Koelen en vriezen in het laboratorium

Koelen en vriezen zijn onmisbare bewerkingen in vrijwel elk laboratorium. De juiste temperatuur beschermt monsters, reagentia, enzymen en cellijnen tegen afbraak, inactivering of bederf. De keuze van koelmethode hangt af van de vereiste temperatuur, het volume, de bewaarduur en de aard van het materiaal — van een eenvoudige koelkast op +4 °C tot vloeibaar stikstof op −196 °C. Dit artikel geeft een volledig overzicht van alle koelmethoden en apparatuur die in het laboratorium worden toegepast.

Waarom koelen in het laboratorium?

Biologische en chemische processen verlopen temperatuurafhankelijk. Een verlaging van 10 °C halveert de reactiesnelheid van veel enzymatische processen — de zogenaamde Q10-regel. Voor levend celmateriaal, instabiele reagentia of gevoelige biomoleculen is temperatuurbeheersing dan ook geen luxe maar een vereiste. Koeling dient drie hoofddoelen:

  • Stabilisering: enzymen, antistoffen, RNA en eiwitten behouden hun activiteit bij lage temperatuur langer.
  • Conservering: bacteriën en schimmels groeien bij +4 °C nauwelijks; bij −20 °C of lager stopt microbiële activiteit vrijwel volledig.
  • Procesbeheersing: reacties zoals PCR, kristallisatie en incubatie vereisen nauwkeurig gecontroleerde temperaturen.
Temperatuurspectrum koelen en vriezen in het laboratorium: van +8 graden tot -196 graden vloeibaar stikstof

Het temperatuurspectrum: van +8 °C tot −196 °C

De laboratoriumpraktijk kent een breed temperatuurspectrum. Elk segment heeft zijn eigen apparatuur, toepassingen en bewaarregels.

Temperatuurzone Apparaat Typische toepassingen
+2 tot +8 °C Laboratoriumkoelkast Reagentia, serums, media, enzymoplossingen
0 tot +4 °C Koelkamer / coldroom Grote volumes, kolomchromatografie bij koeling
−20 °C Standaard laboratoriumvriezer Primers, enzymmengsels, plasmide-DNA, serumvoorraden
−40 tot −50 °C Low-temperature vriezer Gevoelig celmateriaal, virussen, lipoproteïnen
−80 °C Ultralow temperature (ULT) vriezer Cellijnen, weefsels, RNA, langetermijnopslag vaccins
−150 tot −190 °C Cryovriezer (mechanisch) Cellijnen voor langdurige opslag (>10 jaar)
−196 °C Vloeibaar stikstof (LN₂) Cryoconservering van cellen, sperma, embryo's, weefsels

Laboratoriumkoelkast: de basis

De laboratoriumkoelkast lijkt op een gewone huishoudkoelkast, maar verschilt op cruciale punten. Een huishoudkoelkast is niet geschikt voor laboratoriumgebruik vanwege onvoldoende temperatuuruniformiteit, de aanwezigheid van vonkende motorcontacten en het ontbreken van alarmen en registratiemogelijkheden. Laboratoriumkoelkasten zijn in meerdere gespecialiseerde uitvoeringen verkrijgbaar.

Farmaceutische koelkast (+2 tot +8 °C)

Ontworpen voor de opslag van geneesmiddelen, vaccins en biologicals. Voldoet aan WHO PQS-normen en EU GDP-richtlijnen. Uitgerust met gecalibreerde temperatuursensoren, datalogger-aansluiting en een hoorbaar/zichtbaar alarm bij temperatuuroverschrijding. Temperatuuruniformiteit doorgaans ±0,5 °C. Essentieel in GMP- en GLP-omgevingen waar traceerbaarheid van bewaaromstandigheden vereist is.

Explosieveilige koelkast (ATEX / EX), lees meer over ATEX-regelgeving en zoneclassificatie ›

Voor de opslag van brandbare en explosieve vloeistoffen zoals ethanol, aceton, diëthylether en andere organische oplosmiddelen is een explosieveilige koelkast verplicht. De ATEX-richtlijn (Atmosphères Explosibles, EU-richtlijn 2014/34/EU) schrijft voor dat apparaten in explosiegevaarlijke zones gecertificeerd moeten zijn voor gebruik in die omgeving.

