Bijna elke laboratoriumopstelling bevat slang. Koelwater naar een koeler, onderdruk naar een zuigfles, gas naar een brander of een monsterstroom door een pomp: steeds is het een slang die onderdelen flexibel met elkaar verbindt. Toch is slang niet gelijk aan slang. Een rode natuurrubberen slang, een transparante siliconenslang en een witte PTFE-slang verschillen sterk in temperatuurbereik, chemische bestendigheid, elasticiteit en gasdichtheid. Een verkeerde keuze geeft in het gunstigste geval een lekkende aansluiting en in het slechtste geval een ingezakte vacuümslang, een verharde gasslang of een verontreinigd monster.
Dit artikel geeft een diepgaand overzicht van laboratoriumslangen: hoe u de maataanduiding leest, welke materialen er zijn en waarin ze verschillen, hoe u de chemische bestendigheid beoordeelt, waarom een vacuümslang dikwandig is en waarom een gasslang een eigen categorie vormt. Voor slang in een peristaltische pomp is er een gespecialiseerd artikel over tubing-keuze, en voor opstellingen onder onderdruk verwijzen we naar het artikel vacuüm in het laboratorium.
Een laboratoriumslang is een flexibele buis waarmee vloeistoffen, gassen of lucht worden getransporteerd en waarmee glaswerk en apparatuur met elkaar worden verbonden. De slang vangt kleine verschillen in uitlijning en trillingen op, laat opstellingen verplaatsen zonder dat verbindingen breken en maakt aansluitingen mogelijk op plaatsen waar een starre buis niet past. De binnendiameters lopen uiteen van minder dan een millimeter tot enkele centimeters, en de slang wordt meestal per meter of op rol geleverd.
In Engelstalige catalogi heet een laboratoriumslang tubing; slangen voor gas worden daar hoses genoemd. Het Duitse woord is Schlauch. Die termen komt u ook tegen in fabrikantdocumentatie en op productetiketten.
Vier eigenschappen bepalen of een slang bij een toepassing past.
Daarnaast spelen druk- of vacuümgeschiktheid, gasdichtheid, doorzichtigheid en steriliseerbaarheid mee, afhankelijk van de toepassing. De volgende paragrafen behandelen deze eigenschappen één voor één.
Laboratoriumslang wordt aangeduid met twee of drie getallen in millimeters: de binnendiameter (ID), de buitendiameter (OD) en soms de wanddikte. Fabrikantcatalogi geven alle drie, in het Duits als Innen-Ø, Außen-Ø en Wandung. Bij een slang van 4/8 mm is de binnendiameter 4 mm en de buitendiameter 8 mm, dus de wanddikte is 2 mm. De wanddikte volgt uit de formule (OD − ID) ÷ 2.
De afbeelding toont twee dwarsdoorsneden op schaal: een gewone laboratoriumslang van 6 × 9 mm met een wanddikte van 1,5 mm en een vacuümslang van 6 × 16 mm met een wanddikte van 5 mm. Beide hebben dezelfde binnendiameter, maar de wand van de vacuümslang is ruim drie keer zo dik. Dat verschil bepaalt de geschiktheid onder onderdruk, zoals verderop wordt uitgelegd.
De binnendiameter bepaalt de doorstroming en de aansluiting op de olijf, het slangpilaartje of de tule. De buitendiameter is van belang voor slangklemmen, doorvoeren en het passen in een pompkop. De wanddikte bepaalt hoe stijf de slang is, hoe gemakkelijk hij knikt, welke druk hij aankan en of hij onder onderdruk inzakt.
Een slang wordt over een olijf (geribbelde slangaansluiting), een slangpilaar of een tule van glas of kunststof geschoven. De binnendiameter van de slang is bij voorkeur iets kleiner dan de buitendiameter van het aansluitstuk, zodat de slang met lichte voorspanning rondom aansluit. Een te ruime slang lekt of schiet los. Een veel te krappe slang is alleen met kracht te monteren, en bij glas geeft dat een reële kans op breuk en snijwonden. Schuif de slang daarom met een draaiende beweging over het aansluitstuk en houd bij glas een doek of handschoen in de hand. Een tule-aansluiting met slangklem is eenvoudig en universeel, maar volgens het artikel over schroefdraden en slangaansluitingen niet drukdicht boven enkele bar.
