Organ-on-chip en microphysiological systems

Een organ-on-chip (OoC) is een microfluidisch apparaat, doorgaans ter grootte van een objectglas of een standaard microtiterplaat, dat de structuur en functie van levend weefsel nabootst onder fysiologisch relevante omstandigheden. De chip bevat één of meerdere microkanalen bekleed met humane cellen, waardoor vloeistofstroming, mechanische rek en de interactie tussen verschillende celtypen kunnen worden nagebootst op een schaal die overeenkomt met de dimensies van capillairen en weefselmicrostructuren in het lichaam. Organ-on-chip-systemen behoren tot de bredere categorie microphysiological systems (MPS) en worden gezien als een van de meest veelbelovende alternatieven voor traditionele celkweek en dierproeven bij preklinisch geneesmiddelenonderzoek en toxicologische beoordeling.

Doorsnede van een organ-on-chip: bovenste microkanaal met epitheelcellen, poreuze membraan, onderste kanaal met endotheelcellen en bloedsurrogaat, vacuümkamers voor mechanische rek, en een overzicht van toepassingsgebieden en kernparameters

Achtergrond en historische context

Het concept van een miniatuur orgaanmodel in een microfluidisch systeem werd in 2010 internationaal bekend door het werk van het Wyss Institute for Biologically Inspired Engineering aan Harvard University, waar een lung-on-a-chip werd gepubliceerd in Science. Het systeem bootste de alveolair-capillaire grenslaag na, inclusief de cyclische mechanische vervorming die optreedt bij de ademhaling. Sindsdien is het veld explosief gegroeid: er zijn modellen beschikbaar voor hart, lever, nier, darm, hersenen, bot, huid, long en tal van andere organen. De technologie heeft inmiddels haar weg gevonden naar commerciële platforms die breed beschikbaar zijn voor de farmaceutische industrie, contractonderzoeksorganisaties (CRO's) en academische laboratoria.

De aandrijving achter de ontwikkeling is meervoudig. Conventionele in vitro celkweek in platte petrischalen of celkweektechnieken in statische systemen missen de dynamische mechanische prikkels en driedimensionale architectuur die weefsel in vivo kenmerken. Dierproeven zijn kostbaar, tijdrovend en voorspellen humane farmacokinetiek en toxiciteit dikwijls onvoldoende nauwkeurig. Organ-on-chip-systemen vullen de ruimte tussen deze twee uitersten: ze zijn humaan, beheersbaar en schaalbaar, terwijl ze meer fysiologische relevantie bieden dan monolaagkweek.

Werkingsprincipe en opbouw

De kern van een organ-on-chip bestaat uit een of meerdere microfluidische kanalen met een doorsnede van typisch 100 tot 1000 micrometer, gefabriceerd in een transparant, gasdoorlatend polymeer — in de meeste gevallen polydimethylsiloxaan (PDMS) of, voor industriële toepassingen, een thermoplastisch materiaal zoals polysulfon of COP (cyclo-olefine polymeer). De kanaaltjes zijn van elkaar gescheiden door een dunne poreuze membraan met poriediameters van 0,4 tot 8 micrometer.

Op en onder deze membraan worden verschillende celtypen aangebracht. In een darm-op-een-chip groeien intestinale epitheelcellen aan de bovenzijde van de membraan, terwijl endotheelcellen of immuuncellen de onderzijde bekleden. Beide kanalen worden doorstroomd door fysiologisch medium met een stroomsnelheid van 1 tot 100 microliter per minuut, wat een wandschuifspanning (shear stress) genereert die vergelijkbaar is met die in de menselijke microcirculatie. Shear stress is de tangentiële kracht per oppervlakte-eenheid die een stromende vloeistof uitoefent op een cellaag; in de microvasculatuur bedraagt deze typisch 0,5 tot 30 dyne/cm² en heeft een directe invloed op celmorfologie, genexpressie en de afslijting van het endotheel. Naast vloeistofstroming kunnen vacuümkamers aan de zijkant van de chip een cyclische mechanische rek op de membraan uitoefenen, waarmee peristaltische darmbewegingen of de ademhalingscyclus van de long worden gesimuleerd.

De transparantie van het materiaal maakt real-time microscopische observatie mogelijk tijdens de gehele kweekperiode, zonder dat cellen hoeven te worden gefixeerd of de chip ontmanteld. Fluorescente reporters, confocale microscopie en fluorescentie-microscopie zijn rechtstreeks toepasbaar op de chip.

