meer informatie over maskertypen en toepassingen het kennisbankartikel Adembescherming in het laboratorium.
FFP2 en FFP3 zijn filterklassen voor wegwerpstofmaskers volgens EN 149. Het verschil zit in de filtratieëfficiëntie en het maximale lekpercentage:
Voor de meeste laboratoriumtoepassingen waarbij stofmaskers worden ingezet — zoals het wegen van poedervormige chemicaliën of het werken met biologisch materiaal — volstaat FFP2. FFP3 is vereist wanneer de stof een hoge toxiciteit heeft of wanneer de blootstellingsgrenswaarde zeer laag ligt. Beide typen bieden geen bescherming tegen gassen of dampen.
N95 en FFP2 zijn vergelijkbare filterklassen uit respectievelijk de Amerikaanse (NIOSH) en Europese (EN 149) normeringsystemen. Beide filteren minimaal 94–95% van de deeltjes bij een gestandaardiseerde luchtstroom. Er zijn echter relevante verschillen:
Voor gebruik in een Europees laboratorium zijn maskers met CE-markering en EN 149-certificering (FFP2 of FFP3) de aangewezen keuze. N95-maskers zonder CE-markering voldoen formeel niet aan de Europese PBM-vereisten en kunnen in een RI&E-context niet worden gebruikt als gecertificeerd PBM. In de praktijk bieden N95 en FFP2 een vergelijkbaar beschermingsniveau, maar voor arbeidsrechtelijke doeleinden prevaleert de Europese certificering.
Een halfgelaatsmasker biedt alleen de beoogde bescherming wanneer het masker goed aansluit op het gezicht van de drager. Zelfs een kwalitatief hoogwaardig masker lekt bij een onvoldoende pasvorm langs de rand, waardoor de beschermingswaarde sterk afneemt.
Voor herbruikbare halfgelaatsmaskers schrijft de Arbowet voor dat werkgevers periodiek een passendheidstest (fit test) laten uitvoeren. Er zijn twee methoden:
Voer na het opzetten van een halfgelaatsmasker altijd een gebruikscontrole uit: dek de uitademventiel af en blaas licht uit — het masker mag niet lekken langs de randen. Raadpleeg voor een volledig overzicht van maskertypen en keuzeoverwegingen het kennisbankartikel Adembescherming in het laboratorium.
Wegwerpmaskers van het type FFP2 en FFP3 zijn ontworpen voor éénmalig gebruik. De gebruiksduur hangt af van drie factoren:
Sommige wegwerpmaskers zijn voorzien van een NR-markering (Not Reusable) — deze mogen uitsluitend voor één dienst worden gebruikt. Maskers zonder NR-markering mogen in principe meerdere diensten worden gebruikt mits ze droog en onbeschadigd zijn, maar voor laboratoriumtoepassingen met toxische of biologisch actieve stoffen is eenmalig gebruik de veiligste keuze. Herbruikbare halfgelaatsmaskers met verwisselbare filters hebben een langere levensduur; zie daarvoor het kennisbankartikel Adembescherming in het laboratorium.
Naast labjas, handschoenen, oogbescherming en adembescherming behoort gesloten schoeisel tot de basisuitrusting in het laboratorium. Open schoeisel zoals sandalen of slippers is in een laboratorium niet toegestaan: bij het morsen van chemicaliën of het vallen van glaswerk bieden ze geen enkele bescherming. Stevige, gesloten schoenen die de gehele voet afdekken zijn de minimumstandaard; veiligheidsschoenen met stalen neus zijn vereist wanneer met zware apparatuur of recipiënten wordt gewerkt.
Afhankelijk van de specifieke werksituatie kunnen naast de basisPBM's aanvullende middelen vereist zijn:
Welke aanvullende PBM's vereist zijn, staat beschreven in rubriek 8 van het veiligheidsinformatieblad (VIB) van de gebruikte stof.
