Solventreductie in analytische methoden

Solventreductie is het systematisch verlagen van het oplosmiddelverbruik in analytische methoden — met behoud van scheiding, gevoeligheid en robuustheid. Voor HPLC, UHPLC en aanverwante chromatografische technieken vormt de mobiele fase de grootste post op de afval- en inkoopstroom van een routinelaboratorium. Deze pagina beschrijft welke technische ingrepen daadwerkelijk oplosmiddel besparen, hoe u die winst kwantificeert, welke greenness-metrics daarvoor geschikt zijn, en hoe u een bestaande methode stap voor stap omzet naar een variant met een lager solventvoetspoor.

Vergelijking van oplosmiddelverbruik per LC-formaat: conventionele HPLC, UHPLC, core-shell, monoliet, SFC en nano-LC

Wat is solventreductie in het analytisch lab?

Solventreductie omvat alle keuzes in methode-ontwikkeling en apparatuur die de hoeveelheid organisch oplosmiddel per analyse omlaag brengen. In de praktijk vertaalt dit zich in drie bewegingen: minder oplosmiddel per run (kleinere kolomdiameter, kortere run, hogere efficiëntie), oplosmiddel vervangen door een minder gevaarlijk of milieuvriendelijker alternatief (methanol in plaats van acetonitril, ethanol als hernieuwbaar alternatief, superkritisch CO₂), en oplosmiddel terugwinnen of hergebruiken (on-line solvent recycling, gefractioneerde rotatieverdamping). Solventreductie sluit aan bij het bredere kader van Green Analytical Chemistry (GAC), waarin twaalf principes richting geven aan een milieubewuste methode-ontwikkeling.

Waarom is solventreductie belangrijk?

Voor een routinematig HPLC-laboratorium met tien systemen die elk 250 analysedagen per jaar draaien, ligt het jaarlijkse verbruik aan mobiele fase snel tussen de 1500 en 4000 liter. Dat vertaalt zich in vier soorten kosten die door solventreductie direct worden verlaagd. Ten eerste inkoop: HPLC-gradiëntkwaliteit acetonitril is een prijsgevoelige commodity waarvan de beschikbaarheid al meerdere keren wereldwijd onder druk stond. Ten tweede afvalverwerking: gehalogeneerd en niet-gehalogeneerd solventafval moet gescheiden worden ingezameld en extern worden vernietigd of geregenereerd, doorgaans tegen tarieven per liter. Ten derde arbo: elk liter oplosmiddel dat het systeem verlaat, komt via de damphuishouding en de opvangvaten in de directe leefomgeving van de analist. Ten vierde milieu: de emissie van vluchtige organische stoffen (VOS/VOC) en de energie-inhoud van solventproductie tellen mee in de Scope 3-emissies van veel laboratoriumorganisaties.

Kleine ingrepen leveren doorgaans meer op dan gedacht. Een overstap van een 4,6 mm × 250 mm HPLC-kolom naar een 2,1 mm × 100 mm UHPLC-kolom met deeltjesgrootte 1,8 µm reduceert het oplosmiddelverbruik per analyse met een factor 5 tot 10 bij een vergelijkbare scheiding — zonder dat de kwaliteit van de bepaling wordt ingeleverd. Wie tien HPLC-analyses per dag draait, bespaart daarmee al snel duizenden liters solvent per jaar.

De twaalf principes van Green Analytical Chemistry

De twelve principles of Green Analytical Chemistry (Gałuszka, Migaszewski & Namieśnik, 2013) vormen het kader waarbinnen solventreductie zijn plek heeft. De principes bepleiten onder meer: directe metingen zonder monsterverwerking waar mogelijk; kleine monstervolumes; miniaturisatie van instrumentatie; multi-analytmethoden om herhaalde runs te vermijden; automatisering; vermijden van derivatisering; keuze voor niet-toxische reagentia; energiezuinigheid; en veilige omstandigheden voor de analist. Solventreductie raakt vrijwel alle twaalf principes; de meeste praktische winst zit in principe 7 (afval minimaliseren aan de bron) en principe 8 (kies voor niet-toxische en biogene reagentia). Wie een methode systematisch tegen deze principes uitzet, ziet snel waar de grootste winst te halen valt.