Gebruikte celtypen en bronnen

De keuze van het celtype is bepalend voor de fysiologische relevantie van het model. Primaire humane cellen — rechtstreeks geïsoleerd uit donorweefsel — geven de meest authentieke biologische respons maar zijn beperkt beschikbaar en variëren van donor tot donor. HUVEC-cellen (humane navelstrengaderendotheelcellen) zijn een voorbeeld van veelgebruikte primaire endotheelcellen in microfluidische chips. Geïmmortaliseerde cellijnen, zoals Caco-2 (darmepitheel) en HepG2 (lever), zijn robuust en reproduceerbaar maar missen bepaalde differentiatiemarkers van rijp weefsel.

De meest veelbelovende bron zijn geïnduceerde pluripotente stamcellen (iPSC's). Daarbij worden humane bloedcellen of huidcellen via genetische herprogrammering — doorgaans door tijdelijke overexpressie van de transcriptiefactoren Oct4, Sox2, Klf4 en c-Myc — teruggebracht naar een stamcelstadium dat vergelijkbaar is met embryonale stamcellen. Vervolgens worden deze iPSC's gedifferentieerd naar het gewenste celtype door blootstelling aan specifieke groeifactoren en signaalmoleculen. iPSC-afgeleid hartspierweefsel, hepatocyten of neurale cellen maken patiëntspecifieke chips mogelijk, wat de weg opent naar gepersonaliseerde geneeskunde en de farmacogenomische variatie tussen individuen in kaart brengt.

Microphysiological systems — een bredere definitie

De term microphysiological system (MPS) omvat organ-on-chip naast verwante technologieën zoals driedimensionale sferoïden, organoïden en bioreactoren met weefselinserts. Organoïden — zelfordende driedimensionale weefselstructuren afgeleid van stamcellen — worden soms geïntegreerd in organ-on-chip-platforms om de complexiteit van een orgaan nog nauwkeuriger na te bootsen. Het onderscheid is dat organoïden spontaan de architectuur van een orgaan vormen, terwijl organ-on-chip-systemen de microarchitectuur en vloeistofstroming extern definiëren en controleren. In de praktijk worden organoïden in een chip geplaatst om van beide technieken te profiteren.

Een body-on-a-chip of human-on-a-chip koppelt meerdere orgaanmodellen in serie: medium stroomt van een darmchip naar een leverchip, dan naar een nierchip, waardoor de opeenvolgende metabolisering en klaring van een geneesmiddel kan worden gevolgd op een manier die diermodellen benadert zonder de soortverschillen. De toevoeging van immuuncellen, vetweefsel of een hersenmodel vergroot de systeemcomplexiteit verder en maakt zogenaamde multi-orgaaninteracties zichtbaar die in enkelvoudige celkweekmodellen onzichtbaar blijven. Regelgevende instanties zoals de FDA en het EMA beschouwen dergelijke multi-orgaansystemen als een prioriteit voor de modernisering van het preklinische veiligheidspakket.

Fabricagemethoden

De fabricage van organ-on-chip-apparaten is geworteld in de halfgeleiderindustrie. Zachte lithografie (soft lithography) — waarbij een PDMS-prepolymeer wordt gegoten over een door fotolithografie vervaardigd siliciummal — is de meest gebruikte techniek in onderzoekslaboratoria. Soft lithography omvat een reeks stappen: het mal wordt vervaardigd via spin-coating van een fotoresist (SU-8) op een siliciumwafer, gevolgd door UV-belichting door een masker en chemische ontwikkeling. Het PDMS-gietsel wordt vervolgens ontvormd, voorzien van aansluitingen en gebonden aan een glasplaatje of een tweede PDMS-laag via zuurstofplasmabehandeling. Het resulterende kanaalpatroon heeft sub-micrometer nauwkeurigheid en is reproduceerbaar te vervaardigen in een klassisch cleanroomlab.

Voor industriële schaalbaarheid worden thermoplastische materialen verwerkt via micro-injectiegietwerk of hot embossing (warm-embossen), wat massaproductie met hooggeautomatiseerde kwaliteitscontrole mogelijk maakt. Stereolithografisch 3D-printen in fotopolymeerhars (SLA, DLP) biedt nog meer ontwerpvrijheid maar vereist zorgvuldige materiaalkeuze vanwege cytotoxiciteit van onuitgeharde monomeren. Gestandaardiseerde SBS-microtiterplaat-formaten (Society for Biological Screening), zoals het 96-wells-footprint, maken organ-on-chip-platforms compatibel met bestaande laboratoriumrobotica en platereaders.

