In laboratoria, scholen en industriële werkplaatsen komt u regelmatig in aanraking met chemicaliën die een bijzonder gezondheidsrisico met zich meedragen: de CMR-stoffen. De afkorting staat voor Carcinogeen (kankerverwekkend), Mutageen (erfelijk veranderend) en Reprotoxisch (reproductietoxisch). Deze stoffen worden door Europese regelgeving streng gereguleerd, en voor een deel ervan geldt in de praktijk een vervangingsplicht of zelfs een verbod op gebruik door of in de nabijheid van minderjarigen.
Dit artikel legt uit wat CMR-stoffen zijn, hoe ze worden ingedeeld, welke bekende laboratoriumchemicaliën onder deze categorie vallen, wat ze in het lichaam aanrichten en welke veilige alternatieven beschikbaar zijn. Daarbij is specifiek aandacht voor de schoolomgeving en voor particulieren die op zoek zijn naar een verantwoord substituut voor veelgebruikte stoffen zoals borax, fenolftaleïne, petroleumether en aceton.
CMR-stoffen zijn chemische stoffen of mengsels die op grond van wetenschappelijk bewijs zijn ingedeeld als gevaarlijk voor de menselijke gezondheid op cellulair of genetisch niveau, of voor de voortplanting. De Europese CLP-verordening (EU 1272/2008) schrijft voor hoe deze stoffen worden geclassificeerd en geëtiketteerd. Op het etiket en in het veiligheidsinformatieblad (SDS) herkent u een CMR-stof aan specifieke gevarenaanduidingen (H-zinnen) die beginnen met H34 of H36.
Een belangrijk aspect van CMR-stoffen is dat veel ervan geen veilige blootstellingsdrempel kennen. Bij genotoxische carcinogenen en mutagenen geldt dat zelfs een geringe, langdurige blootstelling in theorie bijdraagt aan het risico. Dit onderscheidt CMR-stoffen van veel andere giftige stoffen, waarbij de dosis bepalend is. Voor reprotoxische stoffen bestaat in sommige gevallen wel een drempelwaarde, maar die is doorgaans laag en sterk afhankelijk van de levensfase van de blootgestelde persoon, waarbij zwangerschap en jeugd de meest kritieke perioden zijn.
Mengsels die voor 0,1% of meer bestaan uit een CMR-stof van categorie 1A of 1B, gelden onder de CLP-verordening zelf ook als CMR-mengsel en moeten als zodanig worden geëtiketteerd. Dit is essentieel bij beoordeling van producten zoals petroleumether, waarbij de individuele componenten (benzeen, n-hexaan) bepalend zijn voor de classificatie van het geheel. Zie ook het artikel Over veiligheidsinformatiebladen (SDS) voor meer toelichting op hoe u een CMR-indeling terugvindt in rubriek 2 en rubriek 11 van het SDS.
Carcinogene stoffen kunnen de ontwikkeling van kanker veroorzaken of bevorderen. Het werkingsmechanisme verschilt per stof, maar in de meest zorgwekkende gevallen gaat het om directe of indirecte DNA-schade. Genotoxische carcinogenen — zoals benzeen en chroom(VI)-verbindingen — reageren chemisch met het DNA of verstoren de celdelingmechanismen zodanig dat oncogenen geactiveerd worden of tumorsuppressorgenen uitvallen. Niet-genotoxische carcinogenen werken via andere mechanismen, zoals chronische ontsteking, hormonale verstoring of epigenetische verandering.
Kenmerkend voor carcinogeniteit is de lange latentietijd: de periode tussen de blootstelling en het moment waarop een tumor klinisch zichtbaar wordt, bedraagt vaak tien tot dertig jaar. Dit maakt de directe oorzaak-gevolgrelatie in individuele gevallen moeilijk aantoonbaar, maar in epidemiologisch onderzoek is de relatie voor tal van stoffen onomstotelijk vastgesteld.
Mutagene stoffen veroorzaken permanente veranderingen in het DNA. Een belangrijk onderscheid is dat tussen somatische mutaties (in lichaamscellen, niet erfelijk overdraagbaar maar wel kankerrisico verhogend) en kiemcelmutaties (in geslachtscellen, erfelijk overdraagbaar naar volgende generaties). De CLP-indeling voor mutageniteit richt zich specifiek op kiemcelmutaties, terwijl somatische schade meestal via de carcinogeniteitsclassificatie wordt gedekt.
Ethidiumbromide is een voorbeeld van een mutageen dat in laboratoria voor moleculaire biologie decennialang breed werd ingezet voor DNA-visualisatie bij gelelektroforese. De stof bindt zich aan dubbelstrengs DNA door intercalatie en verstoort daarmee de replicatie. De mutageniteit werd aanvankelijk onderschat; inmiddels bestaat brede consensus dat alternatieven de voorkeur verdienen.
Reprotoxische stoffen kunnen de vruchtbaarheid van mannen en/of vrouwen schaden, of een schadelijke werking hebben op de ontwikkeling van het ongeboren kind. H360 wordt toegekend aan stoffen waarvoor dit bewezen of zeer aannemelijk is; H361 aan stoffen waarbij dit wordt verdacht. De effecten kunnen bestaan uit hormonale verstoring, directe schade aan geslachtsorganen of gonaden, teratogeniteit (misvorming van de foetus) of afname van zaadkwaliteit.
Borax (natriumtetraboraat) is een schoolvoorbeeld van een stof die lange tijd als relatief onschadelijk werd beschouwd maar inmiddels is ingedeeld als reprotoxisch categorie 1B. De stof is bij hogere doseringen in dierproeven aangetoond schadelijk voor de reproductie, waarop de Europese classificatie is gebaseerd. Voor zwangere werknemers en voor gebruik door of bij minderjarigen gelden voor reprotoxische cat. 1A/1B-stoffen de strengste Arbo-regels.