Borg de verbinding bij onderdruk, overdruk of gas altijd met een slangklem. Kies de klem op basis van de buitendiameter van de slang. Meer over aansluitstukken in glaswerkopstellingen leest u in het artikel over glaswerkopstellingen en hulpstukken.
Niet elk materiaal wordt in elke maat gemaakt. De tabel toont de binnendiameters en wanddiktes die de fabrikantcatalogus van Deutsch & Neumann (D&N) noemt voor de gangbare laboratoriumslangen. De beschikbaarheid per uitvoering kan afwijken.
Laboratoriumslangen bestaan uit twee materiaalfamilies. Elastomeren zoals natuurrubber, siliconenrubber, FKM, butyl en NBR zijn gevulcaniseerde rubbers: elastisch, flexibel en goed over aansluitstukken te schuiven. Thermoplasten zoals PVC, polyethyleen en PTFE zijn kunststoffen die doorgaans stijver zijn en minder elastisch, maar vaak een andere of juist specifiekere chemische bestendigheid hebben. De afkortingen zijn genormeerd; het artikel over kunststoffen en ISO 1043 licht ze toe. Voor een bredere vergelijking van kunststoffen in het laboratorium is er het artikel over laboratoriumplastics en verbruiksmaterialen.
De gegevens in deze paragraaf komen uit de fabrikantcatalogus van Deutsch & Neumann (D&N), aangevuld met algemene vakkennis. Temperatuurbereiken en beoordelingen zijn richtwaarden. Ze gelden voor de genoemde uitvoering en kunnen per fabrikant en per rubbermengsel afwijken.
Rode natuurrubberen laboratoriumslang is de klassieker in vrijwel elk laboratorium. De catalogus noemt een hardheid van 50 ± 5 Shore A en een temperatuurbereik van −25 tot +70 °C. Fabrikanten en productpagina's geven voor hun uitvoering soms een iets ander bereik, dus raadpleeg altijd de specificatie van de slang die u bestelt. Natuurrubber scoort in de vergelijkingstabel verderop uitstekend op treksterkte, rek en veerkracht (klasse 1) en is daardoor zeer soepel en elastisch. Daar staat tegenover dat natuurrubber slecht bestand is tegen benzine en minerale olie (klasse 6), tegen hitte (klasse 6) en matig tegen licht en ozon (klasse 4). De gasdichtheid is beperkt (klasse 5).
De slang is daarom bedoeld voor water, waterige oplossingen en gassen bij gematigde temperaturen, en niet voor oplosmiddelen, oliën of gebruik buitenshuis. Typische toepassingen zijn het verbinden van glaswerk, koelers en waterstraalpompen. Labvakhandel levert rode laboratoriumslang van natuurrubber per meter. Voor opstellingen onder onderdruk is een dikwandige uitvoering nodig (zie de paragraaf over vacuümslang). Bij contaminatiegevoelige analyses, zoals spoorelementanalyse, kiest u een inerter materiaal zoals siliconen of PTFE, omdat rubber additieven kan afgeven.
Latexslang is eveneens gemaakt van natuurrubber (NR), maar is helder en transparant. Volgens de catalogus is de slang temperatuurbestendig tot 100 °C, en de maten lopen van 2/4 mm tot 12/17 mm. De transparantie maakt visuele controle van de doorstroming mogelijk en de zeer soepele slang laat zich gemakkelijk over aansluitstukken schuiven. Latex bevat natuurlijke eiwitten die bij gevoelige personen een allergische reactie kunnen geven; let daar op bij veelvuldig handcontact. Voor de chemische bestendigheid gelden grotendeels dezelfde beperkingen als voor rode natuurrubberslang.