De keuze van PBM's moet altijd zijn gebaseerd op de specifieke gevaren in de werksituatie. De meest voorkomende gevaren in laboratoria en de bijbehorende basisbescherming zijn:
De vereiste PBM's per stof staan beschreven in rubriek 8 van het veiligheidsinformatieblad (VIB): type handschoen inclusief doorbraaktijd, filtertype voor adembescherming en vereiste oogbescherming.
Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn de laatste verdedigingslinie — maar de beste bescherming begint bij veilig gedrag. De volgende gedragsregels gelden in vrijwel elk laboratorium als basisstandaard en vormen een aanvulling op de PBM-verplichting.
Voor een volledig overzicht van de veiligheidsregels die gelden voor chemische werkzaamheden in een onderwijssetting, zie het kennisbankartikel Veilig werken in het scheikundelokaal.
Noodvoorzieningen zijn het vangnet wanneer PBM's en veilig gedrag onvoldoende zijn gebleken. De aanwezigheid en bereikbaarheid van noodmiddelen is in de meeste laboratoria wettelijk verplicht en wordt gecontroleerd bij een risicoanalyse (RI&E).
Bij huidcontact met bijtende of toxische stoffen moet de getroffen huid of slijmvlieszone onmiddellijk en gedurende minimaal 15 minuten worden gespoeld met ruim water. Een nooddouche biedt daarvoor een constante watertoevoer over het gehele lichaam; een oogdouche is specifiek ontworpen voor het spoelen van de ogen bij een lage druk die het hoornvlies niet beschadigt.
In een laboratorium worden doorgaans CO2-blusser en blusdeken als primaire blusmiddelen aangehouden. Een poederblusser is in laboratoria minder wenselijk omdat het poeder apparatuur en reagentia onherstelbaar kan beschadigen. De blusdeken is met name geschikt voor het doven van kleding- of personenbrand.
Een laboratorium-EHBO-koffer bevat naast de standaard EHBO-middelen aanvullende materialen die specifiek zijn voor chemische of biologische incidenten, zoals brandwondengel, oogspoelaampullen en nitrile handschoenen voor de hulpverlener. De inhoud en keuring van de EHBO-koffer moeten zijn afgestemd op de risico's in de specifieke werksituatie, zoals beschreven in de RI&E.
Zorg dat alle medewerkers weten waar de EHBO-koffer zich bevindt en wie de aangewezen EHBO-er is. Bij ernstige ongelukken — zoals ingestie van een gevaarlijke stof, diep snijwonden of brandwonden groter dan een handpalm — belt u direct 112.
Wanneer in het laboratorium gewerkt wordt met brandbare oplosmiddelen in een ATEX-geclassificeerde zone, gelden aanvullende eisen aan persoonlijke beschermingsmiddelen bovenop de standaard laboratoriumPBM's:
De verplichting tot het dragen van ATEX-geschikte PBM's moet zijn vastgelegd in het explosieveiligheidsdocument (EVD) als onderdeel van de RI&E. Lees meer over ATEX-zoneclassificatie, wettelijke eisen en explosieveilige apparatuur in het kennisbankartikel ATEX in het laboratorium ›
PBM's bieden alleen bescherming wanneer ze in goede staat verkeren. Wegwerphandschoenen en -maskers worden na één gebruik weggegooid. Herbruikbare PBM's zoals veiligheidsbrillen, spatbrillen en labjassen moeten regelmatig worden gereinigd en gecontroleerd op beschadigingen. Een beschadigde of verouderde PBM moet direct worden vervangen.
Droge, schone handen zijn een basisvereiste voor het correct dragen en afzetten van PBM's; welk type papieren handdoekrol of -doekje daarvoor het meest geschikt is — afhankelijk van dispensersysteem, laagopbouw en omgevingstype — is samengevat in de keuzewijzer voor papieren handdoekrollen.
Zie ook: Nitril handschoenen | Labjassen 100% katoen | Oogbescherming & veiligheidsbrillen | Adembescherming & maskers | GLP-kennisbank | ATEX in het laboratorium
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.