Membraanscheidingstechnieken: microfiltratie, ultrafiltratie, nanofiltratie en diafiltatie

Membraanscheidingstechnieken zijn drukgedreven processen waarbij een semipermeabel membraan een mengsel scheidt in twee fracties: een permeaat dat het membraan passeert en een retentaat dat achterblijft. Het onderscheidende kenmerk van deze techniekfamilie is dat de scheiding volledig op basis van fysische grootte of lading plaatsvindt, zonder gebruik van warmte, oplosmiddelen of chemische reagentia. Afhankelijk van de poriegrootte en de toegepaste druk onderscheiden we vier hoofdtechnieken: microfiltratie (MF), ultrafiltratie (UF), nanofiltratie (NF) en omgekeerde osmose (RO). Diafiltatie is een aanvullende toepassing van ultrafiltratie waarbij verse buffer wordt toegevoegd om zouten of kleine moleculen uit een eiwitoplossing te wassen. Dit artikel behandelt het spectrum van membraantechnieken met bijzondere nadruk op ultrafiltratie, nanofiltratie en diafiltatie, die elders in de kennisbank minder uitgebreid zijn beschreven dan de al gedocumenteerde omgekeerde osmose.

Membraanfiltratie-spectrum met poriegrootte, bedrijfsdruk en MWCO voor microfiltratie, ultrafiltratie, nanofiltratie en omgekeerde osmose; stroomschema ultrafiltratie en diafiltatie

Het membraanfiltratie-spectrum

De vier technieken vormen een continuüm van grof naar fijn. Hoe kleiner de poriegrootte, hoe hoger de bedrijfsdruk die nodig is om de vloeistof door het membraan te stuwen en hoe meer stoffen worden tegengehouden. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de kernparameters.

Techniek Poriegrootte Bedrijfsdruk Tegengehouden Passeert Typische toepassing
Microfiltratie (MF) 0,1 – 10 µm 0,1 – 2 bar Bacteriën, gisten, deeltjes Virussen, eiwitten, ionen, water Sterilisatiefiltratie, waterbehandeling, bierklaring
Ultrafiltratie (UF) 1 – 100 nm (MWCO 1 – 1000 kDa) 1 – 10 bar Eiwitten, virussen, colloïden Kleine moleculen, ionen, water Eiwitconcentratie, diafiltatie, viruszuivering
Nanofiltratie (NF) 0,1 – 1 nm (MWCO 200 – 1000 Da) 5 – 40 bar Divalente ionen, kleine organische moleculen Monovalente ionen (gedeeltelijk), water Waterontharding, farmaceutische zuivering, ontkleuring
Omgekeerde osmose (RO) < 0,1 nm (MWCO ca. 100 Da) 10 – 70 bar Vrijwel alle ionen en opgeloste stoffen Watermoleculen (oplos-diffusie) Ultrapuur water, zeewaterontzilting, demiwater

Microfiltratie is al uitgebreid beschreven in de context van laboratoriumfiltratie. Omgekeerde osmose heeft een eigen kennisbankartikel. De onderstaande secties richten zich op ultrafiltratie, diafiltatie en nanofiltratie.

Ultrafiltratie (UF)

Werkingsprincipe

Ultrafiltratie maakt gebruik van asymmetrische membranen met poriën in het nanometergebied. De drijvende kracht is een transmembraandruk (TMP) van 1 tot 10 bar. Macromoleculen boven de molecuulgewichtsafkapgrens (Molecular Weight Cut-Off, MWCO) worden tegengehouden in het retentaat; kleine moleculen, zouten en water passeren als permeaat. De MWCO is gedefinieerd als het molecuulgewicht waarbij 90 procent van een testmolecuul wordt tegengehouden. In de praktijk kiest u een membraan met een MWCO die circa drie- tot vijfmaal lager is dan het molecuulgewicht van het te concentreren of te zuiveren macromolecuul, om volledige retentie te garanderen.

