Turbidimetrie en nephelometrie: troebelheidsmeting in het laboratorium

Schematisch overzicht van turbidimetrie (transmissie bij 0 graden) en nephelometrie (verstrooiing bij 90 graden): lichtbron, cuvet met gesuspendeerde deeltjes, detectoren en meeteenheden NTU/FNU

Turbidimetrie en nephelometrie zijn twee complementaire optische technieken voor de kwantitatieve bepaling van troebelheid in vloeistoffen. Beide methoden meten de wisselwerking van licht met gesuspendeerde deeltjes, maar vanuit een andere meethoek: turbidimetrie meet het verlies aan transmissie van de lichtbundel (bij 0°), terwijl nephelometrie het zijwaarts verstrooide licht meet (typisch bij 90°). Troebelheid is in de wateranalyse, milieubewaking, de farmaceutische industrie, de microbiologie en de klinische diagnostiek een essentiële kwaliteitsparameter. Dit artikel behandelt het principe van beide technieken, de meetgrootheden NTU en FNU, de instrumenten, de verschillen en overeenkomsten, en de belangrijkste toepassingen — zowel vanuit de invalshoek van spectroscopie als van de analytische chemie.

Wat is troebelheid en hoe ontstaat ze?

Troebelheid (Engels: turbidity) is het optisch verschijnsel waarbij gesuspendeerde of geëmulgeerde deeltjes in een vloeistof de doorgaande lichtbundel verzwakken en licht in alle richtingen verstrooien. De mate van troebelheid hangt af van de concentratie van de deeltjes, hun grootte, vorm en brekingsindex ten opzichte van de vloeistof. Deeltjes die klein zijn ten opzichte van de golflengte van het invallende licht (diameter < λ/10) verstrooien licht symmetrisch in alle richtingen (Rayleigh-verstrooiing). Grotere deeltjes (diameter ≥ λ) verstrooien licht preferentieel in de voorwaartse richting (Mie-verstrooiing). In de praktijk zijn de meeste waterige suspensies een mengsel van beide regimes, wat de kalibratie en interpretatie van troebelheidsmeting complex maakt.

Typische bronnen van troebelheid in analytisch relevante matrices zijn zwevende deeltjes in drinkwater en oppervlaktewater (klei, silicaat, organisch materiaal), bacteriën of gistcellen in een kweekmedium, een precipitaat dat gevormd is na toevoeging van een reagens (zoals bij immunonefelometrie), vet- of oliedruppels in een emulsie, en onopgeloste farmaceutische substanties of deeltjes in injecteerbaren en infusievloeistoffen. Troebelheid kan ook optreden als storingseffect bij UV/Vis-spectrofotometrie en fotometrische bepalingen, waarbij deeltjes de gemeten absorptie kunstmatig verhogen.

Wat is het principe van turbidimetrie?

Turbidimetrie meet de verzwakking (attenuatie) van een lichtbundel die door het monster is gegaan. De detector staat in het verlengde van de lichtbron, op 180° van de bron (of equivalent: op 0° ten opzichte van de invallende bundel aan de uittreedkant van het monster). De meetgrootheid is de transmissie T of de extinctie E = –log(T). Naarmate de troebelheid toeneemt, neemt de transmissie af en de extinctie toe. Het verband tussen extinctie en deeltjesconcentratie volgt bij lage concentraties de Beer-Lambert-wet, maar bij hoge troebelheid treedt afwijking op door meervoudige verstrooiing en interferentie van absorptie door gekleurde componenten.

Turbidimetrie wordt uitgevoerd met een spectrofotometer of colorimeter uitgerust met een cuvet of een doorstroom-cuvet. Een standaard laboratoriumspectrofotometer kan voor turbidimetrie worden ingezet door de golflengte in te stellen op een waarde waarbij de vloeistof zelf niet absorbeert — typisch 400–700 nm voor waterige monsters. Voor hogere gevoeligheid wordt 860 nm gebruikt (nabij-IR), wat tevens de storende bijdrage van echte lichtabsorptie door gekleurde componenten minimaliseert.

Wat is het principe van nephelometrie?