Binnen elke CMR-gevaarklasse worden drie subcategorieën onderscheiden op grond van de kracht en herkomst van het beschikbare bewijs.
Categorie 1A omvat stoffen waarvoor het bewijs van CMR-werking bij de mens is gebaseerd op humane epidemiologische data. Dit zijn de stoffen met de zwaarste wettelijke verplichtingen: SVHC-status (Substance of Very High Concern) onder REACH, autorisatieplicht voor gebruik, en een absoluut verbod op inzet door of in de directe nabijheid van minderjarigen. Voorbeelden zijn benzeen (carcinogeen en mutageen 1A), chroom(VI)-verbindingen (carcinogeen 1A) en loodverbindingen (reprotoxisch 1A).
Categorie 1B betreft stoffen met bewezen CMR-werking in dierproeven, waarbij het aannemelijk is dat het effect ook bij mensen optreedt. De wettelijke bescherming is vrijwel gelijkwaardig aan 1A: ook voor cat. 1B geldt een vervangingsplicht onder het Arbobesluit (art. 4.17) en een verbod op schoolgebruik door minderjarigen. Borax, bisfenol A en de meeste ftalaten vallen in deze categorie.
Categorie 2 is gereserveerd voor stoffen waarbij de beschikbare data een CMR-werking suggereert maar het bewijs nog onvoldoende is voor een 1A- of 1B-indeling. Hier geldt een minimalisatieplicht: de blootstelling moet zo laag als redelijkerwijs haalbaar worden gehouden. Fenolftaleïne (carcinogeen 2) en aceton (carcinogeen 2) vallen in deze categorie. Voor gebruik op school is een uitgebreide risicoanalyse vereist.
Benzeen (CAS 71-43-2) staat bekend als een van de best gedocumenteerde chemische carcinogenen bij de mens. Het is ingedeeld als carcinogeen 1A en mutageen 1A. Benzeen verstoort de aanmaak van bloedcellen in het beenmerg en is de oorzaak van leukemie bij langdurig blootgestelde werknemers. In moderne laboratoria wordt benzeen nauwelijks meer als oplosmiddel ingezet; het vormt echter een relevante onzuiverheid in technische petroleumether en sommige aromatische oplosmiddelen. Controle van het SDS op het benzeengehalte van oplosmiddelmengsels is daarom essentieel.
Dichloormethaan (DCM, CAS 75-09-2) is ingedeeld als carcinogeen 2 (H351). Het wordt veel gebruikt als extractiemiddel bij vloeistof-vloeistofextractie (LLE), als oplosmiddel bij Soxhlet-extractie en in de HPLC-preparaatbereiding. DCM wordt via de huid opgenomen en gemetaboliseerd tot koolmonoxide, waardoor chronische blootstelling ook cardiovasculaire risico’s met zich meebrengt. In de EU gelden voor DCM strikte blootstellingslimieten en verplichte afzuiging.
Chloroform (trichloormethaan, CAS 67-66-3) is eveneens carcinogeen 2 en reprotoxisch 2. Het was decennialang een standaard extractiemiddel en oplosmiddel voor lipiden en nucleïnezuren, onder meer bij RNA-isolatie in combinatie met fenol (Trizol-methode). Bij verhitting of UV-licht vormt chloroform fosgeen, een uiterst giftig reactieproduct. Gebruik uitsluitend in een goed werkende zuurkast.
Formaldehyde (methanal, CAS 50-00-0) is carcinogeen 1B en mutageen 2. Als 37%-oplossing (formaline) wordt het breed ingezet als fixatiemiddel in de histologie en voor het conserveren van biologische preparaten. Formaldehyde is een reactief molecuul dat covalente bindingen aangaat met eiwitten en nucleïnezuren, wat cel- en weefselstructuur fixeert maar ook de reden is voor de mutagene werking. De scherpe geur is al bij lage concentraties waarneembaar, maar geruchtsvermoeidheid treedt snel op, waardoor de persoonlijke beoordeling van de blootstelling onbetrouwbaar is.
Aceton (propan-2-on, CAS 67-64-1) staat op de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen als carcinogeen 2 (H351). In het voortgezet onderwijs is gebruik zonder uitgebreide risicoanalyse op grond van de Arbocatalogus VO (Voion) niet toegestaan. In professionele laboratoria wordt aceton als oplosmiddel en spoelmiddel breed gebruikt; de blootstelling dient geminimaliseerd te worden en gebruik in open ruimtes zonder ventilatie is af te raden.
Petroleumether is geen enkelvoudige stof maar een koolwaterstofmengsel met een kooktraject dat doorgaans ligt tussen 40 en 80 °C (afhankelijk van de fractie). Het mengsel bevat variabele hoeveelheden n-hexaan, isomeren en in technische kwaliteiten soms sporen benzeen. N-hexaan zelf is reprotoxisch 2 (H361) en neurotoxisch (veroorzaakt perifere neuropathie bij chronische blootstelling via metaboliet 2,5-hexaandion). Petroleumether staat op de SZW CMR-lijst en is in het voortgezet onderwijs niet toegestaan zonder uitgebreide risicoanalyse. Als loopvloeistof bij papierchromatografie en dunnelaagchromatografie (TLC) van bladpigmenten is het volledig te vervangen door isopropanol/water.