Detectie en analyse on-chip

Een van de onderscheidende kenmerken van organ-on-chip ten opzichte van statische celkweek is de mogelijkheid om continue, niet-invasieve metingen uit te voeren tijdens het experiment. De trans-epitheliale/endotheliale elektrische weerstand (TEER) wordt gemeten via geïntegreerde elektroden en geeft real-time informatie over de integriteit van de celbarrière. TEER is de elektrische weerstand die een cellaag biedt aan de passage van ionen; een hoge TEER-waarde duidt op een intacte, goed sluitende barrière, terwijl een daling wijst op schade door toxische stoffen, pathogenen of mechanische beschadiging. TEER is een kritische parameter voor modellen van de darm, de bloed-hersenbarrière en het longepitheel. Zuurstofconcentraties worden bewaakt via fluorescentie-gebaseerde sensorspots. Effluenten uit de microkanalen kunnen worden verzameld voor ELISA, western blot, proteomicsanalyse of koppeling aan LC-MS/MS voor metabolietprofilering.

Flowcytometrie kan worden ingezet om cellen die uit de chip komen te fenotyperen. Voor genexpressieanalyse van kleine celvolumes in de chip is next-generation sequencing (NGS) en single-cell RNA-sequencing beschikbaar. Bij single-cell RNA-sequencing (scRNA-seq) wordt het transcriptoom van individuele cellen bepaald, wat heterogeniteit binnen een cellaag zichtbaar maakt die in bulkanalyse verborgen blijft. Eiwitanalyse via gelelektroforese is toepasbaar op geconcentreerde chipeffluenten. Voor in-situ visualisatie van eiwitexpressie op weefselsneden uit een chip wordt immunohistochemie toegepast.

Toepassingen in de farmaceutische industrie

De primaire driver voor de snelle adoptie van organ-on-chip-technologie is de hoge uitval van geneesmiddelkandidaten in klinische fase II en III door onverwachte toxiciteit of gebrek aan werkzaamheid die niet door preklinische dierproeven werden voorspeld. Hepatotoxiciteit, cardiotoxiciteit en darmtoxiciteit zijn historisch moeilijk te voorspellen met rodentmodellen, terwijl humane lever-on-chip, hart-on-chip en darm-on-chip-systemen significante voordelen tonen in diverse validatiestudies.

In het ADME-onderzoek (absorptie, distributie, metabolisme, excretie) maakt een darm-lever-chip het mogelijk om orale biobeschikbaarheid en eerstepassagemetabolisme simultaan te meten met humane cellen. Farmacokinetische parameters zoals de klaring en de halfwaardetijd worden hierdoor humaan-relevanter dan met hepatocytensuspensies of leverslices. De hoeveelheid testcompound die benodigd is, is extreem laag — typisch nanomolen — wat de technologie ook aantrekkelijk maakt in vroege ontdekkingsfasen wanneer de beschikbaarheid van testmateriaal beperkt is.

Toepassingen in toxicologie en regulatoire context

In de toxicologie verkort organ-on-chip traditionele subacute en chronische dierproeven of vervangt deze. Binnen het REACH-kader van de Europese Unie en de EU-cosmeticaverordening, die dierproeven voor cosmetica verbiedt, worden MPS-systemen erkend als geavanceerde new approach methodologies (NAM). De OECD heeft richtlijnen gepubliceerd voor de validatie van in vitro testmethoden en werkt aan specifieke leidraden voor MPS. De FDA Modernization Act 2.0, eind 2022 ondertekend, doorbrak de exclusiviteit van dierproeven als vereiste voor IND-aanvragen (investigational new drug) en erkende alternatieve methoden waaronder organ-on-chip expliciet.

Herhaalde-dosis-toxiciteitstests over meerdere weken zijn mogelijk op chip dankzij de continue mediumverversing en de stabiele kweekconditie die de microfluidische stroming biedt. Nierchips worden ingezet voor nefrotoxiciteitsstudies van kandidaat-API's, waarbij tubulaire transport en glomerulaire filtratie kunnen worden gesimuleerd. Longchips zijn relevant voor inhalatietoxicologie, waarbij aërosolen rechtstreeks op het luchtwegepitheel kunnen worden aangebracht via een lucht-vloeistof-grenslaag (air-liquid interface, ALI). Bij een ALI worden de epitheelcellen aan de apicale zijde blootgesteld aan lucht of aërosol terwijl de basale zijde van het medium wordt voorzien; deze configuratie bootst de situatie in de luchtwegen nauwkeurig na en is de goudstandaard voor inhalatietoxicologisch onderzoek op longchips.