Siliconenslang is transparant, hygiënisch en thermisch breed inzetbaar. Volgens de catalogus is het materiaal bruikbaar van −60 tot +200 °C, kortstondig tot +260 °C, met een hardheid van 60 Shore A. De slang is voedselveilig en geschikt voor slangenpompen, en de catalogus vermeldt biocompatibiliteitstests volgens ISO 10993-1 (zie de paragraaf over normen). De maten lopen van 0,5/1,3 mm tot 25/33 mm. Siliconenslang is weekmakervrij en autoclaveerbaar en wordt onder meer gebruikt bij peristaltische pompen, waterbaden, koelkringen en destillatieopstellingen.
De keerzijde staat in de vergelijkingstabel. Siliconenrubber is sterk gasdoorlatend (klasse 6, de slechtste score), heeft een lage scheur- en slijtvastheid (klasse 4 en 5), zwelt in apolaire oplosmiddelen zoals benzine (klasse 5) en wordt aangetast door sterke logen (klasse 6 voor 50%-ige natronloog bij 50 °C). Siliconenslang is dus niet de eerste keus voor gasdichte verbindingen, sterke basen of apolaire oplosmiddelen.
PVC-slang is transparant en volgens de catalogus hittebestendig tot ongeveer 60 °C. De maten lopen van 1/1,8 mm tot 40/50 mm. Zachte PVC-slang bevat doorgaans weekmakers die uit het materiaal kunnen migreren. Dat maakt PVC minder geschikt voor contaminatiegevoelige toepassingen, waarvoor weekmakervrije siliconenslang een alternatief is. PVC-slang wordt gebruikt voor koelwateraansluitingen, condensafvoer, beluchting en het transport van niet-agressieve media. Hij is niet geschikt voor geconcentreerde oplosmiddelen, sterke zuren of temperaturen boven 60 °C.
PVC-slang met weefselinleg is doorzichtig en heeft een ingebed weefsel dat de slang drukvast maakt. De catalogus noemt naast de bestendigheid tegen veel chemicaliën en veroudering ook weerstand tegen olie en benzine. De toegestane werkdruk staat bij deze slang vermeld en loopt terug naarmate de slang groter wordt (zie de tabel bij werkdruk).
Polyethyleenslang is transparant, reuk- en smaakvrij en volgens de catalogus bestand tegen logen, zuren, alcohol en zoutoplossingen tot een temperatuur van 80 °C. De maten lopen van 1/1,8 mm tot 12/16 mm. Polyethyleen is stijver en minder elastisch dan rubber of siliconen. De slang is daardoor vooral geschikt voor monster- en reagenslijnen met een kleine diameter en voor aansluitingen waar elasticiteit niet nodig is. Over een olijf schuiven gaat minder gemakkelijk dan bij rubber.
PTFE-slang is wit en volgens de catalogus zonder drukbelasting hittebestendig tot circa 270 °C. De catalogus vermeldt conformiteit met FDA CFR 21 §177.1550. De maten lopen van 0,3/1,5 mm tot 12/14 mm, met wanddiktes van 0,25 tot 1,5 mm. PTFE is chemisch vrijwel universeel bestendig en daarom het materiaal voor agressieve zuren en oplosmiddelen; uitzonderingen zijn onder meer gesmolten alkalimetalen en elementair fluor.
De nadelen zijn de stijfheid en de beperkte elasticiteit. PTFE-slang knikt gemakkelijker dan rubber en laat zich niet over een olijf schuiven zoals een rubberslang, waardoor aansluiting meestal via fittings of klemverbindingen verloopt. De genoemde temperatuur geldt zonder druk; bij drukbelasting ligt de toelaatbare temperatuur lager. In de praktijk wordt PTFE-slang veel gebruikt in flow-chemie en bij analytische doorstroomopstellingen.
Twee aandachtspunten. FEP is een transparante variant met vergelijkbare chemische bestendigheid, maar met een lagere temperatuurbestendigheid (tot 205 °C). En bij sporenanalyse van PFAS is PTFE juist ongewenst, omdat het een fluorpolymeer is; in dat geval wordt PTFE-slang vervangen door polyethyleen of roestvast staal, zoals beschreven in het artikel over PFAS-analyse.