Explosieveilige laboratoriumkoelkasten zijn in twee uitvoeringen beschikbaar:

  • Intern explosieveilig (IEX): alle interne elektrische componenten — verlichting, ventilator, thermostaat — zijn vonkvrij uitgevoerd of volledig afgeschermd van de koelruimte. Hierdoor kunnen geen vonken de dampen van brandbare stoffen binnenkort ontstêken. Dit is de minimumvereiste voor opslag van brandbare vloeistoffen.
  • Volledig ATEX-gecertificeerd (extern én intern): ook de buitenzijde van het apparaat voldoet aan de ATEX-classificatie. Vereist wanneer het apparaat zelf in een explosiegevaarlijke zone is geplaatst (zone 1 of zone 2).

Herkenningspunten van een explosieveilige koelkast: het gevaarsymbool (vlam in driehoek) op de deur, de ATEX-classificatie op het typeplaatje (bijv. II 2G Ex ec IIC T4 Gb), en de afwezigheid van een interne lamp of een volledig afgeschermde ledverlichting. Het gebruik van een gewone huishoudkoelkast of standaard laboratoriumkoelkast voor brandbare stoffen is een ernstige veiligheidsovertreding.

De vereiste opslagtemperatuur en onverenigbare stoffen zijn terug te vinden in rubriek 7 van het veiligheidsinformatieblad (VIB) van de betreffende stof.

Lees meer over ATEX-regelgeving en zoneclassificatie in het kennisbankartikel ATEX in het laboratorium ›

Medische koelkast / bloedbank (+2 tot +6 °C)

Specifiek voor de opslag van bloedproducten, plasma en organen. Uitgerust met geforceerde luchtcirculatie voor maximale temperatuuruniformiteit, een externe temperatuurweergave en een doorgaand alarm. Voldoet aan EN 12 469 en bloedbanknormen. De uniformiteit is typisch ±0,5 °C over het gehele inwendige volume.

Chromatografiekoelkast

Een koelkast met groot intern volume, verstelbare legborden en een stabiele temperatuur van +4 °C. Bedoeld voor het opstellen van vloeistofchromatografiesystemen (FPLC, HPLC-prep) die bij koeling moeten draaien. De deuren sluiten goed af en er is ruimte voor peristaltische pompen en slangdoorvoeren.

Laboratoriumvriezers: van −20 °C tot −86 °C

Standaard laboratoriumvriezer (−20 °C)

De meest gebruikte vriezer in het laboratorium. Geschikt voor de bewaring van primers, enzymmengsels, plasmide-DNA, antistoffenoplossingen en serumvoorraden. Laboratoriumvriezers op −20 °C zijn beschikbaar als tafelmodel en als vrijstaand model met een inhoud van 50 tot 700 liter. Een belangrijk onderscheid:

  • No-frost vriezer: automatische ontdooicyclus voorkomt ijsvorming. Nadeel: temperatuurschommelingen van ±2–3 °C tijdens de ontdooicyclus, en uitdroging van niet-afgesloten monsters.
  • Statische vriezer (zonder no-frost): stabieler qua temperatuur, maar vereist handmatig ontdooien. Voorkeur in GLP-omgevingen.

Ook voor vriezers geldt dat explosieveilige uitvoeringen (ATEX/EX) beschikbaar zijn voor de opslag van brandbare stoffen bij lage temperatuur.

Low-temperature vriezer (−40 tot −50 °C)

Een tussensegment tussen de standaard −20 °C en de ULT-vriezer. Geschikt voor materialen die gevoeliger zijn voor temperatuurschommelingen maar waarvoor −80 °C niet noodzakelijk is: virussen, lipoproteïnen, bepaalde enzymmengsels en sommige celextracten. Energiezuiniger dan een ULT-vriezer en geschikt als back-up voor primaire −80 °C opslag.

Ultralow temperature vriezer (ULT, −80 °C)

De ULT-vriezer is de ruggengraat van langdurige biologische monsteropslag. Standaardtemperatuur is −80 °C, maar moderne apparaten bereiken −86 °C. Toepassingen omvatten:

  • Langdurige opslag van cellijnen en primaire cellen
  • Weefselbiopten en orgaanfragmenten
  • RNA en gevoelig nucleïnezuurmateriaal
  • Vaccins en biologicals die −20 °C-opslag onvoldoende stabiliseren
  • Serum- en plasmabanken

ULT-vriezers zijn verkrijgbaar in verticale uitvoering (upright, 300–900 liter) en horizontale uitvoering (chest freezer, 200–700 liter). Chestvriezers zijn energiezuiniger — koude lucht daalt naar beneden en valt er minder uit bij het openen — maar minder toegankelijk. Upright-modellen bieden betere organisatiemogelijkheden via kassystemen en kleurgecodeerde dozen.