Commerciële platforms

De markt voor organ-on-chip wordt gedomineerd door een aantal gespecialiseerde bedrijven. Emulate Inc. (Boston, VS), opgericht door oud-onderzoekers van het Wyss Institute, levert het Organ-on-a-Chip-platform met een gestandaardiseerde chip en bijbehorend microfluidisch systeem (Zoë-CM1 Culture Module), inclusief kant-en-klare protocollen voor long, lever, darm, nier en bloed-hersenbarrière. De chips zijn compatibel met high-content imaging en zijn door Emulate gevalideerd in samenwerking met FDA-laboratoria.

Mimetas (Leiden, Nederland) ontwikkelde het OrganoPlate-platform, gebaseerd op een standaard 384-wells-glasplaat met geïntegreerde microfluidische kanalen. De vloeistofstroming wordt gegenereerd door een rocker-systeem dat het plaatvlak periodiek kantelt, waardoor een eenvoudige implementatie zonder externe pompen mogelijk is. OrganoPlate ondersteunt co-culturen van meerdere celtypen in een fase-gescheiden geometrie zonder kunstmatige membraan — een uniek kenmerk in het veld — gebaseerd op patroonvorming door oppervlaktespanning (PhaseGuide-technologie).

Andere relevante leveranciers zijn CN Bio (PhysioMimix MPS-platform, UK), AIM Biotech (3D Cell Culture Chip, idenTx-platform), TissUse (HUMIMIC multi-orgaanplatform, Berlijn) en Hesperos (Human-on-a-Chip). Op het gebied van cultuurinserts bieden Ibidi en Miltenyi Biotec microfluidische glijbanen en kweekslides die een ingang vormen voor gebruikers die met minimale infrastructuurinvestering willen starten.

Vergelijking met organoïden en klassieke celkweek

Organ-on-chip en organoïden zijn complementaire technologieën die beide zijn ontstaan als reactie op de beperkingen van conventionele celkweektechnieken. Organoïden vormen spontaan een complexe, driedimensionale architectuur die sterk lijkt op embryonale organogenese en zijn bijzonder sterk in het modelleren van ontwikkelingsbiologische processen en genetische ziekten. Nadelen van organoïden zijn echter de beperkte reproduceerbaarheid van de spontane zelforganisatie, de afwezigheid van vasculatuur en vloeistofstroming, en de moeilijkheid om de omgeving kwantitatief te controleren. Organ-on-chip biedt meer controle over geometrie, vloeistofstroming en mechanische prikkels, en leent zich beter voor gestandaardiseerde, reproduceerbare farmacologische assays. De combinatie — organoïden ingebed in een microfluidisch systeem — vertegenwoordigt de meest geavanceerde richting in het veld.

Ten opzichte van klassieke monolaagkweek in petrischalen of celviabiliteitsassays biedt organ-on-chip de volgende fysiologische voordelen: aanwezigheid van vloeistofstroming en shear stress, mogelijkheid tot co-cultuur van meerdere celtypen, driedimensionale organisatie van de weefselmicrostructuur, mechanische prikkeling die celdifferentiatie en genexpressie moduleert, en de mogelijkheid om de barrière-integriteit continu te bewaken. De shear stress in de microkanalen wordt direct bepaald door de stroomsnelheid en de viscositeit van het medium, een verband dat in viscosimetrie wordt beschreven.

Voor tumor-specifieke 3D-modellen zonder microfluidische component, zie 3D-celkweek en tumoroïden.

Wat zijn de voordelen van organ-on-chip ten opzichte van klassieke celkweek en dierproeven?

De voornaamste voordelen van organ-on-chip laten zich samenvatten in vier categorieën:

  • Fysiologische relevantie — Organ-on-chip bootst de driedimensionale weefselarchitectuur, de vloeistofstroming (shear stress), de mechanische prikkels (cyclische rek bij ademhaling of peristaltiek) en de interactie tussen meerdere celtypen na — omgevingsfactoren die in een petrischaal ontbreken maar in vivo sterk bepalend zijn voor celfunctie, genexpressie en geneesmiddelenrespons.
  • Humane celmodellen zonder soortverschillen — Diermodellen voorspellen humane farmacokinetiek en toxiciteit dikwijls onvoldoende door soortspecifieke metabolismeverschillen. Organ-on-chip gebruikt primaire humane cellen of iPSC-afgeleide cellen, waardoor de respons inherent humaan is. Bij gebruik van patiëntspecifieke iPSC’s is een volledig gepersonaliseerd testplatform mogelijk.
  • Continue, niet-invasieve monitoring — De transparantie van het chipmateriaal maakt real-time microscopische observatie gedurende het gehele experiment mogelijk. Geïntegreerde elektroden meten de trans-epitheliale weerstand (TEER) continu als maat voor de barrière-integriteit. Chipeffluenten zijn collecteerbaar voor LC-MS/MS, ELISA en proteomics zonder het experiment te onderbreken.
  • Efficiënter gebruik van testmateriaal en tijd — De hoeveelheid testcompound die benodigd is voor een organ-on-chip-assay ligt typisch in het nanomolenbereik, wat de technologie bijzonder aantrekkelijk maakt in vroege ontdekkingsfasen wanneer de beschikbaarheid van kandidaatverbindingen beperkt is. Herhaalde-dosis-experimenten over meerdere weken zijn haalbaar dankzij de continue mediumverversing — een tijdsduur die in conventionele statische celkweek niet stabiel is vol te houden.