Wat zijn de 12 principes van groene analytische chemie?

De twaalf principes bestrijken samen de gehele levenscyclus van een analytische methode. De kernpunten zijn: (1) directe analytische techniek zonder monsterbehandeling; (2) minimaliseer de monstergrootte; (3) voer metingen bij voorkeur in-situ uit; (4) integreer analytische processen en operaties; (5) kies voor geautomatiseerde en geminiaturiseerde methoden; (6) vermijd derivatisering; (7) vermijd de generatie van grote hoeveelheden analytisch afval en verwerk het correct; (8) geef de voorkeur aan multi-analytmethoden boven single-analyt; (9) minimaliseer het energieverbruik; (10) kies voor reagentia uit hernieuwbare bron; (11) elimineer of vervang toxische reagentia; (12) verhoog de veiligheid voor de analist. Deze principes vormen sinds de publicatie in Trends in Analytical Chemistry de facto de meetlat voor greenness in de analytische chemie.

Strategie 1: kolomminiaturisatie

De mobiele-fasedoorstroming in een LC-systeem schaalt kwadratisch met de kolomdiameter. Voor twee geometrisch vergelijkbare kolommen geldt bij gelijke lineaire snelheid en gelijk retentiepatroon:

F₂ = F₁ × (d₂ / d₁)²

Waarbij F de volumetrische flow en d de interne diameter voorstelt. Een overstap van 4,6 mm naar 2,1 mm halveert de diameter en reduceert de flow — en daarmee het solventverbruik — met een factor 4,8. Bij tegelijk halveren van de kolomlengte (250 → 100 mm) neemt de runtijd nog eens met een factor 2,5 af. Het gecombineerde effect is een reductie van circa 10× per analyse, mits de detector en de fittingen zonder extra dood volume met de smallere kolom overweg kunnen.

Kolomdiameter (mm)Typische flow (mL/min)Verbruik per run van 10 min (mL)Ten opzichte van 4,6 mm
4,61,515100 %
3,00,6640 %
2,10,3320 %
1,00,070,74,7 %
0,3 (micro-LC)0,0060,060,4 %
0,075 (nano-LC)0,00030,0030,02 %

De keerzijde: hoe smaller de kolom, des te hoger de eisen aan het instrument. Dood volume in de injector, in de kolomoven en in de detectorcel moet in verhouding tot het piekvolume klein blijven, anders gaat de winst aan resolutie verloren. Voor 2,1 mm kolommen is een standaard UHPLC-systeem voldoende; voor 1,0 mm en smaller is een systeem met lage dispersie en gespecialiseerde pompen nodig.

Strategie 2: kleinere deeltjes en superficieel poreuze deeltjes

De van-Deemter-vergelijking laat zien dat de plaathoogte bij een kleinere deeltjesgrootte lager wordt, en dat het optimum bij een hogere lineaire snelheid ligt. Dit maakt kortere kolommen mogelijk bij gelijke resolutie — en dus een lager solventverbruik per analyse. De overstap van 5 µm naar 1,8 µm sub-2-µm deeltjes (UHPLC) is een van de grootste efficiëntiestappen in de moderne LC.

Een technisch aantrekkelijk alternatief zijn core-shell deeltjes (superficieel poreuze deeltjes, SPP). Deze deeltjes combineren de efficiëntie van sub-2-µm materiaal met de rugdruk van 3–5 µm volledig poreuze deeltjes. Voor conventionele HPLC-systemen zonder UHPLC-pompen biedt SPP daarmee een directe route naar kortere runtijden en lager solventverbruik zonder investering in nieuw instrumentarium.