Membraanmaterialen en -geometrieën

UF-membranen worden vervaardigd uit polyethersulfon (PES), geregenereerde cellulose, polysulfon (PS), polyvinylideenfluoride (PVDF) of polyacrylonitril (PAN). Geregenereerde cellulose heeft een lage eiwitbinding en is daardoor de voorkeurskeuze voor eiwitconcentrering; PES en PVDF zijn chemisch robuuster. De membraangeometrie bepaalt de schaalinrichting:

  • Plaatvorm (flat sheet) — ingezet in centrifugaalfiltratie-units (Amicon Ultra, Vivaspin) voor volumes van 0,5 tot 15 ml. Ideaal voor routinematig eiwitconcentrering op het laboratorium.
  • Holle-vezel (hollow fiber) — lange bundels dunne capillairen; hoge membraandichtheid per module-volume; gebruikt bij tangentiaalstroomfiltratie (TFF) voor grotere volumes (liter-schaal).
  • Spiraalgewikkeld (spiral-wound) — industriële schaal; hoge packingdichtheid; gevoeliger voor verstoppende monsters.
  • Tubulaire module — minder gevoelig voor fouling; geschikt voor viskeuze en deeltjesrijke voedingen.

Dead-end versus tangentiaalstroomfiltratie (TFF/crossflow)

Bij dead-end ultrafiltratie stroomt de voedingsoplossing loodrecht op het membraan. Tegengehouden moleculen stapelen zich op het membraanoppervlak op (concentratiepolarisatie en koekvorming). Dit leidt tot een afnemende doorstroomsnelheid. Dead-end UF is geschikt voor kleine volumes en enkelvoudige bewerkingen, zoals in centrifugaalfiltratie-units.

Bij tangentiaalstroomfiltratie (Tangential Flow Filtration, TFF; ook: crossflow-filtratie) stroomt de voedingsoplossing parallel aan het membraan. Dit vermindert koekvorming drastisch doordat de vloeistofstroom de tegengehouden moleculen voortdurend afspoelt. TFF is de methode van keuze voor grote volumes, continue processen en gevoelige biologische preparaten zoals monoklonale antilichamen, viraal vectormateriaal en exosomen. Een TFF-systeem bestaat uit een pomp, een membraanmodule, een drukregelsysteem en een retentaatrecirculatiepijp.

Toepassingen van ultrafiltratie

Ultrafiltratie wordt in het laboratorium ingezet voor:

  • Eiwitconcentrering — het meest voorkomende gebruik; verkleint het volume van een gezuiverd eiwit voor verdere analyse via western blot, SDS-PAGE of ELISA.
  • Bufferuitwisseling (desalting) — via diafiltatie (zie volgende sectie) worden zouten en kleine moleculen verwijderd.
  • Verwijdering van kleine moleculen — na chemische modificatie of labeling van eiwitten worden overmaat reagentia verwijderd.
  • Viruszuivering en -concentrering — voor vaccin- en gentherapie-productie; holle-vezel TFF-membranen met MWCO van 100 tot 750 kDa concentreren virionen zonder virustiter te verlagen.
  • Exosoom-isolatie — celkweeksupernatant wordt via opeenvolgende ultrafiltratie-stappen ontdaan van cellen, debris en grote vesikels; UF concentreert vervolgens de exosomfractie.
  • Ultrapuur water — als eindpolijststap na omgekeerde osmose en ionenwisseling verwijdert UF (0,2 µm) bacterierestanten en endotoxinen voor RNase/DNase-vrij of pyrogeenvrij water.
  • Voedselbiotechnologie — concentrering van lactose, wei-eiwitten (lactalbumine, lactoglobuline), pectine en andere macromoleculen in de zuivel- en sap-industrie.