Validatiestudies tonen aan dat humane darm-on-chip de orale geneesmiddelabsorptie nauwkeuriger voorspelt dan Caco-2-monolagen, en dat lever-on-chip chloroquine-geïnduceerde fosfolipidose detecteert die in rodentmodellen niet altijd manifest is. Voor hepatotoxiciteit, cardiotoxiciteit en barrièretoxiciteit — historisch de meest problematische eindpunten in de preklinische voorspelling — presteren organ-on-chip-systemen gemiddeld beter dan statische celkweek en vergelijkbaar met of beter dan rodentmodellen. De nadelen en huidige beperkingen worden besproken in het gedeelte Technische uitdagingen hieronder.

Technische uitdagingen

Ondanks de snelle vooruitgang kent het veld nog relevante uitdagingen. PDMS absorbeert hydrofobe kleine moleculen, wat de concentratie van testcompounds kan verlagen en de farmacologische meting vertekent; thermoplastische alternatieven hebben dit nadeel minder maar zijn complexer te fabriceren. De vascularisatie van dikke weefselconstructs — meer dan 200 micrometer — blijft een uitdaging doordat zuurstof en nutriënten dan onvoldoende diffunderen naar het centrum. Standaardisatie van protocollen, celkwaliteit en meetmethoden tussen laboratoria is onvoldoende om hoge reproduceerbaarheid tussen sites te garanderen. De doorvoer (throughput) van microfluidische platforms is nog altijd lager dan van geautomatiseerde 384- of 1536-wells-systemen, al boeken platforms als OrganoPlate hier grote stappen.

Verhouding tot andere geavanceerde analysetechnieken

Organ-on-chip-technologie integreert naadloos met moderne analysetechnieken die elders in de kennisbank worden beschreven. Metabolietprofilering van chipeffluenten via LC-MS/MS geeft inzicht in stofwisselingsroutes van kandidaat-geneesmiddelen. Proteomics en 2D-PAGE zijn toepasbaar op celextracten van na het experiment geoogste cellen. Next-generation sequencing van RNA uit chipkweken maakt transcriptomische profilering van de weefselrespons mogelijk. Capillaire elektroforese kan worden ingezet voor de analyse van metabolieten en eiwitten in de kleine volume-effluenten die organ-on-chip-systemen produceren. Beeldvorming met confocale en fluorescentie-microscopie is rechtstreeks toepasbaar dankzij het optisch transparante chipmateriaal.

Regelgeving en validatie

De acceptatie van organ-on-chip-data door regulatoire instanties is in ontwikkeling. De FDA heeft via haar Innovative Science and Technology Approaches for New Drugs (ISTAND) pilotprogramma een formeel traject gecreëerd voor de kwalificatie van MPS als drug development tool. Het EMA heeft in haar Qualification of Novel Methodologies-procedure vergelijkbare mechanismen. De OECD werkt aan testrichtlijnen specifiek voor MPS. In Nederland adviseert het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) over alternatieve methoden en faciliteert het door ZonMw ondersteunde Transition Programme for Innovation without the use of animals (TPI) de transitie naar NAM in de Nederlandse farmaceutische en chemische industrie.

