UV/Vis-spectrofotometrie is een van de meest gebruikte analysemethoden in het laboratorium. De techniek meet de hoeveelheid licht die een oplossing absorbeert bij een bepaalde golflengte in het ultraviolette (200–400 nm) of zichtbare (400–800 nm) spectrum. Op basis van de Beer-Lambert wet is de absorptie direct evenredig met de concentratie van de lichtabsorberende stof, waardoor nauwkeurige kwantificering mogelijk is. UV/Vis wordt ingezet voor eiwitbepaling, DNA/RNA-kwantificering, enzymkinetiek, kleurstofanalyse, kwaliteitscontrole van farmaceutica en milieumonitoring.
Wanneer licht door een oplossing gaat, wordt een deel geabsorbeerd door de opgeloste stof. De hoeveelheid geabsorbeerd licht wordt uitgedrukt als absorptie (A, ook absorbantie of extinctie):
A = log(I₀ / I) = ε · c · l
Hierin is I₀ de intensiteit van het invallende licht, I de intensiteit na doorgang, ε de molaire extinctiecoëfficiënt (l·mol⁻¹·cm⁻¹), c de concentratie (mol/l) en l de lichtpadlengte (cm). De wet is geldig bij lage concentraties (lineair bereik, typisch A = 0,1–1,5) en bij gebruik van monochromatisch licht.
Een absorptiespectrum is een grafiek waarbij de absorptie (A) wordt uitgezet als functie van de golflengte (λ in nm). Het spectrum toont bij welke golflengten een stof licht absorbeert en hoe sterk. Drie kenmerken zijn analytisch het meest relevant:
Veranderingen in moleculaire structuur, oplosmiddel of pH kunnen het absorptiespectrum verschuiven. Vier typen worden onderscheiden:
Voor het UV-gebied (200–400 nm) wordt een deuteriumlamp (D₂) gebruikt. Voor het zichtbare gebied (400–800 nm) dient een wolframhalogeen- of wolframlamp. Moderne full-spectrum instrumenten combineren beide lampen met een automatische omschakeling rond 350 nm.
Een tralie (diffractierooster) of prisma splitst het polychromatische licht in zijn golflengtecomponenten. Een spleet selecteert de gewenste golflengte met een bandbreedte van typisch 1–5 nm. Diode-array-detectoren (DAD) meten het volledige spectrum simultaan zonder bewegende delen.
De cuvet bevat het monster en definieert de lichtpadlengte. Standaard wordt een padlengte van 1 cm gebruikt. Cuvetten zijn verkrijgbaar in kwartsglas (transparant tot 190 nm, geschikt voor UV en Vis), optisch glas (enkel Vis, goedkoper), en kunststof (PMMA of PS, enkel Vis, disposable). Bij microvolumebepaling (DNA, eiwitten) worden nano-drop-systemen gebruikt die slechts 1–2 µl monster vereisen.
Een fotodiode of fotonvermenigvuldiger (PMT) zet het doorgelaten licht om in een elektrisch signaal. Het signaal wordt vergeleken met een referentiestraal (bij dubbelstraalspectrofotometers) om driftcorrectie toe te passen.
De drie termen worden door elkaar gebruikt maar hebben een subtiel verschil:
In de praktijk worden "UV/Vis-spectroscopie" en "UV/Vis-spectrofotometrie" door elkaar gebruikt voor dezelfde techniek. In analytisch-chemische context is "spectrofotometrie" de meest precieze term.
Dit zijn de twee hoofdtypen UV/Vis- spectrofotometers:
Eiwitten absorberen bij 280 nm dankzij de aromatische aminozuren tryptofaan en tyrosine. De extinctiecoëfficiënt bij 280 nm is eiwitspecifiek en kan worden berekend uit de aminozuursamenstelling (Pace-methode). Alternatieve methoden zijn de Bradford-test (Coomassie blauw, 595 nm), de BCA-test (bicinchoninezuur, 562 nm) en de Lowry-methode (750 nm).