De MWCO in de praktijk

De MWCO is niet absoluut: bolvormige eiwitten worden beter tegengehouden dan fibrillair gevormde moleculen met hetzelfde molecuulgewicht, omdat de hydrodynamische straal van een bolvormig eiwit groter is. Elektrisch geladen moleculen kunnen bij vergelijkbaar molecuulgewicht worden tegengehouden of juist doorgelaten afhankelijk van de ladingsselectiviteit van het membraan. Negatief geladen PES- en cellulose-membranen stoten negatief geladen eiwitten af, wat de effectieve retentie vergroot. Bij het selecteren van een centrifugaalfiltratie-unit (Amicon Ultra, Vivaspin, Centricon) geldt als vuistregel: kies een MWCO van 3 tot 5 kDa voor kleine eiwitten (5 tot 15 kDa), 10 kDa voor middelgrote eiwitten (20 tot 100 kDa) en 30 tot 100 kDa voor grote complexen.

Diafiltatie

Principe en doel

Diafiltatie (ook gespeld als diafiltratie) is een processtap waarbij verse buffer continu of stapsgewijs wordt toegevoegd aan het retentaat tijdens ultrafiltratie. Het doel is het uitwassen van kleine moleculen (zouten, glycerol, imidazool, DMSO, kleurstof, overmaat ligand) terwijl macromoleculen achterblijven in het retentaat. Diafiltatie combineert zo de concentrerende werking van UF met een bufferuitwisselingsfunctie.

Continue versus discontinue diafiltatie

Bij continue diafiltatie (constant-volume diafiltatie) wordt verse buffer toegevoegd met dezelfde snelheid als het permeaat wordt afgevoerd. Het volume van het retentaat blijft constant. De concentratie van een kleine molecule in het retentaat daalt exponentieel: na N diafiltratievolumes (DV) is de resterende fractie gelijk aan e tot de macht –N. Drie diafiltratievolumes verwijderen circa 95 procent; zes diafiltratievolumes circa 99,75 procent van de kleine molecuul.

Bij discontinue diafiltatie (stap-diafiltatie) wordt eerst geconcentreerd, vervolgens verdund met verse buffer en dan opnieuw geconcentreerd. Dit is eenvoudiger uitvoerbaar in centrifugaalfiltratie-units maar minder efficiënt dan continue diafiltatie bij vergelijkbaar aantal diafiltratievolumes.

Toepassingen van diafiltatie

Diafiltatie wordt ingezet voor:

  • Bufferuitwisseling bij eiwitpreparaten — vervanging van imidazool (elutiebuffer na IMAC-zuivering) door PBS of een opslagbuffer; verwijdering van urea na denaturerende zuivering; uitwisseling van reductans zoals DTT of beta-mercaptoethanol.
  • Verwijdering van organische cosolventen — glycerol, DMSO of andere additieven die interfereren met stroomafwaartse toepassingen zoals kristallisatie of analytische methoden.
  • Formulering van biologica — in farmaceutische productie van monoklonale antilichamen wordt diafiltatie gebruikt om het producteiwit in de gewenste formulatiebuffer te brengen voor vullen en afvullen; dit is een kritische stap in GMP-processen.
  • Verdunnen van stabiliteitsbuffer voor structuuranalyse — voor isothermische titratiecalorimetrie (ITC) moeten ligand en macromolecuul in exact dezelfde buffer zitten; diafiltatie brengt beide componenten in dezelfde buffersamenstelling, wat mismatch-enthalpie elimineert.
  • Verwijdering van fluorofoor-overmaat na labeling — na covalente koppeling van fluorescentielabels aan eiwitten verwijdert diafiltatie vrije kleurstof; essentieel voor experimenten in fluorescentie-spectroscopie en celbiologie.

Praktische uitvoering

Voor kleine volumes (0,5 tot 15 ml) worden spin-column centrifugaalfilters gebruikt: het retentaat wordt met verse buffer verdund en hercentrifugeerd, doorgaans drie tot zes keer. Elke cyclus verwijdert een fractie van de kleine molecuul evenredig met de verdunningsfactor. Voor grotere volumes (50 ml tot meerdere liters) zijn TFF-cassettes of -capsules met geïntegreerde drukregelaars de standaard. Bij TFF-diafiltatie bewaken doorstroomsensoren en druktransducers de TMP om te voorkomen dat het membraan comprimeert (compressie verlaagt de flux en kan het membraan beschadigen). Na afloop van de diafiltatie kan de eiwitoplossing verder worden geconcentreerd of direct worden overgebracht naar opslagbuizen.