Voor extreem lage tegendruk en hoge doorvoer bieden monolietkolommen een alternatief. De bimodale porositeit (macroporiën voor doorstroming, mesoporiën voor scheiding) maakt hoge flows mogelijk bij lage tegendruk, waardoor korte analyses met beperkt solventverbruik haalbaar zijn — met name geschikt voor screening en snelle kwaliteitscontrole.

Strategie 3: keuze van het oplosmiddel

Niet elk oplosmiddel is even "groen". Bij de selectie speelt naast de chromatografische eigenschappen (elutiekracht, viscositeit, UV-cutoff, refractive index) ook de toxicologie, de bron (fossiel of hernieuwbaar), de recyclebaarheid en de afvalcategorisatie mee. Farmaceutische en agrochemische producenten hanteren solvent selection guides (Pfizer, GSK, Sanofi) die oplosmiddelen scoren op veiligheid, gezondheid en milieu. Voor het analytisch lab is met name de vergelijking tussen acetonitril, methanol en ethanol relevant.

OplosmiddelElutiekracht C18 (ε°)Viscositeit (cP, 20 °C)UV-cutoff (nm)Greenness
Acetonitril3,10,37190Fossiel, toxisch, dure afvalverwerking
Methanol3,00,60205Fossiel, toxisch (blindheid), goedkoper
Ethanol3,61,20210Biogeen, minder toxisch, hogere rugdruk
Isopropanol4,32,40210Biogeen, hogere rugdruk
Water0,01,00< 190Ongevaarlijk, ideaal als hoofdcomponent

Acetonitril blijft dominant vanwege zijn lage viscositeit (lage rugdruk, hoge doorvoer) en lage UV-cutoff, maar heeft grote nadelen: fossiele oorsprong, prijsvolatiliteit en toxiciteit bij inademing en huidcontact. Methanol is een alternatief bij vergelijkbare elutiekracht en lagere kosten, maar met een hogere UV-cutoff (205 nm) — een probleem bij UV-detectie bij lage golflengte. Ethanol is toenemend populair als biogeen alternatief, met name in combinatie met kolomthermostatering om de hogere viscositeit te compenseren.

Kan acetonitril worden vervangen door methanol?

Ja, maar zelden één-op-één. De elutiekracht van methanol op C18 is vergelijkbaar met die van acetonitril, maar de selectiviteit verschilt: pieken kunnen van volgorde wisselen, scheiden slechter of juist beter dan in acetonitril. Bij overzet naar methanol geldt een vuistregel: de %B-waarde in de gradiënt neemt met ongeveer 10 procent-eenheden toe (bijvoorbeeld: 40 % acetonitril komt overeen met circa 50 % methanol) voor vergelijkbare retentie. De methode moet altijd opnieuw worden gevalideerd volgens ICH Q2(R1) — de wisseling van organisch modifier is een significante methodenverandering. Aandachtspunten: methanol heeft een hogere viscositeit (piekpressure-effect), een hogere UV-cutoff (205 vs 190 nm) en een grotere thermische uitzetting bij gradiëntloop.

Welk oplosmiddel is het meest milieuvriendelijk voor HPLC?

Voor omgekeerde-fase HPLC is water het meest milieuvriendelijk als hoofdcomponent en ethanol als organisch modifier — mits de kolom en de detector deze combinatie ondersteunen. Ethanol is biogeen (uit gewassen te winnen), heeft een lage toxiciteit en is in gedenatureerde vorm goedkoop beschikbaar. Superkritisch CO₂ met een kleine methanol-modifier (SFC) scoort in de meeste greenness-metrics nog hoger, omdat de CO₂ na expansie in de gasfase overgaat en bij winning uit industriële processtromen (bijvoorbeeld ammoniakproductie) als koolstofneutraal wordt beschouwd. Zie het artikel over superkritische vloeistofchromatografie voor de toepassingen.