FKM is fluorrubber, in de volksmond vaak Viton genoemd naar een bekende handelsnaam. De zwarte slang is volgens de catalogus bruikbaar van −20 tot +200 °C, kortstondig tot +300 °C, en heeft een goede bestendigheid tegen ozon en weersinvloeden, en tegen benzine en minerale olie. De maten lopen van 2/4 mm tot 12/16 mm. In de vergelijkingstabel scoort FKM klasse 1 op benzine, minerale olie, zuren, logen, licht, ozon en gasdichtheid, en ook klasse 1 op warmtebestendigheid. Water van 100 °C krijgt klasse 3.
Het materiaal is daarmee de keuze onder de rubbers voor agressieve media bij hogere temperaturen. Tegenover die brede bestendigheid staan een lage veerkracht (klasse 6) en een beperkte flexibiliteit in de kou (klasse 5).
Butylslang is zwart, zonder inlage, en bijzonder gasdicht: de catalogus noemt een luchtdiffusie die ongeveer acht keer lager is dan bij vergelijkbare natuurrubberkwaliteiten, en een temperatuurbestendigheid tot circa +100 °C. De maten lopen van 3/7 mm tot 12/16 mm. In de vergelijkingstabel scoort butyl klasse 1 op gasdichtheid, zuren en logen en klasse 2 op water van 100 °C. Zwakke punten zijn benzine (klasse 5) en vooral minerale olie (klasse 6). Butylslang komt in aanmerking voor verbindingen waarbij verlies door gasdiffusie telt, bijvoorbeeld onder vacuüm of bij gasanalyse.
NBR is acrylnitril-butadieenrubber, in de catalogus aangeduid als Perbunan. De zwarte slang is zonder inlage en oliebestendig; de maten lopen van 3/7 mm tot 13/19 mm. NBR scoort klasse 1 op minerale olie en klasse 2 op benzine en zuren. Sterke logen (klasse 6) en ozon of weersinvloeden (klasse 5) zijn de zwakke punten. NBR is daarom een materiaal voor oliën, brandstoffen en vette media, en niet voor sterke basen of gebruik buitenshuis.
Chloropreenrubber is een allrounder met een matige tot goede bestendigheid: klasse 3 op benzine en minerale olie en klasse 2 op zuren, logen en ozon. Het is het materiaal van de gasslang voor branders van Labvakhandel. EPDM scoort klasse 1 op zuren, logen, water van 100 °C en ozon, maar slecht op benzine (klasse 6) en minerale olie (klasse 5). In de catalogus komt EPDM alleen voor als materiaaleigenschap en niet als laboratoriumslang.
De catalogus bevat een vergelijkingstabel met typische eigenschappen van acht rubbersoorten. De beoordeling loopt van 1 (zeer goed) tot 6 (zeer ongunstig): een lager getal is dus beter. De kolommen zijn natuurrubber (NR), styreen-butadieenrubber (SBR), butylrubber (IIR), EPDM, siliconenrubber (VMQ), chloropreenrubber (CR), nitrilrubber (NBR) en fluorrubber (FKM). Thermoplasten zoals PVC, PE en PTFE staan niet in deze tabel.
De fabrikant benadrukt dat deze tabel het eigenschappenbeeld van de rubbersoorten slechts richtinggevend weergeeft. Conclusies voor een concreet rubbermengsel zijn maar beperkt te trekken, omdat het optimaliseren van één eigenschap andere eigenschappen ongunstig kan beïnvloeden. Gebruik de tabel dus om te vergelijken en uit te sluiten, en niet als garantie.
Butylrubber, EPDM en FKM scoren klasse 1 op zowel zuren als logen. Natuurrubber is matig tot slecht tegen sterke zuren (klasse 4) maar redelijk bestand tegen logen (klasse 2). Siliconenrubber en NBR zijn daarentegen slecht bestand tegen sterke logen (klasse 6). Let op de testcondities: 25%-ig zwavelzuur en 50%-ige natronloog, beide bij 50 °C. Bij andere concentraties en temperaturen kan de beoordeling afwijken.