Nanofiltratie (NF)

Positie in het spectrum

Nanofiltratie bevindt zich tussen ultrafiltratie en omgekeerde osmose. De MWCO van NF-membranen ligt typisch tussen 200 en 1000 Dalton. Dit betekent dat nanofiltratie divalente ionen (Ca²⁺, Mg²⁺, SO₄²⁻) sterk tegenhoudt terwijl monovalente ionen (Na⁺, Cl⁻, K⁺) gedeeltelijk passeren — dit in tegenstelling tot RO, dat vrijwel alle ionen tegenhoudt. De selectiviteit voor ladingszwaarte is een onderscheidend kenmerk van nanofiltratie: het membraan werkt zowel via grootte-uitsluiting als via elektrostatische afstoting (Donnan-uitsluiting).

Membraantypes voor nanofiltratie

NF-membranen zijn dunne-filmcomposiet (TFC) membranen, vergelijkbaar met RO maar met een iets dikkere en meer open actieve laag. Gangbare materialen zijn polyamide en piperazineamide. De keuzeparameter is het zogenaamde NaCl-doorgangsgetal (NaCl passage) en het MgSO₄-tegenhouderpercentage; een goed NF-membraan houdt 90 tot 99 procent van MgSO₄ tegen terwijl 10 tot 50 procent van NaCl passeert.

Toepassingen van nanofiltratie

Nanofiltratie kent een breed scala van toepassingen:

  • Drinkwaterontharding — selectieve verwijdering van calcium en magnesium bij behoud van monovalente ionen voor smaakbehoud; minder druk vereist dan RO en daarmee energiezuiniger.
  • Farmaceutische opzuivering — verwijdering van peptide-onzuiverheden, kleine organische bijproducten of antibiotica-restanten bij productie van actieve farmaceutische ingrediënten.
  • Ontkleuring van industriewater — grote gekleurde organische moleculen (textielkleurstoffen, humuszuren, tanninen) worden tegengehouden terwijl anorganische zouten deels passeren.
  • Zuivelverwerking — scheiding van lactose (342 Da, passeert gedeeltelijk) van wei-eiwitten (groottegebonden retentie) voor verdere verwerking.
  • Concentrering van aromaverbindingen — bij fruitjussap-verwerking worden vluchtige aromaverbindingen geconcentreerd zonder warmte-inbreng.
  • Verwijdering van microverontreinigingen — pesticiden (circa 200 tot 400 Da), geneesmiddelresten en hormoonverstoorders worden voor 70 tot 99 procent tegengehouden bij drukken van 5 tot 15 bar.

Nanofiltratie versus omgekeerde osmose: wanneer kiest u welke?

Parameter Nanofiltratie Omgekeerde osmose
Bedrijfsdruk 5 – 40 bar 10 – 70 bar
NaCl-retentie 10 – 70 % 95 – 99 %
Divalente-ion-retentie 90 – 99 % 98 – 99,5 %
Energieverbruik Lager Hoger
Geschikt voor Ontharding, selectieve ionenverwijdering Maximale zuivering, ultrapuur water
Toepassing in lab Beperkt; meer industrie Standaard voor labwaterproductie

Fouling: het grootste operationele vraagstuk

Fouling — de ongewenste neerslag van stoffen op het membraanoppervlak of in de poriën — is bij alle membraantechnieken de belangrijkste oorzaak van verminderde prestaties. Vier typen fouling worden onderscheiden:

  • Koekvorming (cake fouling) — ophoping van deeltjes of macromoleculen als een laag op het membraanoppervlak; meest voorkomend bij UF en MF. Crossflow-operatie vermindert dit aanzienlijk.
  • Porieblokkering — deeltjes of macromoleculen met een grootte nabij de poriegrootte verstoppen de poriën; onomkeerbaar als de molecule in de porie is vastgelopen.
  • Scaling — neerslag van anorganische zouten (calciet, gips, silica) op het membraanoppervlak bij overschrijding van de oplosbaarheidsgrens; relevant bij hoge recovery en hoog zoutgehalte, zoals in RO en NF.
  • Biofouling — bacteriële kolonisatie en biofilmvorming op het membraan; leidt tot verhoogde drukval en doorbraak van micro-organismen; bestreden met periodieke chemische reiniging (CIP, Cleaning-In-Place) met NaOH, citroenzuur of natriumhypochloriet (niet bij polyamide membranen, want chloor oxideert polyamide onomkeerbaar).