Nephelometrie (van het Griekse nephele, wolk) meet het licht dat door gesuspendeerde deeltjes zijwaarts wordt verstrooid, typisch bij een meethoek van 90° ten opzichte van de invallende bundel. De detector staat loodrecht op de lichtbron, zodat de doorgelaten bundel het detectorsignaal niet beïnvloedt. Bij lage deeltjesconcentraties is het nephelometrisch signaal direct evenredig met de deeltjesconcentratie en is de gevoeligheid aanmerkelijk hoger dan bij turbidimetrie, omdat het signaal wordt gemeten tegen een donkere achtergrond. Bij hoge concentraties treedt verzadiging op doordat de verstrooide fotonen worden geabsorbeerd of opnieuw verstrooid vóór zij de detector bereiken.

Nephelometers worden ontworpen met nauwkeurig gedefinieerde meetgeometrie en lichtbron. ISO 7027 schrijft voor troebelheidsmeting in water een infraroodlichtbron voor bij 860 nm en een detectiehoek van 90° (met een optionele 30°-detector voor hoge troebelheid). Deze norm is de basis voor de eenheid FNU (Formazine Nephelometric Unit). In de klinische diagnostiek worden nefelometers met laser- of halogeen-lichtbronnen gebruikt voor eiwitbepaling in serum, waarbij de gemeten verstrooiing direct evenredig is met de hoeveelheid antigen-antilichaam-complex.

Wat is het verschil tussen nephelometrie en turbidimetrie?

De twee technieken meten hetzelfde fenomeen — lichtinteractie met deeltjes — maar vanuit een complementaire hoek.

Kenmerk Turbidimetrie Nephelometrie
Meethoek 0° (doorvalend licht) 90° (zijwaarts verstrooid licht)
Meetgrootheid Transmissieverlies / extinctie Intensiteit verstrooid licht
Gevoeligheid bij lage troebelheid Lager (klein signaalverschil op hoge achtergrond) Hoger (meting tegen donkere achtergrond)
Gevoeligheid bij hoge troebelheid Hoger (transmissie nog goed meetbaar) Lager (verzadiging door meervoudige verstrooiing)
Meeteenheid (water) FAU / NTU bij 860 nm, of ATU FNU (ISO 7027), NTU (EPA 180.1)
Instroomintolerantie kleur Gevoelig voor absorptie door kleur Minder gevoelig bij IR-lichtbron (860 nm)
Typische toepassing Drinkwatercontrole hoge troebelheid, bacterie-OD, fotometrie Drinkwater lage troebelheid, klinische eiwitbepaling, immunoassay
Instrumenttype Spectrofotometer, fotometer, turbidimeter bij 0° Nefelometer, laser-nefelometer

In de praktijk worden de termen turbidimetrie en nephelometrie soms door elkaar gebruikt, ook voor instrumenten die meerdere meethoeken combineren. Ratio-turbidimeters meten zowel de transmissie als het 90°-verstrooide licht en berekenen de verhouding, wat de meting minder gevoelig maakt voor kleur en deeltjesgroottevariaties.

Meeteenheden: NTU, FNU, FAU en EBC

De meest gebruikte eenheden voor troebelheid zijn gebaseerd op kalibratie met een formazine-standaard. Formazine is een polymeer dat wordt bereid door reactie van hexamethyleentetraamine met hydrazinesulfaat; de troebelheid van een gestandaardiseerde formazine-oplossing (400 FTU) dient als primaire referentie.

NTU (Nephelometric Turbidity Unit) is de eenheid die wordt gehanteerd in de VS conform US EPA-methode 180.1. De EPA-methode schrijft wit licht voor (gloeilamp) en een 90°-detector. FNU (Formazine Nephelometric Unit) is de ISO 7027-eenheid voor nefelometrie met 860-nm IR-lichtbron en 90°-detector; dit is de Europese standaard voor drinkwater (EU Drinkwaterrichtlijn, NEN-EN-ISO 7027). Beide eenheden zijn in de meeste bereiken vrijwel gelijk in waarde voor lage troebelheid, maar kunnen divergeren bij hogere troebelheden en bij sterk gekleurde monsters vanwege de verschillende golflengte van de lichtbron. FAU (Formazine Attenuation Unit) wordt gebruikt bij turbidimetrie (transmissie bij 860 nm). EBC-eenheden (European Brewery Convention) worden in de brouwerijsector gebruikt voor bier.