De tabel beoordeelt alleen benzine en minerale olie. FKM scoort op beide klasse 1, NBR klasse 2 en 1, en chloropreen klasse 3. Natuurrubber en EPDM scoren op benzine klasse 6 en zijn daarmee ongeschikt voor apolaire koolwaterstoffen. Voor andere oplosmiddelen geeft de tabel geen uitsluitsel. PVC-slang is niet bestand tegen oplosmiddelen zoals aceton, THF of dichloormethaan; PTFE is hiervoor het veiligste materiaal.
Bij elke slang zijn twee grenzen van belang: de maximale temperatuur en de ondergrens waarbij de slang nog flexibel blijft. Fabrikanten onderscheiden bovendien een continue gebruikstemperatuur en een kortstondige piek, zoals bij siliconen (tot +200 °C, kortstondig +260 °C) en FKM (tot +200 °C, kortstondig +300 °C). Bij PTFE geldt de opgegeven 270 °C zonder drukbelasting. Houd voor koude toepassingen rekening met de flexibiliteit in de kou: siliconenrubber scoort klasse 1, natuurrubber en butyl klasse 2 en FKM klasse 5.
Voor heet water is de score bij 100 °C in de vergelijkingstabel bruikbaar: EPDM scoort klasse 1, butyl, siliconen en NBR klasse 2, chloropreen en FKM klasse 3 en natuurrubber klasse 5. PVC-slang is volgens de catalogus hittebestendig tot ongeveer 60 °C en polyethyleenslang tot 80 °C.
Bij PVC-slang met weefselinleg geeft de catalogus de toegestane werkdruk voor water van 20 °C. Die neemt af naarmate de slang groter wordt, omdat de spanning in de wand toeneemt met de diameter.
Deze waarden gelden voor water bij 20 °C. Bij een andere temperatuur of een ander medium moet de toegestane druk worden teruggerekend; vraag daarvoor de fabrikantspecificatie op.
Rubber veroudert onder invloed van licht, ozon en warmte. De vergelijkingstabel laat zien dat natuurrubber (klasse 4 voor licht en voor weer en ozon) en NBR (klasse 4 en 5) gevoelig zijn, terwijl siliconen, EPDM en FKM bijzonder goed bestand zijn tegen licht en ozon. Bij veroudering wordt de slang hard, krijgt hij scheurtjes en verliest hij zijn elasticiteit. Bewaar slang daarom donker, koel en ontspannen, bij voorkeur op rol en zonder knikken.
Onder onderdruk drukt de buitenlucht de slang samen. Een dunwandige slang klapt dan dicht en sluit de doorstroming af, ook al zit hij goed vast op de aansluiting. Een vacuümslang heeft daarom een veel dikkere wand dan een gewone laboratoriumslang met dezelfde binnendiameter. De catalogus noemt voor vacuümgeschikte natuurrubberslang wanddiktes van 3 tot 10 mm, tegen 1 tot 4 mm voor gewone slang.
Voor de meeste toepassingen onder onderdruk, zoals vacuümfiltratie met een Büchnertrechter, een rotatieverdamper of een waterstraalpomp, wordt dikwandige natuurrubberslang gebruikt. Laboratoriumvacuümslang van Labvakhandel heeft een wanddikte van 5 mm. De catalogus bevat daarnaast vacuümuitvoeringen van siliconenslang met wanddiktes van 3 tot 5 mm.
Houd de slang tussen pomp en toepassing zo kort mogelijk, borg elke verbinding met een slangklem en plaats een kolfval tussen toepassing en pomp. Hoe u een vacuümsysteem opbouwt, welke pomp bij welke toepassing past en hoe u veilig werkt, staat in het artikel vacuüm in het laboratorium. Voor de pompkeuze is er een keuzewijzer voor vacuümpompen.
Een slang voor brandbaar gas is geen gewone laboratoriumslang. De catalogus onderscheidt een gasslang zonder ommanteling en armering volgens DIN 30664 deel 1 en een veiligheidsgasslang met elastische eindmoffen voor gasbranders volgens DIN 30665. Beide zijn bedoeld voor gassen volgens DVGW-arbeidsblad G 260, met een werkdruk tot 100 mbar, en DVGW-getest en geregistreerd. De veiligheidsgasslang wordt volgens de catalogus in vaste lengtes van 500 tot 3000 mm geleverd. De eindmoffen passen volgens de catalogus op slangtuiten volgens DIN 12898; aanvullende slangklemmen zijn dan volgens de fabrikant niet nodig.