Fouling-indices die in de praktijk worden gebruikt zijn de Silt Density Index (SDI) voor deeltjesfouling en de Modified Fouling Index (MFI) voor colloïdale fouling. De fluxherstelratio na reiniging geeft aan in hoeverre de fouling reversibel is.

Moduleconfiguraties

De geometrie van de membraanmodule bepaalt de stroomhydrodynamica en daarmee de foulingweerstand:

  • Plaat-en-raam (plate-and-frame) — eenvoudig te demonteren en te reinigen; lage packingdichtheid; gebruikt bij viskeuze voedingen en bij UF in de zuivelindustrie.
  • Spiraalgewikkeld (spiral-wound) — hoge oppervlaktedichtheid (200 tot 1000 m² per m³); standaard voor NF en RO; minder reinigbaar dan plaat-en-raam.
  • Holle-vezel (hollow fiber) — zeer hoge oppervlaktedichtheid; in-out (lumen-gevoed) of out-in (shell-gevoed) stroomrichting; standard voor UF en MF; ook voor membraandestillatie.
  • Tubulaire module — grote lumendiameter (5 tot 25 mm); lage foulinggevoeligheid; voor voedingen met hoog gehalte gesuspendeerde vaste stoffen; lage oppervlaktedichtheid.

Membraanintegriteitstest

Een beschadigd membraan kan leiden tot doorbraak van micro-organismen, eiwitten of verontreinigingen zonder zichtbaar signaal. Integriteitstesten worden daarom uitgevoerd voor en na productiebatches of periodiek bij GLP- en GMP-toepassingen:

  • Bubbeltest (bubble point test) — het nat gemaakte membraan wordt geleidelijk onder luchtdruk gezet; de druk waarbij de eerste stroom bellen wordt waargenomen (de bubble point) is omgekeerd evenredig met de poriegrootte. Lagere bubble point dan de specificatie duidt op defecten.
  • Diffusietest (diffusion flow test) — een alternatief voor de bubbeltest waarbij de doorstroming van gas door het bevochtigde membraan onder constante druk wordt gemeten.
  • Doorvalstest (challenge test) — specifiek voor steriliserende microfiltratiemembranen; een bepaald volume van een Brevundimonas diminuta-suspensie (log 10⁷/cm²) wordt door het membraan gestuurd en het doorgegane volume wordt op bacteriegroei getest.

Kwaliteitsborging en GMP

In farmaceutische en biotechnologische productie zijn UF/DF-stappen kritische processtappen (critical process steps) die een formeel validatieprotocol vereisen. Validatieparameters omvatten membraanintegriteitstest voor en na gebruik, maximaal aantal bewerkingscycli per membraan (gebaseerd op liters doorgelaten of gereinigde volumes), eiwitretentie en productterugwinning, en verwijderingsefficiëntie van procesgerelateerde onzuiverheden (HCP, residueel DNA, virussen). De eis van virusverwijderingsstudies voor biologica maakt UF/DF een validated viral clearance step, mits aangetoond via parvovirus B19 of MVM-studies.

Vergelijking van de vier technieken: samenvatting

Criterium Microfiltratie Ultrafiltratie Nanofiltratie Omgekeerde osmose
Scheidingsmechanisme Grootte-uitsluiting Grootte-uitsluiting Grootte + lading Oplos-diffusie
Drijvende kracht Druk (laag) Druk (matig) Druk (hoog) Druk (zeer hoog)
Permeaatkwaliteit Vrij van deeltjes + bacteriën Vrij van macromoleculen Zacht water, organisch-arm Ultrapuur, ionenvrij
Energieverbruik Laag Laag tot matig Matig Hoog
Foulinggevoeligheid Hoog (bacteriën, colloïden) Hoog (eiwitten) Matig (scaling) Matig (scaling, biofouling)
Gebruik in lab Dagelijks (sterilisatiefiltratie) Dagelijks (eiwitwerk) Beperkt Waterproductie

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen ultrafiltratie en dialyse?