Chroom(VI)-verbindingen (kaliumdichromaat, kaliumchromaat, chroomtrioxide) zijn carcinogeen 1A en mutageen 1B. Chroom(VI) penetreert celwanden gemakkelijk, wordt intracellulair gereduceerd tot chroom(III) en veroorzaakt daarbij reactieve zuurstofradicalen en DNA-adducten. Kaliumdichromaat werd vroeger gebruikt bij reinigingsprocedures voor glaswerk (chroomzwavelzuurbad) en als oxidatiemiddel. Vervanging door chroomvrije reinigingsmiddelen en alternatieve oxidatoren is de standaard geworden in GLP-geaccrediteerde laboratoria. Zie ook GLP — Good Laboratory Practice voor kwaliteitseisen rondom chemicaliëndocumentatie.
Loodverbindingen (loodnitraat, loodacetaat) zijn reprotoxisch 1A. Lood accumuleert in bot en levert chronisch een depot af aan het bloed. Het passeert de bloed-hersenbarrière en de placentabarrière en is bijzonder schadelijk voor de neurologische ontwikkeling van het ongeboren kind en jonge kinderen. In analytische laboratoria wordt loodhoudend glaslood nog wel aangetroffen in oudere optische componenten; loodverbindingen als reagentia dienen te worden vervangen.
Cadmiumverbindingen zijn carcinogeen 1B en reprotoxisch 2. Cadmium accumuleert in de nieren en veroorzaakt bij chronische blootstelling nierschade (Fanconi-syndroom) en botontkalking. In laboratoria komt cadmium voor als pigment in oudere verflagen op metalen onderdelen en als verontreiniging in zinkzouten van lagere zuiverheidsgraad. De zuiverheidsgraad van chemicaliën is hier dus direct relevant: technische kwaliteit zinkzouten kunnen cadmium bevatten boven de CMR-drempelwaarden.
Kwikverbindingen zijn reprotoxisch 1A en neurotoxisch. Methylkwik (organisch kwik) is bijzonder gevaarlijk vanwege de hoge vetoplosbaarheid en snelle penetratie van de bloed-hersenbarrière en de placenta. Anorganisch kwik (kwik(II)chloride, kwikoxide) wordt in laboratoria nog gebruikt als fixatief en als katalysator, maar ook hier geldt een strikte vervangingsdoelstelling.
Arseen en arsenicum(III)oxide zijn carcinogeen 1A. Arseen verstoort de cellulaire energiehuishouding door binding aan SH-groepen van enzymen en is in epidemiologisch onderzoek geassocieerd met huid-, long- en blaaskanker. Arseen(III)oxide heeft historisch gebruik gekend als laboratoriumstandaard bij arsenometrische titraties; moderne analyse maakt gebruik van minder gevaarlijke kalibratiemethoden.
Ethidiumbromide (EtBr, CAS 1239-45-8) is mutageen 2 (H341) en wordt al decennialang gebruikt voor de fluorescente kleuring van DNA-banden bij gelelektroforese. EtBr bindt zich aan DNA door intercalatie tussen de basenparen en verstoort daarmee de replicatie en transcriptie. De stof is huidpermeabel en daarmee lastig te vermijden bij direct contact. Poeder- en vloeistofafval van EtBr-gels moet als chemisch afval worden afgevoerd. Inmiddels zijn er uitstekende alternatieven die bij vergelijkbare of betere gevoeligheid geen CMR-indeling dragen.
Acrylamide (CAS 79-06-1) is carcinogeen 1B en mutageen 1B. Het monomeer wordt gebruikt voor de bereiding van polyacrylamide (PAA) gels voor eiwitelectroforese (SDS-PAGE) en voor nucleïnezuurscheiding. Het gepolymeriseerde PAA zelf is niet toxisch, maar het monomeer in vloeibare acrylamideoplossingen is huidabsorberend en neurotoxisch naast de CMR-eigenschappen. Werken met vooraf gegoten, commerciële PAA-gels elimineert de blootstelling aan het monomeer volledig.
Ethyleenoxide (CAS 75-21-8) is carcinogeen 1B en mutageen 1B. Het wordt in laboratoria hoofdzakelijk gebruikt voor gassterilisatie van temperatuurgevoelige materialen. De stof is bij kamertemperatuur een gas en dringt door verpakkingen heen; het gassterilisatieproces vereist gecertificeerde apparatuur en een strikt ventilatieprotocol.
Dimethylsulfaat (DMS, CAS 77-78-1) is carcinogeen 1A en mutageen 1B. Het is een uiterst reactief methyleringsreagens dat bij huid- en slijmvliescontact onmiddellijk vernieling aanricht en systemisch sterk toxisch is. De stof hoort thuis in gesloten systemen onder strikt chemisch-veiligheidsprotocol en is in veel laboratoria vervangen door minder gevaarlijke methyleringsreagentia zoals dimethylcarbonaat.
Bischloormethylether (BCME, CAS 542-88-1) is carcinogeen 1A en mutageen 1A. Het is een krachtige longgiftige alkyleerder die in de chemische synthese kan optreden als bijproduct bij reacties van formaldehyde met chloride-houdende verbindingen. BCME heeft geen regulier laboratoriumgebruik maar vormt een onzichtbaar risico bij reactie-opstellingen waarbij formaldehyde en zoutzuur tegelijk aanwezig zijn.
Voor het voortgezet onderwijs geldt een bijzonder beschermingsregime. Het Arbobesluit (art. 4.16) verbiedt het gebruik van CMR-stoffen van categorie 1A en 1B door of in directe nabijheid van minderjarigen tenzij er geen reëel alternatief bestaat en een volledige risicoanalyse en aanvullende maatregelen zijn gedocumenteerd. Voor cat. 2-stoffen geldt een minimalisatieplicht en is een risicoanalyse vereist conform de Arbocatalogus VO (Voion). Scholen zijn werkgever in de zin van de Arbowet en zijn juridisch verantwoordelijk voor de veiligheid van leerlingen als werkenden in het kader van de wet.