Voor drinkwater geldt in de EU een grenswaarde van ≤ 1 FNU voor water dat rechtstreeks bij de consument aankomt (EU Drinkwaterrichtlijn 2020/2184). Voor water dat het waterbehandelingsbedrijf verlaat worden streefwaarden van ≤ 0,1 FNU gehanteerd als maatstaf voor microbiologische veiligheid — lage troebelheid correleert met effectieve desinfectie. Sterk troebel water (> 4 NTU) kan de effectiviteit van chloordesinfectie verminderen doordat deeltjes bacteriën afschermen.

Toepassingen in de wateranalyse

Troebelheidsmeting is een van de meest gebruikte parameters in de wateranalyse, zowel online in de procesbeheersing als offline in het laboratorium. Bij drinkwaterproductie worden inline nefelometers ingezet op de uitgang van elk filter om filterdoorbraak te detecteren; een plotselinge stijging van de troebelheid boven 0,3 FNU op de filteruitgang is een signaal dat het filter niet meer goed functioneert of doorlekt. In de rioolwaterzuivering wordt troebelheid gemeten als maat voor de belasting met zwevende stoffen (ZS of TSS, totaal gesuspendeerde vaste stoffen). In afvalwatereffluenten geeft troebelheid een indicatie voor de kwaliteit van de biologische zuivering en de nabezinking. Voor milieumonitoring in oppervlaktewater is troebelheid een indicator voor erosie, algengroei en waterdiepterijke sedimentatie. Troebelheidsmeting is ook nauw verwant aan het meten van gesuspendeerde deeltjes via gravimetrische methoden; zie ook het artikel over gravimetrische analyse.

Toepassingen in de microbiologie: bacteriegroei via OD600

In de microbiologie en biotechnologie wordt de optische dichtheid van een bacteriesuspensie bij 600 nm (OD600) gemeten als maat voor de celconcentratie. OD600 is in principe een turbidimetrische meting: het meet de extinctie van de lichtbundel door de bacteriesuspensie. OD600-meting is de standaardmethode voor het volgen van bacteriegroei in fermentaties, het instellen van entculturen op een gewenste celconcentratie, en het snel bepalen van de groeifase (logaritmische fase, stationaire fase). De meting is eenvoudig, snel en niet-destructief. Het lineaire bereik is typisch OD600 = 0,1–0,8; buiten dit bereik moet worden verdund. Zie het kennisbankartikel over celgroei meten en OD600 voor een uitgebreide behandeling van OD600-meting, kalibratie naar celconcentratie en alternatieven zoals flowcytometrie en microscopisch tellen. OD600-metingen worden uitgevoerd op een UV/Vis-spectrofotometer of op een speciale OD600-meter of een bioreactor met inline-optische-dichtheidsmeting.

Toepassingen in de farmaceutische industrie

In de farmaceutische industrie is troebelheid een kwaliteits- en veiligheidsparameter voor parenterale producten (injecteerbaren, infusievloeistoffen, oogdruppels). De Europese Farmacopee (Ph. Eur. 2.2.1) beschrijft de bepaling van troebelheid van oplossingen voor injectie via nefelometrie ten opzichte van formazine-referentiesuspensies. Zichtbare deeltjes (> 50 µm) worden visueel geïnspecteerd; subzichtbare deeltjes (2–50 µm) worden geteld via lichtobstructie (HIAC of Coulter Counter-principe) conform Ph. Eur. 2.9.19/2.9.20. Troebelheid in een farmaceutische oplossing kan duiden op eiwitaggregatie (bij biotechnologische producten), op onvoldoende oplosbaarheid van de werkzame stof, op microbiologische contaminatie of op compatibiliteitsproblemen bij mengen van infusievloeistoffen. Bij eiwitgeneesmiddelen is troebelheidsmeting een snelle screeningsparameter voor aggregatie naast DSC voor eiwitstabiliteit en laserdiffractie voor deeltjesgroottebepaling.

In de farmaceutische kwaliteitscontrole wordt turbidimetrische detectie gebruikt in de LAL-test voor endotoxinen: de gelvorming veroorzaakt door endotoxinen wordt gevolgd als toename in troebelheid.