Strategie 4: superkritisch CO₂ als mobiele fase

Superkritisch CO₂ (scCO₂) heeft een dichtheid vergelijkbaar met een vloeistof en een viscositeit vergelijkbaar met een gas. Bij superkritische vloeistofchromatografie (SFC) vormt scCO₂ 90 tot 98 % van de mobiele fase, aangevuld met een polair organisch modifier (meestal methanol). Voor superkritische extractie (SFE) geldt hetzelfde principe voor de extractievloeistof. De solventreductie ten opzichte van klassieke omgekeerde-fase HPLC ligt tussen 80 en 95 %, afhankelijk van het percentage modifier. Na expansie gaat CO₂ als gas terug de atmosfeer in of wordt teruggevoerd naar de industriële cyclus; het draagt niet bij aan het vloeibare afval van het laboratorium.

Strategie 5: solventarme monstervoorbereiding

De monstervoorbereiding is vaak de grootste solventpost in een analytisch traject. Klassieke vloeistof-vloeistof-extractie (LLE) vereist tientallen milliliters organisch oplosmiddel per monster. Soxhlet-extractie vraagt uren van refluxeren met liters solvent. Moderne alternatieven reduceren dat met een factor 10 tot 100:

TechniekSolventverbruik per monsterWerkingsprincipe
Soxhlet-extractie150–300 mLRefluxeren met organisch oplosmiddel over vaste matrix
LLE (klassiek)50–150 mLVerdelen tussen twee niet-mengbare vloeistoffen
SPE5–20 mLSorbens in cartridge; selectieve retentie en elutie
QuEChERS10–15 mLAcetonitrilextractie met dispersieve clean-up (voedsel)
DLLME0,05–0,5 mLDispersieve microextractie in emulsie
SPME< 0,01 mL (solventvrij)Vezel met sorbens, direct in monster of headspace
SFE1–5 mL modifierSuperkritisch CO₂ met co-solvent

Voor voedselresidu-analyse is QuEChERS (Quick, Easy, Cheap, Effective, Rugged, Safe) de-facto standaard geworden. Voor vluchtige aromatische componenten in water- of voedselmonsters biedt solid-phase microextraction (SPME) een vrijwel solventloos alternatief. Voor complexe milieu- en biomedische monsters is vaste-fase-extractie de meest toegepaste vervanger van LLE, waarbij het solventverbruik met een factor 5 tot 20 daalt.

Strategie 6: recycling en terugwinning

Isocratische HPLC-methoden waarbij de piekregio maar een klein deel van de runtijd omvat, lenen zich goed voor on-line solvent recycling. Een aanvullend ventiel leidt de mobiele fase tijdens de niet-detectievensters terug naar het voorraadflesje; alleen tijdens de detectie van pieken gaat het eluaat naar het afvalvat. In routinemethoden met korte piekvensters ligt de terugwinning boven de 70 %. Voor gradiënt-methoden is deze techniek minder geschikt, omdat de mobiele fase tijdens de run continu van samenstelling verandert.

Voor bulkoplosmiddelen uit extractieprocessen en preparatieve zuiveringen is regeneratie via rotatieverdamping en, voor scherpere fracties, fractionele destillatie met een Vigreuxkolom een routinepraktijk. Voor analytische gebruikstoepassingen (HPLC-gradient grade) is teruggewonnen solvent zelden geschikt: de eisen aan UV-transparantie, watergehalte en niet-vluchtige residuen zijn te streng. Teruggewonnen solvent is doorgaans wel bruikbaar voor extractie, glaswerkreiniging of technische toepassingen.