De vier stoffen die hieronder worden besproken komen alle voor in klassieke middelbareschool-practica maar zijn in de meeste gevallen volledig vervangbaar door alternatieven zonder CMR-indeling. Voor meer context over veilig werken in de schoolomgeving verwijzen wij naar Veilig werken in het scheikundelokaal en Chemicaliënetikettering op school.
Borax (natriumtetraboraat decahydraat, CAS 1303-96-4, Na₂B₄Oₛ·10H₂O) was jarenlang een populaire schoolchemicalie voor het maken van slime en als fluxmiddel. Onder de huidige CLP-indeling is borax geclassificeerd als reprotoxisch categorie 1B (H360FD: kan de vruchtbaarheid schaden en het ongeboren kind schaden). Dit betekent dat borax niet mag worden gebruikt in practica waarbij minderjarigen de stof hanteren, tenzij aan de strikte Arbo-voorwaarden is voldaan.
De reprotoxiciteit van boraten berust op boorionen die de foetale ontwikkeling verstoren bij hogere blootstelling; de drempelwaarden zijn relatief hoog maar niet haalbaar te garanderen bij schoolpractica zonder adequate PBM en risicoanalyse. Voor particulieren die borax zoeken voor gebruik als reinigingsmiddel of in DIY-slime geldt dat ook dit thuisgebruik, met name bij kinderen en zwangere vrouwen, moet worden ontraden.
In doe-het-zelf-blogs, lifestylesites en op verpakkingen van borax-poeder dat online wordt verkocht, wordt borax vaak gepresenteerd als een “natuurlijk”, “milieuvriendelijk” en “veilig” alternatief voor chemische schoonmaakmiddelen. De redenering is dat borax een mineraal is dat van nature voorkomt in droge zoutmeren, en dat “natuurlijk” gelijk staat aan “onschadelijk”. Deze redenering is feitelijk onjuist. Het feit dat een stof natuurlijk voorkomt zegt niets over de toxicologische eigenschappen ervan; arseen, kwik en asbest zijn ook natuurlijke mineralen. De CMR-indeling van een stof berust op aangetoonde effecten op het menselijk lichaam, niet op de herkomst.
Borax wordt door particulieren toegepast als allesreiniger, ontvetter, schimmelverwijderaar, vlekverwijderaar in de was, geurneutralisator in afval- en kattenbakken, waterontharder en tapijtreiniger. Bij al deze toepassingen wordt het poeder doorgaans onverdund aangeraakt, opgelost in water en met losse hand gedoseerd, en blijft een residu achter op oppervlakken waarmee bewoners (vooral kinderen en huisdieren) langdurig in contact kunnen komen. Hoewel een eenmalige blootstelling bij volwassenen geen acute gezondheidsschade veroorzaakt, is herhaalde of chronische blootstelling bij zwangere vrouwen, jonge kinderen en huishoudens met een kinderwens onverstandig vanwege de reprotoxische werking (H360FD).
Het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) heeft natriumtetraboraat decahydraat op de SVHC-kandidatenlijst van REACH geplaatst, juist vanwege deze reprotoxische eigenschappen. Voor de meeste huishoudelijke toepassingen bestaan volwaardige alternatieven die in praktijk net zo goed of beter werken, eenvoudig verkrijgbaar zijn in de supermarkt, drogist of online, en geen CMR-indeling dragen.
Voor de meest voorkomende huishoudelijke toepassingen van borax zijn drie alternatieven samen voldoende om vrijwel alle taken te dekken: soda (natriumcarbonaat), natriumbicarbonaat (zuiveringszout, baking soda) en natriumpercarbonaat (zuurstofbleek). Geen van deze drie draagt een CMR-indeling. Alle drie zijn breed verkrijgbaar in supermarkten en drogisterijen voor minder geld dan borax.
De combinatie soda + zuurstofbleek + zuiveringszout dekt vrijwel alle huishoudelijke toepassingen waar borax voor wordt aangeraden. Voor een werkende universele schoonmaakset is verder alleen nog schoonmaakazijn (kalk en schimmel) en eventueel groene zeep (vet) nodig. Geen van deze stoffen draagt een CMR-indeling. Voor specifieke vlekken die soda en percarbonaat niet wegkrijgen (bijvoorbeeld inkt of bepaalde vetvlekken) bestaan gerichte commerciële vlekverwijderaars op enzymbasis die eveneens borax-vrij zijn.
Een toepassing die los staat van schoonmaken maar in DIY-blogs vaak wordt aangeraden, is het gebruik van borax als mierenbestrijdingsmiddel. Het klassieke recept is een mengsel van borax met suiker of pindakaas, dat als lokaas op de loopwegen van mieren wordt uitgezet. De werkster-mieren nemen het mengsel mee naar het nest, waar het kolonie-breed werkt. Hoewel deze methode op zich effectief is, brengt zij in een huishouden bijzondere risico’s met zich mee en is de juridische status problematisch.
Onder de Europese Biocidenverordening (EU 528/2012) mag borax niet meer aan particulieren worden verkocht voor gebruik als insectenbestrijdingsmiddel zonder dat het product is toegelaten als biocide. Commerciële mierenlokdoosjes in de winkel bevatten daarom al lang geen borax meer, maar maken gebruik van toegelaten werkzame stoffen zoals spinosad, indoxacarb of fipronil in een gesloten lokvorm waar kinderen en huisdieren niet bij kunnen.