Klinische diagnostiek: immunonefelometrie en immunoturbidimetrie

In de klinische chemie worden nephelometrie en turbidimetrie op grote schaal ingezet voor de bepaling van specifieke eiwitten in serum, plasma en andere lichaamsvloeistoffen. De techniek berust op een antigen-antilichaambinding: het te bepalen eiwit (antigen) reageert met een specifiek antilichaam, waardoor immuuncomplexen worden gevormd die licht verstrooien of de transmissie verminderen. Voor analyten in lagere concentraties of waar grotere specificiteit nodig is, wordt vaak gekozen voor een ELISA, waarbij een enzymgekoppeld antilichaam zorgt voor een gevoeligere kleur- of luminescentiereactie. De hoeveelheid gevormd complex — en dus de intensiteit van het gemeten signaal — is evenredig met de concentratie van het eiwit. Typische analytes in de klinische nefelometrie zijn IgG, IgA, IgM en andere immunoglobulinen, C-reactief proteïne (CRP) als acute-fase-eiwit en marker voor ontsteking, reumafactor (RF) als klinische marker bij reumatoïde artritis, complementeiwitten (C3, C4), ceruloplasmine, transferrine, albumine en prealbumine, en lipoproteïnen (Lp(a), apolipoproteine A-I en B). De vragen uit de AlsoAsked-export over reumafactor turbidimetrie, CRP turbidimetrie en Lp(a) turbidimetrie weerspiegelen direct deze klinische toepassingen: al deze bepalingen worden routinematig uitgevoerd op geautomatiseerde immunonefelometers of immunoturbidimeters op de klinisch-chemische afdeling van ziekenhuislaboratoria.

Immunonefelometrie (90°-detectie) heeft bij lage eiwitconcentraties een hogere gevoeligheid dan immunoturbidimetrie (0°-detectie), maar immunoturbidimetrie is eenvoudiger te integreren in bestaande klinisch-chemische analysatoren die op het absorptieprincipe werken. Beide methoden geven bij goed gekalibreerde systemen vergelijkbare resultaten voor de meeste routineparameters.

Hoe interpreteert u de resultaten van een turbidimetrische meting?

De interpretatie van troebelheidsmeting vereist kennis van de meetomstandigheden, de kalibratie en de matrix. Enkele praktische aandachtspunten:

Kalibratiestabiliteit: formazine-primaire standaarden zijn beperkt houdbaar en moeten koel en donker worden bewaard. Secundaire standaarden op latex- of gelatinenebasis zijn stabieler maar vereisen tracering naar de primaire formazine-referentie. Matrixeffecten: gekleurde monsters absorberen licht en verhogen kunstmatig de schijnbare troebelheid bij meting met wit licht; gebruik bij voorkeur een 860-nm-lichtbron. Temperatuureffect: temperatuurverschillen tussen monster en omgeving kunnen condensatie op de cuvet of uitvlokking van bestanddelen veroorzaken. Zeepbellen: luchtbelletjes geven vals-hoge signalen; laat monsters bezinken of ontgas voorzichtig. Concentratiebereik: bij hoge troebelheden (> 40 FNU nefelometrisch) kunnen metingen onbetrouwbaar worden; verdun het monster en corrigeer voor de verdunningsfactor.

Instrumentkeuze: turbidimeter of nefelometer?

De keuze tussen een turbidimeter (transmissie) en een nefelometer (verstrooiing) hangt af van het verwachte troebelheidsgebied en de toepassing. Voor troebelheden onder 0,1 FNU — zoals bij gefilterd drinkwater of water voor injectie — is de nefelometer met IR-lichtbron (conform ISO 7027) de gevoeligste keuze. Voor troebelheden in het bereik 1–4000 FNU — zoals bij rioolwater, proceswater of fermentatiebroths — volstaat een turbidimeter of ratio-turbidimeter. Voor speciale toepassingen zoals immunonefelometrie en deeltjesgroottebepaling zijn specifieke instrumenten vereist met laserlichtbron en geavanceerde optica. Vaste labglaswerk en reinheid van de cuvet zijn kritisch: vetsporen, krassen of restanten van een vorige meting verstoren de meting. Gebruik cuvetten die vrij zijn van optische fouten en veeg ze af met een lensdoekje vóór meting.