Nucleïnezuren absorberen sterk bij 260 nm door de aromatische bases. De verhouding A260/A280 geeft een indicatie van de zuiverheid: een waarde van 1,8–2,0 duidt op zuiver DNA of RNA respectievelijk. Een verhouding A260/A230 > 2,0 wijst op afwezigheid van organische verontreinigingen (fenol, EDTA).
Enzymatische reacties worden gevolgd via de tijdsafhankelijke verandering van absorptie. Een klassiek voorbeeld is de NADH/NAD⁺-koppeling bij 340 nm (ε = 6220 l·mol⁻¹·cm⁻¹). Kinetische parameters (Km, Vmax) worden bepaald door absorptieverandering per tijdseenheid te meten bij variabele substraatconcentraties.
UV/Vis is de meest gebruikte detectiemethode voor gehaltebepalingen van geneesmiddelen conform farmacopee (Ph.Eur., USP). Diverse monografieën schrijven UV-absorptie voor als identiteitstest en gehaltemeting. Bij afwezigheid van een geschikt chromofoor wordt derivatisering of koppeling met HPLC toegepast.
Nitraat absorbeert bij 220 nm en wordt bepaald via directe UV-meting in watermonsters (ISO 7890). De kwaliteit van het gebruikte water is daarbij relevant: calcium- en magnesiumionen kunnen bij bepaalde fotometrische methoden storen. Lees meer over waterhardheid bepalen voor de achtergrond.
Chemisch zuurstofverbruik (CZV), fosfaat en ammonium worden bepaald via gekleurde reactieproducten in gestandaardiseerde fotometrische methoden (cuvettentesten). Voor de kwantitatieve bepaling van totaal stikstof (TKN) in watermonsters wordt daarnaast de Kjeldahl-methode ingezet — zie ons artikel over stikstofbepaling in het laboratorium.
Voor structuuridentificatie van organische verbindingen biedt FTIR-spectroscopie complementaire informatie over functionele groepen. Wanneer elementspecifieke analyse noodzakelijk is, zijn atoomabsorptiespectroscopie (AAS) en ICP-MS/ICP-OES de aangewezen methoden. Voor structuuropheldering van complexe organische moleculen is NMR-spectroscopie onmisbaar.
Voor de analyse van de elementsamenstelling van vaste monsters zonder oplossen of destructie is XRF (röntgenfluorescentiespectrometrie) de aangewezen methode. Waar UV/Vis moleculen in oplossing meet via absorptie van licht door chemische bindingen, meet XRF de karakteristieke fluorescentiestraling van atomen in vaste matrices — twee complementaire benaderingen van hetzelfde analytische doel.
Voor de toepassing van UV/Vis in analytische bepalingen via kleurreacties en ijklijnen, zie ons artikel over fotometrische en colorimetrische bepalingen.
Gebruik een kwartscuvet wanneer metingen onder 320 nm vereist zijn (UV-gebied) of wanneer het monster organische oplosmiddelen bevat die kunststof aantasten. Kunststof disposable cuvetten zijn geschikt voor routinemetingen in het zichtbare gebied (320–900 nm) en zijn kostenefficiënt bij grote series. Bewaar kwartscuvetten altijd gevuld met demiwater of leeg na reiniging om beschadiging van de optische vlakken te voorkomen.
Afwijking van Beer-Lambert treedt op bij A > 1,5 (te hoge concentratie), bij gebruik van polychromatisch licht (te brede spleetbreedte), bij troebelheid of lichtverstrooiing in het monster, bij associatie of dissociatie van de stof als functie van concentratie, of bij verontreiniging van de cuvet. Verdun het monster tot A = 0,1–0,8 voor optimale lineariteit.
Een blanco (ook: nulmonster of referentiemonster) is een oplossing die alle componenten bevat behalve de te meten stof. De blanco corrigeert voor:
Praktische regel: gebruik altijd dezelfde cuvet voor blanco en monster, of gebruik een matched cuvetset. Bij cuvettentests (disposable cuvetten) hoort de blanco in een cuvet van dezelfde productiebatch.
Deze pagina is onderdeel van de Labvakhandel kennisbank. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl is niet aansprakelijk voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische situaties.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.