Beide technieken verwijderen kleine moleculen uit een macromolecuuloplossing, maar het mechanisme en de snelheid verschillen. Dialyse berust op passieve diffusie over een semipermeabel dialysemembraan in evenwicht met een grote hoeveelheid dialyseerbuffer; het duurt doorgaans 4 tot 24 uur en vereist meerdere bufferverversingen. Ultrafiltratie en diafiltatie zijn drukgedreven en actief: een centrifugaalfiltratie-stap duurt 15 tot 30 minuten en is kwantitatief controleerbaar. Diafiltatie is efficiënter en reproduceerbaarder dan dialyse, maar vereist geschikte apparatuur. Dialyse is goedkoper en geschikt voor zeer gevoelige preparaten die lage shear-stress vereisen.

Wat is de MWCO en hoe kies ik de juiste waarde?

MWCO (Molecular Weight Cut-Off) is het molecuulgewicht waarbij 90 procent van een testmolecuul wordt tegengehouden door een membraan. Kies als vuistregel een membraan met een MWCO 3 tot 5 maal lager dan het molecuulgewicht van uw doelmolecuul. Voor een eiwit van 50 kDa is een membraan van 10 kDa geschikt. Let op: de MWCO is geen harde grens — molecuulvorm en lading beïnvloeden de effectieve retentie.

Kan ik een UF-membraan meerdere keren gebruiken?

Centrifugaalfiltratie-units (Amicon Ultra, Vivaspin) zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Hergebruik is technisch mogelijk na spoelen met 0,1 M NaOH of 0,5 M NaCl, maar de fabrikant garandeert de prestaties niet bij hergebruik. Bij TFF-cassettes en -capsules is meermalig gebruik standaard; de fabrikant specificeert het maximale aantal bewerkingscycli en de reinigingsprocedure (CIP).

Wat zijn diafiltratievolumes (DV)?

Een diafiltratievolume is het volume verse buffer dat gelijk is aan het retentaatvolume. Bij continue diafiltatie is de concentratie van een kleine molecule na N diafiltratievolumes gelijk aan de beginsconcentratie maal e tot de macht –N. Na 3 DV resteert circa 5 procent van de kleine molecuul; na 6 DV circa 0,25 procent. Voor de meeste toepassingen volstaan 5 tot 7 diafiltratievolumes.

Hoe werken de vier soorten membranen?

Microfiltratiemembranen werken als een mechanisch zeef: deeltjes groter dan de nominale poriegrootte worden fysiek gestopt aan het membraanoppervlak of in de poriën. Ultrafiltratemembranen werken eveneens via grootte-uitsluiting maar op moleculaire schaal: macromoleculen passen niet door de nanoporiën. Nanofiltratiemembranen combineren grootte-uitsluiting met Donnan-uitsluiting: het negatief geladen membraanoppervlak stoot meervoudig geladen anionen (SO₄²⁻) elektrostatisch af, zodat ook divalente kationen worden meegenomen voor elektroneutraliteit. Omgekeerde-osmosemembranen werken via een oplos-diffusiemechanisme: watermoleculen lossen op in de dichte polyamidefilm, diffunderen erdoor en ontsnappen aan de permeaatzijde; ionen en organische moleculen kunnen dit mechanisme niet volgen.

Wat zijn de membraanbehandelingsprocessen?