Turbidimetrie als spectroscopische techniek

Vanuit spectroscopisch perspectief is turbidimetrie een bijzondere uitvoering van extinctie-spectroscopie. Waar UV/Vis-spectrofotometrie de moleculaire absorptie van licht meet, meet turbidimetrie het combinatieve effect van absorptie en verstrooiing. In beide gevallen is de gemeten extinctie een maat voor de optische dichtheid van het monster en geldt de Beer-Lambert-wet als benaderingsmodel bij lage concentraties. Het onderscheid wordt zichtbaar bij de golflengte-afhankelijkheid: bij echte moleculaire absorptie geeft het absorptiespectrum pieken op kenmerkende golflengten; bij verstrooiing neemt de extinctie monotoon toe met afnemende golflengte (λ⁻⁴ voor Rayleigh). Spectrofotometers kunnen dit onderscheid helpen maken door een volledig golflengtespectrogram op te nemen. Troebelheid corrumpeert absorptiemetingen van opgeloste stoffen; filtratie of centrifugatie vóór spectrofotometrie is dan noodzakelijk. Zie ook het artikel over fotometrische en colorimetrische bepalingen voor de bredere context van optische analysemethoden.

Veelgestelde vragen

Zijn nephelometrie en turbidimetrie hetzelfde?

Nee, ze meten hetzelfde fenomeen (troebelheid door lichtverstrooiing) maar met een andere geometrie. Turbidimetrie meet de verzwakking van de doorgelaten bundel (0°-detectie); nephelometrie meet het zijwaarts verstrooide licht (typisch 90°-detectie). Nephelometrie is gevoeliger bij lage troebelheden; turbidimetrie is robuuster bij hoge troebelheden. In het dagelijks gebruik worden beide termen soms door elkaar gebruikt, maar instrumenteel zijn het verschillende opstellingen.

Wat is het verschil tussen NTU en FNU?

NTU en FNU zijn beide eenheden voor troebelheid die zijn gebaseerd op een formazine-kalibratiestandaard, maar ze worden gedefinieerd door verschillende normen en lichtbronnen. NTU (Nephelometric Turbidity Unit) is de Amerikaanse EPA-eenheid (methode 180.1) en schrijft een gloeilamp (wit licht) voor bij een 90°-detector. FNU (Formazine Nephelometric Unit) is de Europese ISO 7027-eenheid en schrijft een infraroodlichtbron voor bij 860 nm en eveneens 90°-detectie. Bij lage troebelheden (onder circa 10 FNU) zijn beide eenheden numeriek nagenoeg gelijk. Bij hogere troebelheden of sterk gekleurde monsters kunnen de waarden uiteenlopen doordat de kleurinterferentie bij witte licht (NTU) groter is dan bij 860 nm (FNU). In Europa en voor drinkwater conform de EU-richtlijn is FNU de voorgeschreven eenheid.

Welke norm geldt voor troebelheidsmeting in drinkwater?

Voor troebelheidsmeting in drinkwater geldt in Europa de norm ISO 7027 (NEN-EN-ISO 7027-1), die een infraroodlichtbron bij 860 nm en een detectiehoek van 90° voorschrijft. De bijbehorende eenheid is FNU. De EU Drinkwaterrichtlijn 2020/2184 hanteert een grenswaarde van ≤ 1 FNU voor water bij de verbruiker; voor het uitstromende water van waterbehandelingsbedrijven geldt een streefwaarde van ≤ 0,1 FNU. In de VS geldt US EPA-methode 180.1 met NTU als eenheid. Beide normen gebruiken formazine als primaire kalibratiestandaard, maar de lichtbronnen verschillen, zodat meetresultaten bij sterk gekleurde of hoge troebelheden niet één-op-één vergelijkbaar zijn.

Hoe werkt immunonefelometrie?

Immunonefelometrie is een techniek waarbij een specifiek antilichaam wordt toegevoegd aan het te analyseren monster (serum of urine). Het antilichaam bindt aan het doeleiwit (het antigen), waardoor immuuncomplexen ontstaan die licht verstrooien. De intensiteit van het verstrooide licht bij 90° wordt gemeten door een nefelometer en is bij lage concentraties evenredig met de hoeveelheid gevormde immuuncomplexen en daarmee met de concentratie van het doeleiwit. De meting wordt gekalibreerd met standaarden van bekende concentratie, waarna de uitslag in g/L of mg/dL wordt gerapporteerd. Immunonefelometrie wordt routinematig toegepast voor de bepaling van immunoglobulinen (IgG, IgA, IgM), CRP, reumafactor, complementeiwitten en serumeiwitten in ziekenhuislaboratoria.

Wat is een andere naam voor een nefelometer?