Het zelf samenstellen van een borax-suikermengsel is voor het gezin en voor huisdieren extra risicovol omdat het zoete lokmiddel juist aantrekkelijk is voor kinderen en honden. Een hond die een lepel suikerlokaas met borax oplikt krijgt een veel hogere dosis binnen dan via welke andere huishoudelijke borax-toepassing dan ook. Voor katten geldt hetzelfde via belikken van de poten na contact met het lokaas. De reprotoxische werking van boraten geldt onverkort, naast acute giftigheid bij hogere inname.
Wat werkt wel tegen mieren in huis?
De effectiefste aanpak is een combinatie van weren en gerichte bestrijding. Weren: spoor het binnenkomstpunt op (kit- of voegnaad, ventilatierooster, kabeldoorvoer) en dicht het af met siliconenkit of fijnmazig gaas. Veeg het mierenspoor weg met schoonmaakazijn of water met afwasmiddel; dit breekt de feromoonspoorlijn af waarop volgende mieren navigeren. Bestrijden: gebruik commerciële mierenlokdoosjes met een toegelaten werkzame stof. Deze hebben dezelfde “mee naar het nest”-werking als borax-lokaas, maar zijn in een gesloten doosje verpakt dat alleen mieren binnenkomen. Voor wie geen chemische biocide wil gebruiken, werkt diatomeeënaarde (kiezelgoer) als mechanisch insecticide: het droogt de mieren uit door beschadiging van de chitinelaag, is niet-toxisch voor mens en huisdier, en heeft geen CMR-indeling. Strooi diatomeeënaarde op het mierenpad of bij het binnenkomstpunt.
Wanneer u nog een verpakking borax in huis hebt en u wilt het verantwoord afvoeren: lever het in als klein chemisch afval (KCA) bij het milieustraat of de chemokar van uw gemeente. Spoel borax niet weg via de gootsteen of het toilet, omdat boorionen op rioolwaterzuiveringen niet goed worden afgebroken en in oppervlaktewater terecht kunnen komen. Bewaar borax tot afvoer in de originele verpakking, buiten bereik van kinderen en huisdieren, en gebruik bij hantering wegwerphandschoenen.
Alternatieven voor borax in vakmatige toepassingen:
Als fluxmiddel in soldeertoepassingen: commerciële, boraxvrije soldeerpasta’s op basis van organische zuren (OA-flux). Als component in slime-practica: polyvinylalcohol (PVA) in combinatie met natriumboraat is te vervangen door PVA met contactlensoplossing op basis van boorzuur in een gesloten verpakking (geringere blootstelling), of beter nog door citraat-gebonden PVA-slime zonder boraten. Als buffercomponent in laboratoriumanalyse: alternatieve boraat-vrije buffers zoals fosfaat- of HEPES-buffers zijn voor de meeste toepassingen beschikbaar.
Fenolftaleïne (CAS 77-09-8) is jarenlang de standaard zuur-base-indicator geweest in het scheikundeonderwijs, herkenbaar aan de kleurloze-naar-fuchsia omslag bij pH 8,2–10,0. Onder de huidige CLP-indeling is fenolftaleïne geclassificeerd als carcinogeen categorie 2 (H351: verdacht van kankerverwekkendheid) en reprotoxisch categorie 2 (H361). De stof werd vroeger ook breed gebruikt in laxativa, maar is daarvoor uit de handel genomen nadat dierproeven op carcinogene werking wezen.
In het voortgezet onderwijs vereist gebruik van fenolftaleïne een risicoanalyse. In veel schoolopstellingen is de concentratie laag (1% in ethanol als indicatoroplossing), wat het directe risico beperkt, maar de Arbocatalogus VO adviseert vervanging. In professionele laboratoria wordt fenolftaleïne nog ingezet bij titraties, maar de voorkeur gaat inmiddels uit naar indicatoren zonder CMR-indeling.
Alternatieven voor fenolftaleïne als zuur-base-indicator:
Thymolblauw slaat om bij pH 1,2–2,8 (geel−rood) en bij pH 8,0–9,6 (geel−blauw) en heeft geen CMR-indeling. Universaalindicator (mengsel van meerdere indicatoren) geeft een kleurspectrum over pH 3–11 en is in schoolcontext breed inzetbaar. Methyloranje en methylrood zijn geschikte alternatieven voor zure trajecten. Voor titraties waarbij een scherpe eindpuntomslag vereist is, bieden potentiometrische detectie via een pH-elektrode een CMR-vrij alternatief; zie hiervoor Over pH-meting en potentiometrische titratie.
Petroleumether en aceton worden in klassieke schoolpractica voor bladpigmentscheiding gebruikt als loopvloeistof bij papierchromatografie. Beide stoffen staan op de SZW CMR-lijst en zijn in het voortgezet onderwijs niet toegestaan zonder uitgebreide risicoanalyse conform de Arbocatalogus VO (Voion). Het goede nieuws is dat het practicum volledig uitvoerbaar is met CMR-vrije alternatieven.
Als extractiemiddel voor bladpigmenten: isopropanol (propaan-2-ol, CAS 67-63-0) vervangt aceton volledig. Los het bladmateriaal hierin op op dezelfde wijze als beschreven in de werkwijze. Isopropanol heeft geen CMR-indeling, hoewel standaard PBM (geventileerde ruimte, geen open vuur) van toepassing blijft vanwege de oplosmiddelwerking.