Validatiestudies tonen aan dat humane darm-on-chip de absorptie van oraal toegediende geneesmiddelen nauwkeuriger voorspelt dan Caco-2-monolagen, en dat lever-on-chip chloroquine-geïnduceerde fosfolipidose detecteert die in rodentmodellen niet altijd manifest is. De nauwkeurigheid van organ-on-chip-modellen is sterk afhankelijk van het orgaanmodel en de eindpuntmeting: voor intestinale permeabiliteit en hepatotoxiciteit zijn correlaties met humane klinische uitkomsten beter gedocumenteerd dan voor complexere eindpunten zoals immuungemedieerde reacties. In het algemeen presteren organ-on-chip-systemen beter dan statische celkweek en vergelijkbaar met of beter dan rodentmodellen voor orgaanspecifieke toxiciteitsendpunten, terwijl de voorspellende waarde voor systemische effecten nog in ontwikkeling is. Deze bevindingen onderbouwen de toenemende acceptatie van organ-on-chip als aanvullend of vervangend testplatform in het preklinische pakket.

Toekomstperspectief

De convergentie van organ-on-chip met aangrenzende technologieën — waaronder CRISPR-Cas9-genbewerkte cellen, biosensoren gebaseerd op elektrochemische impedantiespectroscopie, en kunstmatige intelligentie voor de interpretatie van high-content beeldvorming — maakt de ontwikkeling van volledig geautomatiseerde, patiëntspecifieke testplatforms realistisch. Body-on-a-chip-systemen die acht of meer organen koppelen worden al gedemonstreerd in academische settings. De integratie met bioprinting maakt het mogelijk om vasculaire netwerken direct in de chiparchitectuur te printen, waarna cellen worden ingezaaid.

Voor de toxicologische praktijk biedt organ-on-chip het perspectief van een geïntegreerd, humaan en kwantificeerbaar testsysteem dat de drie R's van het dierproefbeleid invult: Replace (vervangen van dierproeven door alternatieven), Reduce (verminderen van het aantal dieren per experiment) en Refine (verfijnen van proefopzet om ongerief te minimaliseren). Dit kader, geformuleerd door Russell en Burch in 1959, is de ethische en regulatoire basis voor alle Europese dierproefwetgeving en vormt de leidraad voor de transitie naar NAM.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen organ-on-chip en lab-on-a-chip?

Een lab-on-a-chip is een brede term voor elk miniatuur apparaat dat één of meerdere laboratoriumprocedures (scheiding, detectie, synthese) integreert op een kleine chip. Een organ-on-chip is een specifieke toepassing van microfluidica waarbij levende humane cellen worden gekweekt om de fysiologie van een orgaan na te bootsen. Alle organ-on-chip-systemen zijn lab-on-chip, maar het omgekeerde geldt niet.

Wat is een body-on-a-chip?

Een body-on-a-chip, ook wel human-on-a-chip genoemd, is een systeem waarbij meerdere organ-on-chip-modules in serie worden geschakeld zodat medium van het ene orgaanmodel naar het volgende stroomt. Hierdoor kunnen de opeenvolgende stappen van absorptie, distributie, metabolisme en excretie van een geneesmiddel in één geïntegreerd humaniseerd systeem worden gevolgd. Typische configuraties omvatten darm, lever en nier als kernorganen, aangevuld met hart, long of hersenen afhankelijk van de onderzoeksvraag. Multi-orgaanplatforms van bedrijven als TissUse en Hesperos kunnen vier tot acht orgaancompartimenten koppelen.

Zijn organ-on-chip-systemen volledig vervangers van dierproeven?

Nog niet. Organ-on-chip-systemen vervangen of verkleinen de behoefte aan dierproeven voor specifieke testdoeleinden, met name in vitro ADME, barrièretoxiciteit en orgaanspecifieke farmacokinetiek. Voor complexe systeemeffecten — zoals immuunrespons op een volledig organisme, endocrinologische bijwerkingen of gedragseffecten — zijn aanvullende modellen of beperkte dierproeven voorlopig nog noodzakelijk. De verwachting is dat een combinatie van meerdere organ-on-chip-systemen, computationele modellen en humane data dierproeven op termijn verder zal reduceren.

Welke organen zijn beschikbaar als organ-on-chip-model?

Commercieel zijn modellen beschikbaar voor long, lever, darm, nier, hart, bloed-hersenbarrière, huid, bot en tumor. Academisch zijn ook cornea, pancreas, lymfeklier, placenta en spierskeletweefsel gedemonstreerd. De mate van validatie verschilt sterk per orgaanmodel; de darm-op-een-chip en de long-op-een-chip zijn het meest uitgebreid gekarakteriseerd.

Hoelang duurt een organ-on-chip-experiment?