Meten en scoren: greenness-metrics

Om verschillende analytische methoden objectief op groenheid te vergelijken zijn diverse scoresystemen ontwikkeld. Elk systeem heeft eigen gewichten voor solventtype, energiegebruik, afvalvolume, veiligheid en automatiseringsgraad. De vier meest gebruikte zijn:

MetricBereikSterkteBeperking
NEMI (National Environmental Methods Index)Kwalitatief pictogram (4 kwadranten)Snelle visuele screeningWeinig gradaties, geen kwantitatieve score
Eco-Scale (Van Aken)0–100 punten (aftrekmethode)Kwantitatief, eenvoudigSolvent- en reagentia-gewicht subjectief
GAPI (Green Analytical Procedure Index)Vijf pentagram-zones, kleurcode groen/geel/roodLevenscyclus-brede scoring (monster tot afval)Interpretatie kleurcode vergt training
AGREE (Analytical GREEnness)0–1 (spinnenwiel over 12 GAC-principes)Direct koppelbaar aan GAC-principes, gratis softwareEnkele principes moeilijk objectief te scoren
AMGS (Analytical Method Greenness Score)Gewogen samenstelling (ACS Green Chemistry Institute)Ontwikkeld door farmaceutische industrie voor LC/MSVereist gedetailleerde inputparameters

Voor een chromatografielab dat zijn methoden systematisch wil verbeteren is AGREE een pragmatische start: de tool is gratis, produceert een visuele score op alle twaalf GAC-principes en toont in één oogopslag welke principes onderbelicht zijn. AMGS is specifiek voor LC/MS en houdt rekening met detectorenergie, solventtypering en instrumentele efficiëntie; het is de metric van voorkeur bij farmaceutische kwaliteitscontrole.

Wat is een AGREE-score?

AGREE (Analytical GREEnness metric) is een scoremethode die elke analytische methode beoordeelt op de twaalf principes van Green Analytical Chemistry. Voor elk principe wordt een score tussen 0 en 1 toegekend, gevisualiseerd als een taartdiagram met twaalf segmenten die van rood (0) via geel (0,5) naar groen (1) lopen. De centrale waarde geeft de gewogen totaalscore weer. Een methode met een AGREE-score van 0,80 of hoger geldt als aanzienlijk groen; onder de 0,40 duidt op verbeterpunten. De tool is gratis beschikbaar en wordt sinds 2020 breed in de literatuur toegepast om methoden onderling te vergelijken.

Praktisch stappenplan voor solventreductie

Voor een chromatografielab dat structureel solventreductie wil doorvoeren, is een gefaseerde aanpak effectiever dan een grootschalige methodenrevisie. Onderstaand stappenplan combineert de laagste inspanning met de grootste directe winst.

  1. Meet het huidige verbruik. Registreer per methode het aantal runs per jaar, de flowsnelheid en de gemiddelde runtijd. Bereken het jaarverbruik per methode en rangschik van hoog naar laag.
  2. Selecteer de top-drie methoden. Doorgaans is 60 tot 80 % van het totaalverbruik terug te voeren op minder dan 20 % van de methoden. Focus daar de eerste ronde.
  3. Ken de greenness-baseline toe. Scoor de bestaande methoden met AGREE of AMGS. Dit vormt het referentiepunt waartegen verbetering wordt afgemeten.
  4. Kies één ingreep per methode. Kolommigratie naar 2,1 mm × 100 mm; overstap van 5 µm volledig poreus naar 2,7 µm core-shell; vervanging acetonitril door methanol; toevoeging van solvent recycling. Vermijd om alles tegelijk aan te passen.
  5. Valideer de nieuwe methode. Voer een verkorte hervalidatie uit volgens ICH Q2(R1): lineariteit, herhaalbaarheid, aantoonbaarheidsgrens, matrix-effecten en robuustheid.
  6. Rol uit naar de resterende methoden. Wat werkt in de top-drie is doorgaans generaliseerbaar naar de rest van de portfolio.
  7. Meet het jaarverbruik opnieuw. Publiceer intern de behaalde reductie in liters, kilo's CO₂-equivalent en kosten. Deze zichtbaarheid houdt het momentum vast.