Als loopvloeistof bij papierchromatografie: een mengsel van isopropanol/water (80:20 v/v) vervangt het klassieke petroleumether/aceton-systeem. Giet 0,5 cm van dit mengsel in de chromatografiefles en ga verder zoals in de werkwijze beschreven. Houd rekening met het volgende: de looptijd is iets langer (circa 30–45 minuten), de R f-waarden zijn niet identiek aan die bij petroleumether/aceton, maar de scheiding van caroteen, xanthofyl, chlorofyl a en chlorofyl b blijft zichtbaar. Gebruik de gemeten R f-waarden relatief ten opzichte van elkaar voor de identificatie van de pigmenten.
Voor verdere achtergrond over chromatografische scheidingsprincipes verwijzen wij naar Over dunnelaagchromatografie (TLC) en Vloeistofchromatografie: principe, varianten en toepassingen.
De REACH-verordening (EU 1907/2006) verplicht fabrikanten en importeurs van chemische stoffen tot registratie en, voor de meest gevaarlijke stoffen, tot autorisatie. CMR-stoffen van categorie 1A en 1B worden aangemerkt als SVHC (Substance of Very High Concern) en opgenomen op de kandidatenlijst van ECHA (European Chemicals Agency). Zodra een SVHC op bijlage XIV van REACH is geplaatst, is gebruik ervan verboden tenzij de ECHA een specifieke autorisatie heeft verleend voor het beoogde gebruik, of tenzij het gebruik is vrijgesteld (bijvoorbeeld voor wetenschappelijk onderzoek onder gecontroleerde omstandigheden).
Voor laboratoria is relevant dat ook leveranciers verplicht zijn hun afnemers te informeren wanneer een artikel meer dan 0,1% van een SVHC-stof bevat. Dit heeft directe consequenties voor de inkoop en het beheer van reagentia en laboratoriumhulpmiddelen. Zie ook Normeringen in het laboratorium voor een overzicht van relevante Europese regelgeving.
De Nederlandse Arbowet verplicht werkgevers tot het voeren van een Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Voor CMR-stoffen geldt specifiek artikel 4.17 van het Arbobesluit: de werkgever is verplicht CMR-stoffen van categorie 1A en 1B te vervangen door een minder gevaarlijk alternatief, tenzij dit technisch niet haalbaar is. Vervanging is geen aanbeveling maar een juridische verplichting. Wanneer vervanging aantoonbaar onmogelijk is, moeten technische beheersmaatregelen (gesloten systemen, lokale afzuiging, zuurkasten) prioriteit krijgen boven persoonlijke beschermingsmiddelen.
Voor zwangere werknemers en werknemers die borstvoeding geven, gelden aanvullende beschermingsverplichtingen: blootstelling aan reprotoxische stoffen categorie 1A en 1B moet volledig worden voorkomen door taakwijziging of tijdelijk ander werk. Zie voor de opslag van CMR-stoffen ook PGS-15 en de opslag van gevaarlijke stoffen: regels, eisen en opslagmiddelen.
De CLP-verordening (EU 1272/2008) regelt de uniforme indeling, etikettering en verpakking van gevaarlijke stoffen in Europa. Een CMR-stof is herkenbaar op het etiket aan het pictogram met de gezondheidshazard (uitroepteken of silhouet met ster), de signaalwoorden “Gevaar” (cat. 1A/1B) of “Waarschuwing” (cat. 2) en de relevante H-zinnen (H340, H341, H350, H351, H360, H361). In het veiligheidsinformatieblad (SDS) vindt u de CLP-indeling in rubriek 2 en de toxicologische onderbouwing in rubriek 11. Het nauwkeurig lezen van het SDS is de eerste en meest betrouwbare stap bij de beoordeling van een stof. Zie Over veiligheidsinformatiebladen (SDS) voor een volledige uitleg van alle SDS-rubrieken.
De keuze voor een alternatief hangt altijd af van de specifieke toepassing, het gewenste zuiverheidsniveau en de beschikbare apparatuur. De onderstaande tabel biedt een praktisch startpunt; raadpleeg altijd het SDS van het alternatief om te bevestigen dat het inderdaad geen CMR-indeling draagt in de voor u relevante concentratie.
Wanneer een CMR-stof niet volledig kan worden vervangen, gelden de beheersmaatregelen in een vaste hiërarchie die is vastgelegd in het Arbobesluit. Persoonlijke beschermingsmiddelen staan onderaan deze hiërarchie: ze compenseren een risico dat niet aan de bron is weggenomen en vormen daarmee de laatste verdedigingslinie, niet de eerste.
1. Eliminatie is de meest effectieve maatregel: de stof wordt niet langer gebruikt en uit het laboratorium verwijderd. Dit is de enige maatregel die het risico volledig opheft.
2. Substitutie vervangt de CMR-stof door een stof met een lagere of geen CMR-indeling. De tabel hierboven biedt een uitgangspunt. Let er bij substitutie op dat het alternatief niet op een ander vlak een hoger risico introduceert (ontvlambaarheid, corrosiviteit, andere toxicologie).
3. Technische maatregelen beperken de blootstelling zonder de stof te verwijderen. De zuurkast en luchtzuiverende werkkast zijn de meest ingezette middelen: zij zorgen voor lokale afzuiging waardoor dampen niet in de ademzone van de medewerker terechtkomen. Gesloten systemen, geautomatiseerde dispensering en besloten reactievaten verminderen de vluchtige emissie verder. Bij vluchtige CMR-oplosmiddelen (DCM, chloroform, formaldehyde) is een zuurkast met een face velocity van ten minste 0,5 m/s vereist.
4. Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) worden ingezet als aanvulling op technische maatregelen, nooit als vervanging. Voor CMR-stoffen betekent dit in de praktijk: nitril handschoenen van voldoende dikte (bedenk dat dunne wegwerphandschoenen voor veel oplosmiddelen een doorbraaktijd hebben van slechts enkele minuten), een labjas, veiligheidsbril en, bij werken buiten de zuurkast, een geschikt ademhalingsmasker. Zie Over persoonlijke bescherming in het laboratorium en Over adembescherming in het laboratorium voor gedetailleerde keuzerichtlijnen per stofklasse.
Voor duurzame laboratoriumvoering, waarbij de keuze voor CMR-vrije alternatieven onderdeel is van een bredere milieu- en veiligheidsstrategie, verwijzen wij naar Duurzaamheid in het laboratorium.
Het veiligheidsinformatieblad (Safety Data Sheet, SDS) is het primaire document voor beoordeling van de CMR-status van een stof. Een CMR-indeling herkent u als volgt:
Rubriek 2 (gevarenaanduiding): hier staan de CLP-classificatie en de bijbehorende H-zinnen. H340, H341, H350, H351, H360 of H361 wijzen op een CMR-indeling. Let ook op de categorieaanduiding: “Carc. 1A”, “Muta. 1B” of “Repr. 2” zijn de CLP-vermeldingen.
Rubriek 11 (toxicologische informatie): hier vindt u de onderbouwing van de indeling, inclusief de dierproef- of epidemiologische data waarop de classificatie is gebaseerd, en in veel gevallen ook de arbeidskundige grenswaarden (WEL, DNEL).
Bij mengsels zoals petroleumether is het ook van belang rubriek 3 te raadplegen: de samenstelling. Een mengsel wordt niet altijd als geheel gecategoriseerd, maar de individuele bestanddelen kunnen elk een eigen CMR-indeling hebben die via het 0,1%-criterium op het mengsel van toepassing is. Voor een volledige uitleg van alle SDS-rubrieken: zie Over veiligheidsinformatiebladen (SDS). De etikettering van chemicaliën op school wordt verder toegelicht in Chemicaliënetikettering op school en de bekende triviale en handelsnamen van chemicaliën vindt u terug in Bekende chemicaliën: triviale namen, volksnamen, E-nummers en alledaagse toepassingen.
CMR staat voor Carcinogeen, Mutageen en Reprotoxisch. De afkorting wordt gehanteerd binnen de Europese chemicaliënregelgeving (CLP, REACH) en de Nederlandse Arbowet om stoffen aan te duiden die kankerverwekkend, erfelijkheidsschade veroorzakend of voortplantingsschadelijk zijn. Een stof hoeft niet aan alle drie de criteria te voldoen om als CMR-stof te worden aangemerkt; één van de drie eigenschappen is voldoende voor de classificatie.
De cijfers verwijzen naar de zwaarte van het beschikbare bewijs voor de CMR-werking. Categorie 1A betekent dat de werking is bewezen bij de mens (humane epidemiologische data). Categorie 1B betekent dat de werking is bewezen in dierproeven en dat het aannemelijk is dat het effect ook bij mensen optreedt. Categorie 2 betekent dat er aanwijzingen zijn maar dat het bewijs nog onvoldoende is voor een 1A- of 1B-indeling. Voor categorie 1A en 1B gelden de strengste wettelijke verplichtingen, waaronder de vervangingsplicht en het schoolverbod voor minderjarigen.
CMR 1A-stoffen zijn chemicaliën waarvan de carcinogene, mutagene of reprotoxische werking bij de mens is aangetoond via epidemiologisch onderzoek. Voorbeelden zijn benzeen, chroom(VI)-verbindingen en loodverbindingen. CMR 1B-stoffen zijn aangetoond in dierproeven met sterke aanwijzingen voor analoge werking bij de mens. Voorbeelden zijn formaldehyde, ethyleenoxide, acrylamide en borax. In de praktijk worden 1A en 1B in de Europese regelgeving vrijwel gelijk behandeld: voor beide gelden vervangingsplicht (Arbobesluit art. 4.17) en het verbod op gebruik door minderjarigen.
Verdachte CMR-stoffen zijn stoffen die zijn ingedeeld in categorie 2 (H341, H351 of H361). Voor deze stoffen is er een vermoeden van CMR-werking op basis van beperkte dier- of celproeven, maar het bewijs is nog niet sluitend voor een 1A- of 1B-indeling. Fenolftaleïne, aceton en dichloormethaan zijn bekende verdachte CMR-stoffen. Voor deze stoffen geldt een minimalisatieplicht: de blootstelling moet zo laag als redelijkerwijs haalbaar worden gehouden.
In Nederland is de bekendste CMR-lijst de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen, samengesteld door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze lijst wordt periodiek bijgewerkt en bevat de stoffen waarop de Arbowet-bepalingen voor CMR-stoffen van toepassing zijn. Een tweede relevante lijst is de SZW-lijst van voor de voortplanting giftige stoffen. Op Europees niveau is de geharmoniseerde indeling vastgelegd in bijlage VI van de CLP-verordening en de SVHC-kandidatenlijst van ECHA voor de zwaarst gereguleerde stoffen.
Ethanol (CAS 64-17-5) is onder de huidige geharmoniseerde CLP-indeling niet als CMR-stof geclassificeerd. Het IARC (International Agency for Research on Cancer) heeft alcoholhoudende dranken wel ingedeeld als groep 1-carcinogeen voor de mens, maar deze classificatie geldt in epidemiologische zin voor consumptie en is niet vertaald naar een CLP-indeling van ethanol als chemicalie voor laboratoriumgebruik. Onder de Arbowet wordt ethanol bij beroepsmatige blootstelling daarom niet als CMR-stof behandeld. Ethanol blijft wel een ontvlambare stof met een eigen risicoprofiel.