Energieverbruik: een ULT-vriezer verbruikt 10–20 kWh per dag, vergelijkbaar met een huishouden. Moderne energiezuinige modellen (bijv. met natuurlijke koelmiddelen zoals propaan of isopentaan als alternatief voor CFK-koelmiddelen) verbruiken tot 50% minder energie. Een verlaging van de setpoint van −80 °C naar −70 °C kan het verbruik met 15–20% verminderen zonder kwaliteitsverlies voor de meeste toepassingen.

Redundantie en alarmen: ULT-vriezers zijn standaard uitgerust met een hoog- en laagtempera­tuuralarm, een batterijgevoede alarmmodule en een aansluiting voor externe monitoring (4–20 mA of netwerkinterface). In kritische omgevingen worden ULT-vriezers aangesloten op een BMS (Building Management System) of een dedicated LIMS-alarmmodule.

Cryogene opslag: onder −130 °C

Mechanische cryovriezers (−150 tot −190 °C)

Voor opslag van cellijnen over perioden van 10 jaar of langer is −80 °C onvoldoende — bij die temperatuur lopen metabole processen weliswaar sterk terug, maar stoppen ze niet volledig. Mechanische cryovriezers bereiken −150 tot −190 °C via een cascade van twee koelcircuits. Ze bieden de voordelen van vloeibaar stikstof (zeer lage temperatuur, langdurige opslag) zonder het verbruik en de veiligheidsrisico's van LN₂.

Vloeibaar stikstof (LN₂, −196 °C)

Vloeibaar stikstof is het meest gebruikte cryogene medium voor de langdurige bewaring van biologisch materiaal. Bij −196 °C liggen alle biologische processen volledig stil; de levensduur van correct ingevroren materiaal is in theorie onbeperkt. Toepassingen:

  • Cryoconservering van cellijnen (werkbank en masterbank)
  • Opslag van sperma, eicellen en embryo's (reproductieve geneeskunde)
  • Weefselbiopten en chirurgische preparaten
  • Stamscelbanken en iPSC-collecties

LN₂-dewars zijn beschikbaar in twee uitvoeringen: droge fase (vapour phase, boven de vloeistof, −140 tot −180 °C) en natte fase (liquid phase, monsters ondergedompeld in LN₂, −196 °C). Droge-fase-opslag vermijdt kruisbesmetting via de vloeistof en verlaagt het risico op explosie van onvoldoende afgedichte cryovials, maar vereist nauwkeuriger LN₂-beheer.

Veiligheidsaandachtspunten bij LN₂:

  • LN₂ verdampt continu; in een slecht geventileerde ruimte kan het zuurstofgehalte dalen tot gevaarlijke niveaus (<18% O₂). Installeer een zuurstofmeter in ruimten waar LN₂-dewars staan.
  • Draag bij vullen en werken met LN₂ altijd cryogene handschoenen, een spatscherm en een gesloten laboratoriumjas.
  • Transport LN₂-dewars nooit in een afgesloten lift zonder personen.
  • Cryovials met vloeistof die in LN₂ zijn bewaard kunnen bij opwarming exploderen — open ze altijd voorzichtig in een veiligheidsscherm of laat ze geleidelijk opwarmen in een koelkast.

Koelen zonder compressor: alternatieve koelmethoden

IJsbad en ijs-zoutbad

Het klassieke ijsbad (ijs + water) geeft een stabiele temperatuur van 0 °C en is onmisbaar bij tijdgevoelige enzymatische reacties, RNA-isolaties en werkzaamheden met instabiele eiwitten. Een ijs-zoutbad (ijs + NaCl in verhouding 3:1) bereikt −10 tot −20 °C en wordt gebruikt voor het snel invriezen van kleine monsters.