Verwante technieken en artikelen

De technieken die het meest in aanmerking komen voor solventreductie zijn HPLC, UHPLC, SFC, HILIC, nano-LC en kolomchromatografie — elk met eigen mogelijkheden voor miniaturisatie, oplosmiddelvervanging of recycling. Solventreductie is een dwarsdoorsnede door meerdere chromatografische en monstervoorbereidingstechnieken. Voor de achtergrond bij de individuele methoden verwijst deze pagina naar: HPLC als basistechniek, UHPLC voor sub-2-µm scheidingen, omgekeerde-fase HPLC voor het meest gebruikte scheidingsmechanisme, HILIC voor polaire analyten, chirale chromatografie voor enantiomerenscheiding en klassieke kolomchromatografie voor preparatieve zuivering. Bij de zuiverheidsgraden van chemicaliën vindt u de eisen aan mobiele-fase-kwaliteit terug.

Veelgestelde vragen

Hoeveel oplosmiddel verbruikt een HPLC per jaar?

Bij een gemiddelde routine-HPLC met een 4,6 mm kolom, een flow van 1,0 mL/min en 8 uur bedrijf per dag (200 dagen per jaar), komt het jaarverbruik uit op circa 96 liter per systeem. Voor een laboratorium met tien HPLC-systemen loopt dat op naar 960 liter per jaar aan mobiele fase. In de praktijk ligt het reële verbruik hoger omdat systemen ook tussen analyses een lage stromingssnelheid aanhouden om de kolom nat te houden. Wie overstapt op 2,1 mm kolommen en kortere runtijden brengt het verbruik terug naar 100–150 liter per jaar voor hetzelfde park.

Wat is het verschil tussen HPLC en UHPLC in solventverbruik?

UHPLC-systemen werken met kolommen van kleinere diameter (typisch 2,1 mm in plaats van 4,6 mm) en kleinere deeltjes (sub-2 µm in plaats van 3–5 µm). De kortere kolomlengte en de hogere efficiëntie leiden tot 3 tot 5 keer kortere runtijden bij een 4 tot 5 keer lagere flow. Het gecombineerde effect is een reductie van 10 tot 20 keer in solventverbruik per analyse. Naast de milieuwinst geeft dit ook een directe besparing op afvalverwerkingskosten en op de tijdsdruk op de analist.

Wat is make-up solvent in SFC?

Make-up solvent is een kleine hoeveelheid vloeibaar oplosmiddel (typisch methanol met een additief zoals ammoniumformiaat) die na de kolom aan de expanderende CO₂-stroom wordt toegevoegd, om ionisatie in de massaspectrometer of detectie in een UV-cel mogelijk te maken. Zonder make-up zou de analyt bij expansie van CO₂ neerslaan in de detectorcel of de ionisatiebron. De make-up-flow is doorgaans 0,1 tot 0,3 mL/min — een fractie van het solventverbruik van een equivalente HPLC-methode. De make-up solvent staat los van de organische modifier in de mobiele fase zelf.

Wat is solvent recycling in HPLC?

Solvent recycling is het teruggeleiden van de mobiele fase naar de voorraadfles gedurende de perioden waarin de detector geen piek registreert. Een aanvullend ventiel schakelt tussen "recycle" (terug naar voorraad) en "waste" (naar afval) op basis van het detectorsignaal of een tijdvenster. Voor isocratische methoden met korte piekregio's ligt de terugwinning boven de 70 %; voor gradiëntmethoden is de techniek zelden bruikbaar, omdat de samenstelling van de mobiele fase gedurende de run wijzigt. Solvent recycling reduceert direct de inkoop van solvent en het volume aan af te voeren afval.

Hoe verwerk ik HPLC-solventafval correct?