Op de slang staat achter het logo van de fabrikant een markering met het kwartaal en het jaar van productie; 1.13 betekent bijvoorbeeld het eerste kwartaal van 2013. Gebruik nooit een gewone laboratoriumslang van rubber of PVC voor brandbaar gas. Trek bij het losmaken alleen aan de eindmof en nooit aan de slang zelf. Controleer de slang regelmatig op scheurtjes, vooral bij de eindmoffen, want daar treden de grootste buig- en rekbelastingen op. Een slang met zichtbare beschadigingen moet direct worden vervangen. Een reiniging met water is onschadelijk; droog het binnenste van de slang daarna zorgvuldig. Voor lekcontrole, gassoorten en brandertypen verwijzen we naar het artikel over laboratoriumbranders en voor het werken met cilinders naar werken met gasflessen in het lab.
Niet elke slang heeft elk keurmerk; de relevante normen verschillen per materiaal en toepassing. De catalogus noemt onder meer de volgende.
Controleer de norm- en keurmerkinformatie altijd per artikel: een verklaring voor het ene product geldt niet automatisch voor een andere uitvoering, kleur of fabrikant. Vraag bij kritische toepassingen om het certificaat of de conformiteitsverklaring. Het verschil tussen DIN, EN en ISO legt het artikel verschil tussen DIN, ISO en EN uit, en een overzicht van laboratoriumnormen staat in het artikel overzicht van alle laboratoriumnormen.
Slang is een slijtageonderdeel. Scheurtjes ontstaan door plaatselijke overrekking, belasting en veroudering, onder invloed van hitte, licht, ozon, zuren en logen. Controleer slang regelmatig op scheuren, verharding, verkleuring, kleverigheid, zwelling, blijvende vervorming en lekkage, vooral bij aansluitingen en knikken. Vervang slang bij zichtbare beschadiging meteen. Hoe intensiever de slang met chemicaliën of mechanische belasting in aanraking komt, hoe korter het inspectie-interval moet zijn. Bij koelwaterslang komt daar algvorming bij; het artikel over laboratoriumkoelers beschrijft de controle van koelwaterverbindingen.
Spoel slang na gebruik door met water of een geschikt spoelmedium en laat hem drogen voordat u hem opbergt. Siliconenslang is autoclaveerbaar; dat geldt niet voor de meeste andere slangtypen, waarvan het temperatuurbereik lager ligt (PVC tot circa 60 °C, rode natuurrubberslang tot circa 70 °C). Meer over stoomsterilisatie leest u in het artikel over autoclaveren. Gebruik bij steriele of contaminatiegevoelige toepassingen nieuwe slang of slang van een inert materiaal, en leg vast welke slang wanneer is vervangen.
De keuze van de slang volgt uit de toepassing. De tabel geeft een oriëntatie; de bestendigheid blijft per medium en temperatuur te controleren.
De medische slang is in het dagelijks taalgebruik slang voor medische toepassingen, zoals infuuslijnen en katheters, vaak van siliconen of een medische kwaliteit PVC. Of een slang echt als medisch hulpmiddel mag worden toegepast, is een kwestie van wet- en regelgeving en van de status die de fabrikant eraan geeft; het is geen materiaaleigenschap. De laboratoriumslangen in dit artikel zijn bedoeld voor laboratoriumgebruik.
Medische siliconenslang is slang van siliconenrubber (VMQ) die is getest op biocompatibiliteit, bijvoorbeeld op cytotoxiciteit, hemolyse, sensibilisatie en irritatie volgens ISO 10993-1. De catalogus noemt die tests voor siliconenslang van D&N, samen met voedselveiligheid en geschiktheid voor slangenpompen. Siliconenslang is bruikbaar van −60 tot +200 °C en is weekmakervrij. Een biocompatibiliteitstest maakt een laboratoriumslang echter niet vanzelf tot medisch hulpmiddel; vraag bij toepassingen met patiëntcontact of geneesmiddelen om de conformiteitsverklaring van de fabrikant.