De gangbare processtappen bij membraanscheidingssystemen zijn: voorbehandeling van de voeding (sedimentfiltratie, pH-aanpassing, ontgassing), het scheidingsproces zelf (dead-end of crossflow), nabehandeling van het permeaat (UV, ionenwisseling), en het membraanonderhoud: spoelen (flushing) na productie om restmatrix te verwijderen, periodieke chemische reiniging (CIP met NaOH, citroenzuur of desinfectans), integriteitstesten en vervanging na bereiken van het maximale aantal cycli of bij onvoldoende fluxherstel na reiniging.

Wat is een track-etched membraan?

Track-etched membranen (polycarbonaatmembranen zoals Nuclepore, Cyclopore) worden gemaakt door een polycarbonaatfilm te bombarderen met zware ionen (heavy ions) die sporen (tracks) achterlaten; vervolgens wordt de film geconditioneerd in een alkalische oplossing die de tracks etst tot cilindrische poriën met een nauwkeurig gedefinieerde diameter. Het resultaat zijn membranen met een uiterst nauwe poriegrootteverspreiding en cilindervormige poriën, wat ze ideaal maakt voor microscopie van vastgehouden deeltjes, omgevingsbemonstering en celbiologische toepassingen.

Integratie in het laboratoriumproces

In de praktijk worden membraantechnieken zelden geïsoleerd toegepast maar als onderdeel van een zuiveringsschema. Een typische workflow voor monoklonale antilichamen illustreert dit: celkweek in bioreactor → microfiltratie (celclarificatie) → Protein A chromatografie → ultrafiltratie/diafiltatie (UF/DF) voor concentrering en formulering → sterielfiltratie (0,22 µm) → vullen. In de analytische context vormt ultrafiltratie de voorbereiding voor DSC-analyse, ITC-binding van eiwit en ligand in dezelfde buffer, of monsters voor LC-MS/MS-eiwit-identificatie. Voor de productie van laboratoriumwater vormt omgekeerde osmose de basisstap, aangevuld met ionenwisseling, UV en ultrafiltratie voor ultrapuur water van Type I.

Voor Southern en Northern blot-experimenten en CRISPR-Cas9-toepassingen waarbij nucleïnezuurtransfers of eiwitten worden geanalyseerd, is ultrafiltratie de routinemethode voor concentrering van DNA-, RNA- of eiwitpreparaten. Sonicatie wordt vaak gecombineerd met centrifugaalfiltratie na cellyse om debris te verwijderen voordat eiwitpreparaten via UF worden geconcentreerd. Na fluorescentlabeling van eiwitten — een techniek die centraal staat in fluorescentie-spectroscopie — is diafiltatie de standaardmethode om overmaat vrij kleurstof te verwijderen. Vriesdrogen (lyofylisatie) van geconcentreerde eiwitoplossingen vindt altijd plaats na UF/DF, omdat vriesdrogen efficiënter verloopt bij hogere beginconcentraties en de gewenste bufferformulering reeds aanwezig is.

Gerelateerde kennisbankartikelen

De basis van membraanfiltratie in het laboratorium is beschreven in het artikel over laboratoriumfiltratie. Het meest uitgebreide lid van de membraanfamilie, omgekeerde osmose, heeft een eigen artikel. Waterkwaliteitsklassen en de betekenis van Type I, II en III laboratoriumwater zijn beschreven in het artikel over waterkwaliteit in het laboratorium. Het vacuüm dat wordt gebruikt bij vacuümfiltratie is beschreven in vacuüm in het laboratorium. Toepassingen van centrifugatie die complementair zijn aan centrifugaalfiltratie staan beschreven in het artikel over laboratoriumcentrifuges.

Voor uw laboratoriumtoepassingen vindt u bij Labvakhandel centrifugaalfiltratie-units en membraanfilters in het assortiment filtratie en membraanfilters. Neem contact op voor advies over de juiste keuze van MWCO en membraanmateriaal voor uw toepassing.


Disclaimer: dit artikel is bedoeld als algemene technische achtergrondinformatie en vormt geen vervanging voor productspecifieke instructies van fabrikanten, geldende farmaceutische of microbiologische regelgeving, of validatievereisten conform GMP-richtlijnen. Controleer altijd de technische specificaties van het door u gekozen membraanproduct.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.