Een nefelometer wordt ook wel aangeduid als troebelheids-nefelometer of scatteringsdetector. In de klinische diagnostiek spreekt men van een immunonefelometer wanneer het specifiek voor antigen-antilichaamreacties is uitgerust. In de wateranalyse zijn online-troebelheidssensoren die op het 90°-principe werken ook als nefelometrische sensoren aangeduid.

Wat is nefelometrie in medische termen?

In de medische context verwijst nefelometrie naar de immunonefelometrie: de kwantitatieve bepaling van specifieke eiwitten (immunoglobulinen, CRP, reumafactor, complementeiwitten) in bloed of urine via de meting van lichtverstrooiing door antigen-antilichaamcomplexen. De uitslag geeft de concentratie van het betreffende eiwit in g/L of mg/dL en is een standaardbepaling in het klinisch-chemisch laboratorium van ziekenhuizen.

Wat is de procedure van een nefelometrietest?

In de wateranalyse: breng het monster in een schone cuvet, stel de nefelometer in op de juiste meetmodus (ISO 7027, 860 nm, 90°), kalibreer met de formazine-standaard-reeks en meet de troebelheid in FNU. In de klinische diagnostiek: voeg monster (serum of urine) en specifiek antilichaamreagens samen in een reactiecel van de analysator, wacht een gedefinieerde reactietijd, meet de verstrooiing nefelometrisch en bereken de concentratie via een kalibratiecurve met bekende standaarden.

Wat is het basisprincipe van turbidimetrie?

Het basisprincipe is de verzwakking van een lichtbundel die door een suspensie passeert. Gesuspendeerde deeltjes absorberen en verstrooien een deel van het licht, waardoor de intensiteit van de doorgelaten bundel afneemt. De mate van verzwakking — gemeten als extinctie of transmissie — is bij lage deeltjesconcentraties evenredig met de deeltjesconcentratie (Beer-Lambert-benadering) en is de maat voor de troebelheid in NTU of FAU.

Wat is het verschil tussen turbidimetrie en spectrofotometrie?

Spectrofotometrie meet de moleculaire absorptie van licht door opgeloste verbindingen op specifieke golflengten; het signaal is het gevolg van elektronische overgangen in moleculen. Turbidimetrie meet de verzwakking van de lichtbundel door gesuspendeerde deeltjes, waarbij zowel verstrooiing als absorptie bijdragen aan de extinctie. Bij spectrofotometrie is de golflengte-afhankelijkheid kenmerkend voor het absorberende molecuul (absorptiepiek); bij turbidimetrie neemt de extinctie monotoon toe met afnemende golflengte door Rayleigh-verstrooiing. Turbidimetrie werkt bij voorkeur op 860 nm (nabij-IR), waar echte moleculaire absorptie minimaal is. Beide technieken gebruiken een cuvet en meten transmissie of extinctie, maar de fysische oorzaak van de signaalverzwakking is fundamenteel verschillend.

Wat is het verschil tussen fluorimetrie en nefelometrie?

Fluorescentie-spectroscopie (fluorimetrie) meet de emissie van fotonen door moleculen die na lichtabsorptie terugvallen naar de grondtoestand — het gemeten signaal is het karakteristieke emissiespectrum van een fluorescente verbinding. Nephelometrie meet elastisch verstrooid licht door deeltjes zonder energieoverdracht — het gemeten signaal heeft dezelfde golflengte als de lichtbron. Fluorimetrie is een techniek voor opgeloste fluoroforen; nefelometrie is een techniek voor gesuspendeerde deeltjes. Zie ook het artikel over fluorescentie-spectroscopie.

Hoe werkt een nefelometer?

Een nefelometer bestaat uit een lichtbron, een cuvethouder en een detector die loodrecht op de invallende bundel staat (typisch 90°). De lichtbron — conform ISO 7027 een infrarooddiodelaser of LED bij 860 nm — bestrijkt het monster in de cuvet. Gesuspendeerde deeltjes verstrooien een deel van het licht zijwaarts; de fotodetector op 90° meet de intensiteit van dit verstrooide licht. Een ingebouwde microprocessor vergelijkt het signaal met een kalibratiecurve die is opgesteld met formazine-standaarden en berekent de troebelheid in FNU. Klinische nefelometers werken op vergelijkbare wijze, maar maken gebruik van een laser- of halogeen-lichtbron en zijn geoptimaliseerd voor de meetkinetiek van antigen-antilichaamreacties.