Droogijs (CO₂, −78,5 °C)

Droogijs is gestold kooldioxide dat bij −78,5 °C sublimeert (overgaat van vast naar gas, zonder vloeibare fase). Veelgebruikt voor:

  • Transport van ingevroren monsters op droogijs-ethanol (−70 tot −78 °C)
  • Snelbevriezing van monsters in de aceton-droogijsbad (−78 °C)
  • Tijdelijke opslag bij stroomuitval van ULT-vriezers

Veiligheid: droogijs geeft CO₂ af; gebruik het alleen in goed geventileerde ruimten. Directe huidcontact veroorzaakt vrieskoudwonden — draag altijd isolerende handschoenen.

Peltier-koeling (thermo-elektrisch)

Peltier-koelers gebruiken het Peltier-effect: een elektrische stroom door twee verschillende halfgeleiders veroorzaakt een temperatuurverschil. Voordelen: geen bewegende delen, trillingvrij, compact en geruisloos. Toepassing in laboratoria: koelblokken voor PCR-tubes, koelplaten voor microscopietafels en compacte koelincubatoren (−5 tot +50 °C). Nadeel: lage koelcapaciteit en relatief hoog energieverbruik bij grote temperatuurverschillen.

Koelelementen en gekoeld water

Koelelementen (gelgevulde blokken) worden ingevroren op −20 °C en ingezet voor het koud houden van transportboxen, bemonsteringskoelboxen en koeltassen. Ze geven een temperatuur van 0 tot +4 °C af gedurende 6–48 uur afhankelijk van de isolatiewaarde van de verpakking. In het laboratorium worden ze ook gebruikt als goedkoop alternatief voor een ijsbad bij kortdurende werkzaamheden.

Gekoeld circulating water baths (koelthermostaten) combineren een compressor met een circulatiepomp. Ze leveren een stabiele vloeistoftemperatuur van −30 tot +100 °C en worden gebruikt voor het extern koelen van reactievaten, condensors en spectroscopiemeetcellen.

Koelcentrifuge

Centrifugatie genereert warmte door wrijving van de rotor met lucht. Bij temperatuurgevoelige monsters — cellen, eiwitten, RNA — is een koelcentrifuge vereist. Koelcentrifuges handhaven een ingestelde temperatuur van +4 °C (of lager, tot −20 °C bij sommige ultracentrifuges) tijdens de gehele draairun. De koeling start enkele minuten voor de run om de rotor voor te koelen.

Koelincubator en klimaatkast

Een koelincubator combineert koeling en verwarming in één apparaat en regelt de temperatuur nauwkeurig in het bereik van +4 tot +60 °C. Gebruikt voor groeicurves bij lage temperatuur, stabiliteitsonderzoek en bewaring van celkweekculturen die gevoelig zijn voor temperatuurschommelingen. Een klimaatkast voegt daaraan ook vochtregeling toe (10–95% RV), wat relevant is voor stabiliteitsproeven van farmaceutische producten (ICH Q1A-condities).

Vriesdrogen (lyofylisatie)

Vriesdrogen — ook wel lyofylisatie genoemd — is een droogproces waarbij water uit een bevroren product wordt verwijderd door sublimatie: het ijs gaat direct over van vast naar gasfase onder verlaagde druk, zonder door de vloeibare fase te gaan. Het resultaat is een droog, poederachtig of koekvormig product dat zonder koeling langdurig stabiel is en snel reconstrueerbaar is door toevoeging van water.

Het vriesdroogproces in drie fasen

  1. Invriezen (freezing): het product wordt ingevroren tot onder de eutectische temperatuur of glasovergangstemperatuur (Tg'). Dit bepaalt de kristalstructuur van het ijs en daarmee de structuur van het eindproduct. Invriezen gaat bij −40 tot −80 °C. Gecontroleerd invriezen (controlled rate freezing) geeft uniformere ijskristallen en een betere eindkwaliteit.
  2. Primaire droging (primary drying, sublimatie): de kamerduk wordt verlaagd tot 0,1–1 mbar. Bij deze lage druk sublimeert het ijs bij een planktemperatuur van −40 tot −10 °C. Dit is de langste fase (60–80% van de totale droogtijd). De condensor (−55 tot −80 °C) vangt de waterdamp op.
  3. Secundaire droging (secondary drying, desorptie): gebonden water (niet-bevroren, geadsorbeerd water) wordt verwijderd door geleidelijke opwarming tot +20 tot +40 °C onder vacuum. Het restvochtgehalte daalt tot 1–3%, wat de langetermijnstabiliteit garandeert.