De experimentduur varieert sterk naar doel en orgaanmodel. Celzaai en initiële hechting kosten doorgaans 24 tot 48 uur; de daarna volgende rijpingsfase, waarin cellen differentiëren en een functionele barrière vormen, neemt afhankelijk van het celtype drie tot veertien dagen in beslag. Acute toxiciteitsstudies kunnen daarna binnen 24 tot 72 uur worden uitgevoerd, terwijl herhaalde-dosis-experimenten voor subchronische toxiciteit twee tot vier weken lopen. De continue mediumverversing in microfluidische systemen maakt stabiele kweekperioden van vier weken of langer mogelijk, wat aanzienlijk langer is dan in conventionele statische celkweek haalbaar is.

Wat kost een organ-on-chip-experiment?

De kosten variëren sterk naar platform, celtype en experiment. Een individuele Emulate-chip kost ruwweg in de orde van tientallen euro's; de bijbehorende instrumentatie (Zoë-platform) is aanzienlijk duurder. OrganoPlate-platen van Mimetas vereisen geen pompinstrumentatie en zijn relatief kostenefficiënt per conditie. De totale experimentkosten inclusief celmateriaal, medium en analyse liggen typisch hoger dan voor een standaard 96-wells-assay, maar lager dan een dierstudie. Bij hoge throughput-platforms neemt de kostprijs per datapunt snel af.

Is organ-on-chip 2D of 3D?

Organ-on-chip is in de kern een driedimensionaal systeem. Hoewel de cellagen zelf vaak als een dunne laag op een membraan worden aangebracht — wat tweedimensionaal lijkt — is de configuratie als geheel driedimensionaal: cellen zijn omgeven door een microfluidisch kanaal, liggen boven en onder een poreuze membraan en worden blootgesteld aan vloeistofstroming in drie richtingen. In geavanceerdere uitvoeringen, zoals het OrganoPlate-platform of chips met ingesloten organoïden, groeien cellen volledig in een driedimensionale matrix van hydrogel. Het onderscheid met klassieke tweedimensionale monolaagkweek is functioneel: driedimensionale organisatie en vloeistofstroming induceren een celfenotype dat significant dichter bij de in-vivo-situatie ligt dan platte kweek op polystyreen.

Wat is een long-op-een-chip?

Een long-op-een-chip (lung-on-a-chip) is het orgaanmodel dat het veld internationaal bekend maakte via de publicatie van het Wyss Institute in Science in 2010. Het systeem bestaat uit twee microkanalen gescheiden door een dunne poreuze PDMS-membraan: aan de bovenzijde groeien humane longepitheel­cellen (alveolaire of luchtwegepitheel­cellen), aan de onderzijde humane longendotheelcellen. Door vacuümkamers aan de zijkant van de chip cyclisch te activeren wordt een mechanische rek gesimuleerd die overeenkomt met de ademhaling (circa 10% rek bij 0,2 Hz). Bovenin het kanaal kan lucht of aërosol worden aangeboden via een air-liquid interface. Het model wordt ingezet voor de studie van longontsteking, pulmonale toxicologie, inhalatiegeneesmiddelen en infecties met luchtwegpathogenen zoals influenza en SARS-CoV-2. Commerciële long-chips zijn beschikbaar via Emulate Inc. en worden door diverse farmaceutische bedrijven gebruikt voor preklinisch veiligheidsonderzoek.

Wie heeft organ-on-chip uitgevonden?

De organ-on-chip-technologie in haar huidige vorm werd in 2010 gepubliceerd door onderzoekers van het Wyss Institute for Biologically Inspired Engineering aan Harvard University. De sleutelfiguren zijn:

  • Dongeun Huh — eerste auteur van de richtinggevende publicatie Reconstituting Organ-Level Lung Functions on a Chip in Science (2010). Huh ontwikkelde de long-op-een-chip als postdoctoraal onderzoeker aan het Wyss Institute. Hij is momenteel hoogleraar bioengineering aan de University of Pennsylvania en leidt verder onderzoek naar organ-on-chip-technologieen voor klinische toepassingen.
  • Donald E. Ingber — oprichter en directeur van het Wyss Institute, en promotor van het onderzoek. Ingber, hoogleraar vasculaire biologie aan Harvard Medical School, legde met zijn onderzoek naar mechanobiologie en microfabricage de wetenschappelijke basis voor de toepassing van microfluidica in orgaanmodellering. Hij is medeoprichter van Emulate Inc., het bedrijf dat de technologie commercieel beschikbaar maakte.

De technologische voorlopers — microfluidica, zachte lithografie en celkweek in PDMS-kanalen — bestonden al. De vernieuwing van Huh en Ingber lag in de combinatie: levende humane cellen in een tweelaags microfluidisch systeem met mechanische rek, waardoor voor het eerst een functionele orgaangrenslaag in vitro kon worden nagebootst. Het Wyss Institute richtte vervolgens Emulate Inc. op om de technologie te commercialiseren; het platform is inmiddels breed beschikbaar voor farmaceutisch onderzoek en wordt door de FDA gebruikt in haar eigen validatiestudies.