Hoe gebruik je een nefelometer?

De gebruiksprocedure voor een laboratorium-nefelometer omvat vier stappen. Ten eerste: kalibratie met een reeks formazine-standaarden (of gecertificeerde secundaire standaarden) om de meetcurve in te stellen. Ten tweede: blank-meting met de onverstoorde vloeistof of het oplosmiddel om de achtergrondsverstrooiing te compenseren. Ten derde: monstermeting — breng het monster in een schone, krasvrije cuvet, controleer op luchtbelletjes en meet de troebelheid. Ten vierde: documenteer de gemeten waarde in FNU en vergelijk met de geldende norm of specificatie. Periodieke verificatie met een gecertificeerde controlstandaard is noodzakelijk voor traceerbare resultaten conform ISO 7027.

Hoe wordt turbidimetrie ook wel genoemd?

Turbidimetrie wordt in de Nederlandse en internationale vakliteratuur ook aangeduid als troebelheidsmeting, attenuatiemeting of extinctie-troebelheidsmeting. In de microbiologie is de term OD-meting (optische-dichtheidsmeting) gangbaar wanneer het specifiek gaat om bacteriegroei bij 600 nm (OD600). In de wateranalyse spreekt men van turbiditeitsanalyse. Het Engelse begrip turbidimetry wordt in internationale normen en publicaties consistent gebruikt. Instrumenten voor turbidimetrie worden aangeduid als turbidimeter, fotometer of — bij inlinetoepassing — als inline-troebelheidssensor.

Wat is het verschil tussen troebelheid en turbidimetrie?

Troebelheid (turbiditeit) is een eigenschap van een vloeistof: de mate waarin gesuspendeerde deeltjes de doorgaande lichtbundel verzwakken en licht verstrooien. Turbidimetrie is de meettechniek waarmee deze eigenschap wordt gekwantificeerd. Het onderscheid is vergelijkbaar met dat tussen zuurgraad (pH als eigenschap) en potentiometrie (de meettechniek). Troebelheid wordt uitgedrukt in NTU, FNU of FAU; turbidimetrie beschrijft de methode en het instrumentarium waarmee die waarde wordt bepaald. In de volksmond en soms in de industrie worden beide termen door elkaar gebruikt, maar analytisch zijn het categorisch verschillende begrippen.

Welke factoren beïnvloeden nefelometrie en turbidimetrie?

De voornaamste factoren die de nauwkeurigheid en reproduceerbaarheid van troebelheidsmeting beïnvloeden zijn: de deeltjesgrootte en -verdeling (Rayleigh- versus Mie-regime), de deeltjesconcentratie (bij hoge concentraties treedt meervoudige verstrooiing op), de kleur van het monster (gekleurde componenten absorberen licht en verhogen de schijnbare troebelheid bij witte lichtbronnen), de golflengte van de lichtbron (860 nm IR minimaliseert kleurinterferentie), de meetgeometrie (0° versus 90°-detectie), de reinheid van de cuvet (vetsporen, krassen), de aanwezigheid van luchtbellen, de temperatuur (uitvlokking of condensatie) en de kwaliteit en houdbaarheid van de kalibratiestandaarden. Ratio-turbidimeters compenseren deels voor variaties in deeltjesgrootte en kleur door transmissie en verstrooiing gelijktijdig te meten.

Wat zijn de nadelen van nefelometrie?

De voornaamste beperkingen van nefelometrie zijn: verzadiging bij hoge troebelheden (boven circa 40 FNU neemt het signaal niet meer lineair toe door meervoudige verstrooiing), gevoeligheid voor grote deeltjes die licht preferentieel voorwaarts verstrooien (Mie-regime), interferentie door fluorescente monsters (het emissielicht kan de 90°-detector bereiken), hogere instrumentkosten vergeleken met eenvoudige turbidimeters, en de noodzaak van zorgvuldige cuvet- en standaardenbehandeling. Bij de klinische immunonefelometrie geldt bovendien dat het antigen-antilichaamantigeenexces (prozone-effect) kan leiden tot vals-lage uitslagen bij hoge antigeen-concentraties, wat door verdunning of reactiekinetieksoftware moet worden ondervangen.

Wat zijn de voordelen van ratio-turbidimetrie (nefeloturbidometrie)?