Toepassingen van vriesdrogen

  • Stabilisering van biologicals: vaccins, antistoffen, enzympreparaten, diagnostische reagentia
  • Bereiding van poedervormige API's (Active Pharmaceutical Ingredients) voor injectie
  • Conservering van bacteriestammen en gistculturen voor langdurige bewaring
  • Bereiding van referentiematerialen en standaarden die stabiel en transporteerbaar moeten zijn
  • Bewaring van archeologische vondsten en documenten (conserveringswetenschap)

Laboratoriumvriesdroogapparatuur

Laboratoriumvriesdroogers zijn beschikbaar in twee hoofduitvoeringen:

  • Manifold-vriesdrooger: de monsters worden vooraf ingevroren in rondbodemkolven of vials en aangesloten op een manifold (verdelerblok) onder vacuum. Eenvoudig en geschikt voor kleine batchgroottes. Geen controle over de invriesstap.
  • Vriesdroger met gekoelde plankjes (shelf freeze dryer): de monsters worden in de machine zelf ingevroren op gekoelde planken, waarna het droogproces start. Volledige procescontrole over invries- en droogparameters. Schaalbaar van labschaal naar pilotproductie.

Belangrijke specificaties bij de keuze van een vriesdrooger zijn: condensorcapaciteit (kg ijs per batch), condensortemperatuur (minimaal −55 °C, bij hoogwaardige producten −80 °C), eindvacuümdruk (<0,1 mbar), plankentemperatuurbereik en de beschikbaarheid van procescontrole- en dataloggingsoftware (voor GMP-toepassingen).

Gecontroleerd invriezen: cryoprotectie en invriessnelheid

Het correct invriezen van levend celmateriaal vereist meer dan het plaatsen van een cryovial in een vriezer. IJskristallen die zich tijdens het invriezen vormen, kunnen celmembranen mechanisch beschadigen. Twee maatregelen beperken deze schade:

Cryoprotectiva (CPA)

Cryoprotectiva zijn stoffen die de vorming van grote ijskristallen remmen en de osmotische schade tijdens invriezen en ontdooien beperken. De meest gebruikte zijn:

  • DMSO (dimethylsulfoxide), 5–10%: meest effectief, maar toxisch voor cellen bij kamertemperatuur. Cellen moeten snel worden ingevroren na toevoeging van DMSO en na ontdooien zo snel mogelijk gewassen worden.
  • Glycerol, 5–15%: minder toxisch dan DMSO, veel gebruikt voor bacteriestocks en sommige celtypen.
  • Trehalose en sucrose: suikers die gebruikt worden bij vriesdrogen van biologicals om de glasmatrixstructuur te stabiliseren.

Gecontroleerde invriessnelheid

De optimale invriessnelheid voor de meeste cellen is −1 °C per minuut. Een Mr. Frosty (isopropanolgevuld invriesbakje) geplaatst in een −80 °C vriezer geeft automatisch een invriessnelheid van circa −1 °C per minuut. Voor kritische cellijnen worden geprogrammeerde invriesmachines (controlled rate freezers) gebruikt die de invriessnelheid nauwkeurig regelen en ook actieve koeling kunnen toepassen bij de warmtepiek die optreedt tijdens kristallisatie (latente warmte).

IJsblokjesmakers en labkoelers: praktische hulpmiddelen

Naast grootschalige koeling zijn er in het dagelijkse laboratoriumgebruik talrijke hulpmiddelen voor lokale koeling.

IJsblokjesmachines en schaafijsmachines

In moleculair-biologische en biochemische laboratoria wordt veel gewerkt met schaafijs of crushed ice. Een laboratoriumijsmachine produceert continu schaafijs of ijsnuggets en heeft een intern opslagreservoir van 1–15 kg ijs. Ze worden geplaatst op de laboratoriumbank of in een aparte ijsruimte. Essentieel voor RNA-isolatieprotocollen waarbij het monster permanent op ijs moet blijven.

Labkoelers en koelblokken

Labkoelers zijn gekoelde aluminium blokken met uitsparing voor tubes (0,5 ml, 1,5 ml, 15 ml, 50 ml) die op ijs worden geplaatst of in een koelblok worden gezet. Ze voorkomen dat het ijs smelt in de tube-uitsparing en houden tubes op een constante temperatuur. Pre-gekoelde aluminiumblokken die uit de vriezer komen geven een stabiele temperatuur van −20 °C gedurende 30–90 minuten op de bankwerkvloer.