HPLC-afval bestaat uit een mengsel van water, organisch oplosmiddel, buffer-additieven, monsterresten en soms gehalogeneerde componenten. Scheid het afval altijd in drie categorieën: (1) niet-gehalogeneerd organisch afval (methanol, acetonitril, ethanol, water); (2) gehalogeneerd organisch afval (dichloormethaan, chloroform); (3) waterig zuur/base-afval. Gebruik gecertificeerde afvalvaten met veiligheidsdoppen, ontluchting via een actief-kool-filter en overloopdetectie. Voer af via een erkend afvalinzamelaar. Verontreinigd solvent uit HPLC valt zelden onder de categorie "gevaarlijk afval" in de zin van CLP, maar de afvalverwerker vereist een compositiedeclaratie voor de correcte verwerkingsroute.

Welke solvent selection guides worden in de industrie gebruikt?

De bekendste solvent selection guides zijn ontwikkeld door de farmaceutische industrie. Pfizer publiceerde in 2008 als eerste een openbare guide met kleurcodering (groen/geel/rood) voor circa 80 oplosmiddelen op basis van veiligheid, gezondheid, milieu en waste. Sanofi, GSK en het ACS Green Chemistry Institute Pharmaceutical Roundtable hebben eigen varianten uitgebracht met gedetailleerde scoring op EH&S-criteria. Voor analytische toepassingen zijn deze guides waardevol als eerste screening; de definitieve keuze hangt af van de chromatografische compatibiliteit met de kolom, de detector en de analyt.

Wat is DLLME?

Dispersive Liquid–Liquid Microextraction (DLLME) is een monstervoorbereidingstechniek waarbij enkele microliters extractie-oplosmiddel (bijvoorbeeld 1-octanol of chloroform) samen met enkele honderden microliters dispersiemiddel (aceton, methanol of acetonitril) snel in een waterig monster worden geïnjecteerd. De fijne emulsie die ontstaat heeft een enorm grensvlak, waardoor de extractie in seconden voltrokken is. Na centrifugatie wordt de organische druppel afgenomen en direct in de LC of GC geïnjecteerd. Het totale solventverbruik ligt onder de 500 µL per monster — een reductie van 100× ten opzichte van klassieke LLE.

Kan ethanol een goed alternatief zijn voor acetonitril in HPLC?

Ja, ethanol wordt in toenemende mate ingezet als groener alternatief voor acetonitril in omgekeerde-fase HPLC. Ethanol is biogeen (uit gewassen te winnen), heeft een lage acute toxiciteit en is beschikbaar in HPLC-gradiëntkwaliteit. Nadelen zijn de hogere viscositeit (2 tot 3 keer hoger dan acetonitril, met hogere systeemdruk als gevolg) en een hogere UV-cutoff (210 nm). Bij scheidingen die kolomthermostatering op 40–60 °C tolereren, wordt de viscositeitswinst grotendeels tenietgedaan. Ethanol is met name aantrekkelijk voor detecties met MS, ELSD, CAD of UV boven 220 nm. Voor lage-golflengte UV-detectie (bijvoorbeeld peptides bij 210 nm) blijft acetonitril doorgaans de voorkeur.

Wat kost de overstap naar UHPLC in termen van solventbesparing?

De directe solventbesparing bij overstap van standaard HPLC (4,6 mm × 250 mm, 5 µm) naar UHPLC (2,1 mm × 100 mm, 1,8 µm) ligt tussen een factor 8 en 15 per analyse. Voor een lab met tien systemen die elk 5000 runs per jaar draaien, komt de besparing neer op 1000 tot 1500 liter mobiele fase per jaar. Bij een gemiddelde prijs van 20 tot 40 euro per liter voor acetonitril in HPLC-gradiëntkwaliteit vertegenwoordigt dat een terugverdientijd op de solventpost alleen al van twee tot vier jaar op de meerprijs van een UHPLC-systeem. Daar komt de reductie van afvalverwerkingskosten en analyt-doorlooptijd bovenop.

Voor de invulling van solventreductie in uw lab levert Labvakhandel chromatografie-verbruiksmaterialen, spuitfilters voor de monstervoorbereiding, vials en flacons voor de autosampler en rotatieverdampers voor solventterugwinning. Neem contact op voor advies over de meest geschikte opstelling voor uw analytische workflow.


Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.