Een laboratoriumslang is niet automatisch geschikt voor drinkwater. Materialen in contact met drinkwater moeten voldoen aan de eisen die daarvoor gelden, zoals de Europese drinkwaterrichtlijn 2020/2184 en in Nederland het Drinkwaterbesluit. Voedselveilige siliconenslang en PTFE-slang met verklaringen voor voedselcontact, zoals FDA CFR 21 §177.2600 of §177.1550, zijn kandidaten. Vraag bij de leverancier altijd de verklaring voor het specifieke artikel op.
Uit een gewone tuinslang drinkt u beter niet, tenzij de fabrikant de slang uitdrukkelijk als geschikt voor drinkwater aanduidt. Een tuinslang is meestal bedoeld voor het besproeien van planten en niet voor drinkwater. Water dat in de slang stilstaat, warmt op en kan stoffen uit het slangmateriaal oplossen. Laat de slang voor gebruik doorspoelen en kies voor drinkwater altijd een slang met een drinkwatergeschiktheidsverklaring.
Dat hangt van de temperatuur af. Volgens de catalogus is PVC-slang hittebestendig tot ongeveer 60 °C, polyethyleenslang tot 80 °C, latexslang tot 100 °C, siliconenslang tot 200 °C (kortstondig 260 °C) en PTFE-slang tot circa 270 °C zonder drukbelasting. In de vergelijkingstabel scoort EPDM het best op water van 100 °C, gevolgd door butyl, siliconen en NBR. Kies voor water boven 60 °C dus geen gewone PVC-slang.
Niet zonder meer. Tuinslangen zijn vaak van PVC, en PVC-slang is volgens de catalogus hittebestendig tot ongeveer 60 °C. Raadpleeg de specificatie van de tuinslang, want veel tuinslangen zijn alleen voor koud water gemaakt. Voor heet water in het laboratorium kiest u slang met een passend temperatuurbereik, zoals siliconenslang.
Een pneumatische slang voert perslucht of andere gassen onder druk aan voor pneumatische apparatuur en stuurluchtlijnen. Gangbare materialen zijn polyurethaan, polyamide en polyethyleen. Het gaat om een stevige, drukvaste slang met een strakke maattolerantie, die primair is bedoeld voor lucht en niet voor vloeistoffen of brandbaar gas. Voor brandbaar gas naar een brander is een gasslang volgens DIN 30664 nodig, en pneumatische slang mag daar niet voor worden gebruikt. De pneumatische slang valt buiten de rubber- en PTFE-slangen uit dit artikel; neem contact op voor advies over de aanvoer van lucht naar uw apparatuur.
Polyethyleenslang (PE-slang) is een transparante, reuk- en smaakvrije kunststofslang. Volgens de catalogus is hij bestand tegen logen, zuren, alcohol en zoutoplossingen tot een temperatuur van 80 °C. De maten lopen van 1/1,8 mm tot 12/16 mm. PE is stijver dan rubber of siliconen en wordt vooral gebruikt voor monster- en reagenslijnen met kleine diameters.
Polyurethaanslang (PU-slang) is een flexibele kunststofslang die veel in de pneumatiek wordt gebruikt vanwege de flexibiliteit, slijtvastheid en knikbestendigheid. In het laboratorium komt PU-slang vooral voor als luchtaanvoer naar apparatuur. De chemische bestendigheid is beperkter dan bij PTFE, en PU is minder geschikt voor sterke zuren, logen en heet water. Polyurethaanslang zit niet in de slangen uit de catalogus die de basis vormen van dit artikel.
Rubberslang is meestal natuurrubber (NR): zeer elastisch, maar slecht tegen olie, benzine, ozon en hitte, en beperkt gasdicht. Siliconenslang (VMQ) is transparant, weekmakervrij, bruikbaar van −60 tot +200 °C en autoclaveerbaar, maar sterk gasdoorlatend en slecht tegen sterke logen en apolaire oplosmiddelen. Kies siliconen voor pompen, hogere temperaturen en hygiënische toepassingen, en natuurrubber voor eenvoudige water- en glasverbindingen bij gematigde temperatuur.