Wat is een hersenen-op-een-chip?

Een hersenen-op-een-chip (brain-on-a-chip) is een overkoepelende term voor microfluidische orgaanmodellen die de cel­biologie en barrière­functie van het centrale zenuwstelsel nabootsen. In de praktijk worden twee typen onderscheiden:

  • Bloed-hersenbarrière-chip (BBB-chip) — het meest gevalideerde hersenmodel in organ-on-chip-platforms. De chip bestaat uit twee microkanalen gescheiden door een poreuze membraan: aan de luminale zijde groeien humane cerebrale endotheelcellen die de binnenwand van de hersenvaten vormen; aan de abluminale zijde worden astrocyten en/of pericyten gekweekt, de ondersteunende cellen die de barrière in vivo reguleren. De trans-epitheliale elektrische weerstand (TEER) is de primaire meetparameter voor barrière-integriteit. BBB-chips worden ingezet voor de voorspelling van de hersenpenetratie van kandidaat-geneesmiddelen voor het centrale zenuwstelsel — een van de meest uitdagende farmacokinetische parameters, omdat de bloed-hersenbarrière de meeste grote moleculen en veel kleine moleculen buitensluit.
  • Neuronale chip — chips bekleed met iPSC-afgeleide neuronen, gliacellen (astrocyten, oligodendrocyten) en microglia. Deze modellen worden ingezet voor de studie van neuroinflammatie, neurodegeneratieve ziekten zoals de ziekte van Alzheimer en Parkinson, en voor de toxicologische beoordeling van stoffen die de neuronale functie kunnen beïnvloeden. Elektrische activiteit van neuronale netwerken wordt gemeten via multi-electrode arrays (MEA) die in de bodem van de chip zijn geïntegreerd.

Commerciële BBB-chips zijn beschikbaar via Emulate Inc. en CN Bio. Ten opzichte van de long-op-een-chip en de darm-op-een-chip is het hersenmodel nog minder ver gevorderd in klinische validatie, doordat humane hersencellijnen met de juiste differentiatiestatus moeilijker reproduceerbaar te verkrijgen zijn. De ethische discussie over hersenen-op-een-chip is beperkt: de huidige systemen modelleren cellair gedrag en elektrische prikkelgeleiding maar zijn ver verwijderd van enige bewustzijns- of gevoelscapaciteit. Zie ook de sectie Technische uitdagingen voor de algemene beperkingen van het veld.

Zijn er ethische bezwaren tegen organ-on-chip?

Organ-on-chip roept minder ethische bezwaren op dan dierproeven, maar is niet volledig vrij van ethische overwegingen. Het gebruik van primaire humane cellen en iPSC's afgeleid van patiëntmateriaal vereist geïnformeerde toestemming en zorgvuldig beheer van donorgegevens, met name wanneer chips patiëntspecifiek worden geconfigureerd voor gepersonaliseerde geneeskunde. Bij chips die immuun­cellen, neurale cellen of stamcellen combineren, rijst de vraag naar de morele status van het gecreëerde weefselsysteem — al zijn de huidige modellen ver verwijderd van enige bewustzijnscapaciteit of organbeweging die ethische protocollen voor proefdieren zou rechtvaardigen. In de Europese regelgeving valt organ-on-chip onder bestaande kaders voor in vitro-onderzoek met humaan celmateriaal; dierproefregelgeving is niet van toepassing. De technologie wordt daarmee door beleidsmakers gezien als een ethisch aantrekkelijk alternatief, niet als een ethisch probleem op zichzelf.

Is organ-on-chip geschikt voor microbiologisch onderzoek?

Ja, met name voor de studie van host-pathogeen-interacties in de darm, long en huid. Bacteriën, virussen en schimmels kunnen worden geïntroduceerd aan de luminale zijde van de chip, terwijl de barrièrefunctie en immuunrespons van de gastheercel continu wordt bewaakt. Dit maakt organ-on-chip aantrekkelijk voor infectieziekteonderzoek, inclusief COVID-19-studies waarbij humane longchips hebben aangetoond hoe SARS-CoV-2 het longepitheel binnendringt en schaadt.

Bekijk het assortiment laboratoriumapparatuur en verbruiksmaterialen van Labvakhandel, of neem contact op voor advies bij de keuze van de juiste materialen voor uw toepassing.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.