Ratio-turbidimetrie — ook aangeduid als nefeloturbidometrie of ratiometrische turbidimetrie — combineert gelijktijdige meting van het doorgelaten licht (0°, turbidimetrisch) en het verstrooide licht (90°, nefelometrisch) en berekent de verhouding van beide signalen. De voordelen ten opzichte van enkelvoudige turbidimetrie of nefelometrie zijn: verminderde gevoeligheid voor variaties in deeltjesgrootte en deeltjesvorm, betere compensatie voor kleurabsorptie door de matrix, een groter lineair meetbereik (1–4000 FNU) zonder dat verdunning noodzakelijk is, en hogere meetstabiliteit bij wisselende monstersamenstelling. Ratio-turbidimeters worden daarom bij voorkeur ingezet voor proceswater, rioolwatereffluenten en fermentatiebroths waar de deeltjespopulatie heterogeen en variabel is.

Is nefelometrie kwantitatief?

Ja, nefelometrie is een kwantitatieve techniek. Bij lage deeltjesconcentraties is de intensiteit van het verstrooide licht bij 90° direct evenredig met de deeltjesconcentratie, wat een lineaire kalibratiecurve oplevert. In de klinische immunonefelometrie levert de methode concentratiewaarden in g/L of mg/dL voor eiwitten zoals IgG, CRP of reumafactor, met een analytische precisie (CV) die doorgaans onder 5% ligt op geautomatiseerde analysatoren. In de wateranalyse zijn nefelometrische troebelheidsmethoden (ISO 7027) gevalideerd voor kwantitatieve rapportage in FNU tot op twee decimalen bij waarden onder 1 FNU. Bij hoge troebelheden treedt verzadiging op; in dat bereik is verdunning vereist voor kwantitatieve resultaten.

Wat is de schaal voor het meten van troebelheid?

Er bestaat geen enkele universele schaal; de eenheid hangt af van de meetmethode en de norm. De meest gebruikte schalen zijn FNU (Formazine Nephelometric Unit, ISO 7027, 860 nm, 90°) voor Europees drinkwater, NTU (Nephelometric Turbidity Unit, US EPA 180.1, wit licht, 90°) in de VS, FAU (Formazine Attenuation Unit, transmissie bij 860 nm) voor turbidimetrie, en EBC (European Brewery Convention) voor bier. Alle schalen zijn gebaseerd op formazine als primaire kalibratiestandaard (400 FTU = 400 NTU = 400 FNU bij lage troebelheid). In de EU geldt voor drinkwater een wettelijke grenswaarde van ≤ 1 FNU bij de verbruiker. De schalen FNU en NTU zijn bij waarden onder circa 40 numeriek nagenoeg gelijk; daarboven kunnen ze divergeren door het verschil in lichtbron.

Apparatuur voor turbidimetrie en nephelometrie

Labvakhandel levert apparatuur en verbruiksmaterialen voor troebelheidsmeting in het laboratorium. Voor UV/Vis-spectrofotometrie die ook turbidimetrisch kan worden ingezet, verwijzen we naar de categorie optisch onderzoek. Voor OD600-meting bij microbiologisch onderzoek zijn speciale OD600-spectrofotometers en kweekmonitoren beschikbaar. Cuvetten voor troebelheidsmeting worden bij voorkeur gekozen in optisch helder glas of kwarts voor accurate metingen; zie het assortiment cuvetten. Voor deeltjes in het submicronbereik (< 1 µm) — zoals nanoplastics, eiwitaggregaten of colloïdale verontreinigingen — biedt dynamische lichtverstrooiing (DLS) een nauwkeurigere groottebepaling dan turbidimetrie. Neem contact op voor advies over de keuze van het juiste instrument voor uw toepassing.

Gerelateerde kennisbankartikelen

Bekijk het assortiment laboratoriumapparatuur en verbruiksmaterialen van Labvakhandel, of neem contact op voor advies bij de keuze van de juiste materialen voor uw toepassing.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is uitsluitend bedoeld voor algemene kennisdeling over turbidimetrie en nephelometrie als analytische technieken. Labvakhandel B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit het toepassen van de beschreven methoden zonder verificatie aan de geldende normen, veiligheidsinstructies en apparatuurspecificaties. Raadpleeg altijd de actuele farmacopee-methoden (Ph. Eur. 2.2.1), ISO-normen (ISO 7027) en de EU Drinkwaterrichtlijn voor uw specifieke toepassing.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.