Volgens de vergelijkingstabel scoren butylrubber, EPDM en FKM klasse 1 op zowel zuren als logen. PE-slang is volgens de catalogus bestand tegen logen, zuren, alcohol en zoutoplossingen tot 80 °C, en PTFE is chemisch vrijwel universeel bestendig. Siliconenslang en NBR zijn slecht bestand tegen sterke logen. Controleer altijd concentratie en temperatuur.
PTFE-slang is het veiligste materiaal voor de meeste oplosmiddelen. Onder de rubbers scoort FKM klasse 1 op benzine en minerale olie, NBR klasse 2 en 1. Natuurrubber en EPDM zijn slecht bestand tegen benzine. PVC-slang is niet bestand tegen oplosmiddelen zoals aceton, THF en dichloormethaan. Controleer de combinatie van slang en oplosmiddel altijd met de compatibiliteitstool en het veiligheidsinformatieblad.
Nee. Gebruik voor gasbranders alleen een gasslang die voldoet aan DIN 30664 en is getest volgens DVGW-arbeidsblad G 260, met een werkdruk tot 100 mbar. Een gewone laboratoriumslang van natuurrubber of PVC is daarvoor niet bedoeld. Zie de paragraaf over gasslangen en het artikel over laboratoriumbranders.
Een vacuümslang heeft bij dezelfde binnendiameter een veel dikkere wand, in de catalogus 3 tot 10 mm tegen 1 tot 4 mm bij gewone slang. Door die dikke wand klapt de slang onder onderdruk niet dicht. Een gewone slang is wel geschikt voor water en gas bij gewone druk.
Ja, siliconenslang is doorgaans autoclaveerbaar; de productpagina van de siliconenslang van Labvakhandel noemt de slang autoclaveerbaar. Het temperatuurbereik van −60 tot +200 °C ligt ruim boven de 121 °C van een standaard stoomcyclus. Controleer het aantal toegestane cycli in de fabrikantdocumentatie. Natuurrubber en PVC zijn hiervoor niet geschikt.
Er is geen vaste levensduur. De levensduur hangt af van materiaal, medium, temperatuur, belasting en omgeving. Licht, ozon, hitte, zuren en logen versnellen veroudering. Controleer slang regelmatig en vervang hem bij scheurtjes, verharding, verkleuring of lekkage. Bij slang in een peristaltische pomp is de levensduur een kwestie van het aantal compressies.
Laboratoria is het meervoud van laboratorium. Gangbaar zijn onderwijslaboratoria op scholen en hogescholen, onderzoekslaboratoria bij universiteiten, industriële laboratoria voor kwaliteitscontrole, klinische en medische laboratoria en milieu- en watertestlaboratoria. Overal komt slang voor, maar de eisen verschillen: het onderwijs gebruikt vooral rubber-, PVC- en gasslang voor koelwater, vacuüm en branders, terwijl farmaceutische en analytische laboratoria vaker kiezen voor siliconen of PTFE vanwege inertheid en steriliseerbaarheid.
Laboratoriumslang wordt bij Labvakhandel per meter geleverd, zoals de productpagina's van de rode laboratoriumslang, de siliconenslang, de vacuümslang, de PVC-slang en de gasslang voor branders vermelden. Afwijkende maten of andere slangtypen zijn op aanvraag te bespreken. Neem contact op voor advies.
Voor laboratoriumslang, siliconenslang, vacuümslang, PVC-slang, gasslang en slangklemmen kunt u terecht bij Labvakhandel. Bekijk het assortiment slangen en toebehoren, de bijbehorende vacuümpompen en waterstraalpompen en de branders en kookhulpmiddelen. Neem voor advies over de juiste slang voor uw toepassing gerust contact met ons op.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. De genoemde temperaturen, drukken en bestendigheidsklassen zijn richtwaarden uit fabrikantinformatie en kunnen per uitvoering afwijken. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.