Koelinserties voor centrifuges

Voor centrifuges zonder ingebouwde koeling zijn koelinserts beschikbaar die voor gebruik worden ingevroren. Ze verlengen de mogelijkheid om temperatuurgevoelige samples te centrifugeren in een standaard microfuge.

Temperatuurmonitoring en GLP / GMP

In een GLP- of GMP-omgeving volstaat het aanschaffen van goede koelappara­tuur niet. Temperatuurmonitoring en documentatie zijn vereist:

  • Dataloggers: autonome loggers met een gekalibreerde sensor worden in koelkasten, vriezers en transportboxen geplaatst. Ze slaan temperatuurwaarden op met tijdstempel en exporteren deze naar software voor rapportage en alarmering.
  • Continue monitoring: in kritische omgevingen worden koelkasten en vriezers aangesloten op een centraal monitoringsysteem (BMS of dedicated koudeketenmonitor) dat 24/7 alarmeert via e-mail of SMS bij temperatuurafwijking.
  • Kalibratie: temperatuursensoren en dataloggers worden periodiek gekalibreerd aan gecertificeerde referentiestandaarden conform ISO 17025.
  • Koudeketenregistratie: bij transport van biologicals, vaccins of farmaproducten wordt de volledige koelketen gedocumenteerd met kalibratierapport van de datalogger, min/max-temperaturen tijdens transport en naam van de verantwoordelijke.

Energiebesparing en duurzaamheid

Koelappara­tuur is een van de grootste energieverbruikers in het laboratorium. ULT-vriezers, koelkasten en klimaatkasten draaien 24/7 en zijn verantwoordelijk voor 30–50% van het totale laboratoriumenergieverbruik. Praktische maatregelen voor besparing:

  • Stel ULT-vriezers in op −70 °C in plaats van −80 °C waar de toepassing dit toelaat (bespaart 15–20%).
  • Ontdooi koelkasten en vriezers regelmatig — ijsaanslag van 5 mm verhoogt het energieverbruik met circa 30%.
  • Kies apparaten met A+++ energielabel of met het My Green Lab-certificaat (ULT-vriezers).
  • Vervang CFK/HCFK-gebaseerde koelmiddelen door modellen met natuurlijke koelmiddelen (R290 propaan, R600a isobutaan) bij vervanging van oude apparatuur.
  • Organiseer voorraadbeheer zodat vriezers niet vaker worden geopend dan noodzakelijk — elke opening laat warme lucht binnen en kost energie.

Keuze van koelmethode per toepassing

Materiaal / toepassing Aanbevolen methode Temperatuur
Serums, antistoffen (werkoplossing) Laboratoriumkoelkast +2 tot +8 °C
Serums, antistoffen (voorraad) Laboratoriumvriezer −20 °C
Primers, oligonucleotiden Laboratoriumvriezer −20 °C
Gevoelige enzymen (lange termijn) ULT-vriezer −80 °C
RNA-isolaten ULT-vriezer −80 °C
Cellijnen (werkbank) ULT-vriezer −80 °C
Cellijnen (masterbank, langterm.) LN₂-dewar (vapour phase) −150 tot −196 °C
Brandbare oplosmiddelen ATEX/EX koelkast of vriezer +2 tot −20 °C
Vaccins, biologicals (stabiel) Farmaceutische koelkast of vriesdrogen +2 tot +8 °C of kamertemperatuur na lyofylisatie
Tijdelijk op ijs tijdens werkzaamheden IJsbad, koelblok, schaafijs 0 tot +4 °C

Gerelateerde producten bij Labvakhandel

Labvakhandel levert een breed assortiment koelappara­tuur en aanverwante producten, waaronder laboratoriumkoelkasten, explosieveilige koelkasten en vriezers (ATEX/EX), ULT-vriezers, koelthermostaten, cryogene opslagoplossingen, vriesdroogapparatuur en temperatuurmeetapparatuur. Bekijk het volledige aanbod in de categorie koelen en vriezen.

Zie ook de kennisbank­artikelen over Good Laboratory Practice (GLP) en laboratoriumcentrifuges voor aanverwante informatie over kwaliteitsborging en temperatuurgevoelige bewerkingen.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.