Een ondubbelzinnig antwoord is niet te geven omdat carcinogeniteit afhangt van blootstellingsroute, dosis en duur. Wel zijn er stoffen die in zeer lage doseringen al een verhoogd kankerrisico geven. Aflatoxine B₁ (een schimmeltoxine uit Aspergillus) wordt vaak genoemd als een van de potentste hepatocarcinogenen, met effecten al bij microgramdoseringen. Onder de laboratoriumchemicaliën gelden bischloormethylether en dimethylsulfaat als bijzonder krachtig carcinogeen. Asbest is wegens het brede gebruik historisch verantwoordelijk voor het grootste aantal beroepskanker-gevallen.
Een CMR-stof herkent u op het etiket aan de gevarenaanduiding (H-zinnen H340, H341, H350, H351, H360 of H361) en aan de bijbehorende CLP-indelingscode in rubriek 2 van het veiligheidsinformatieblad (“Carc.”, “Muta.” of “Repr.” gevolgd door het categorienummer). Op het etiket staat het pictogram “gezondheidshazard” (silhouet met ster) en het signaalwoord “Gevaar” (cat. 1A/1B) of “Waarschuwing” (cat. 2). Bij mengsels controleert u rubriek 3 op aanwezigheid van CMR-componenten boven de 0,1%-grens.
De afkortingen lijken op elkaar maar hebben volledig verschillende betekenissen. CMR = Carcinogeen, Mutageen, Reprotoxisch (deze gevaarklasse). CRM = Certified Reference Material; dit zijn gecertificeerde referentiematerialen die in analytische chemie worden gebruikt voor kalibratie en validatie van meetmethoden. Een CRM-fles in het laboratorium bevat dus een materiaal met een nauwkeurig bekende samenstelling en is niet per definitie gevaarlijk; een CMR-aanduiding op een fles betekent juist dat de inhoud een gezondheidsrisico vormt. Zie ook Validatie van analytische methoden.
Deze vraag berust meestal op een naamsverwarring. De “CMR” in CMR-vrachtbrief verwijst naar het Verdrag van Genève betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (Convention relative au contrat de transport international de Marchandises par Route). Dit is een transportdocument en heeft niets te maken met de chemische CMR-indeling. Een CMR-vrachtbrief is verplicht bij internationaal wegvervoer van goederen tussen verdragslanden. Voor het binnenlands vervoer van CMR-chemicaliën als gevaarlijke stoffen gelden de ADR-regels, niet de CMR-conventie.
De ADR-classificatie (Europese overeenkomst voor wegvervoer van gevaarlijke goederen) verdeelt gevaarlijke stoffen in negen transportklassen: 1 explosieve stoffen, 2 gassen, 3 brandbare vloeistoffen, 4 brandbare vaste stoffen, 5 oxiderende stoffen en organische peroxiden, 6 giftige en infectieuze stoffen, 7 radioactieve stoffen, 8 corrosieve stoffen en 9 diverse gevaarlijke stoffen. Deze indeling betreft het transportrisico en staat los van de CLP-gezondheidsclassificatie. Een CMR-stof valt onder CLP voor gezondheidsrisico’s, maar wordt voor transport ingedeeld onder een ADR-klasse (vaak klasse 6.1 voor giftig of klasse 3 voor brandbaar oplosmiddel).
Voor de actuele, juridisch bindende informatie over CMR-stoffen en de bijbehorende verplichtingen verwijzen wij naar de volgende externe organisaties. De SZW-lijst wordt twee keer per jaar geactualiseerd; raadpleeg daarom altijd de meest recente versie.
Nederlandse overheid en toezichthouders:
Arboportaal — SZW-lijst van kankerverwekkende, mutagene en voor de voortplanting giftige stoffen: officiële lijst van het ministerie van SZW met de Nederlandse CMR-indeling, twee keer per jaar geactualiseerd in de Staatscourant.
Nederlandse Arbeidsinspectie — Kankerverwekkende en mutagene stoffen: toelichting op de Arbowet-verplichtingen, handhaving en de RI&E-eisen rond CMR-stoffen.
Arboportaal — Gevaarlijke stoffen: het centrale informatieplatform van SZW over alle aspecten van gevaarlijke stoffen op de werkplek.
Voortgezet onderwijs:
Voion — Veiligheid in vak- en praktijklokalen: arbo-arbeidsmarktfonds voor het voortgezet onderwijs met informatie over veilig werken in scheikundelokalen en met chemicaliën.
Arbocatalogus-VO — Gevaarlijke stoffen en explosieveiligheid: bindende norm voor scholen in het voortgezet onderwijs over hantering, opslag en vervanging van CMR-stoffen.
NVON Veilig Practicum — Arbo-informatie voor natuurwetenschappen in het VO: praktische informatie over veilige practica, alternatieven voor CMR-stoffen, instructiekaarten en checklists, samengesteld door de Nederlandse Vereniging voor het Onderwijs in de Natuurwetenschappen.
Europese regelgeving:
ECHA — Candidate List of Substances of Very High Concern (SVHC): de kandidatenlijst van het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen met alle SVHC-stoffen die voor autorisatie in aanmerking komen onder REACH.
ECHA — Authorisation List (REACH bijlage XIV): lijst van stoffen waarvoor onder REACH autorisatie vereist is, met de bijbehorende sunset dates en latest application dates.
Europese Commissie — REACH-autorisatieprocedure: uitleg van de juridische procedure voor toelating tot gebruik van SVHC-stoffen onder REACH.
Neem contact op voor advies over persoonlijke bescherming, zuurkasten of de juiste keuze van CMR-vrije chemicaliën voor uw laboratorium of schoolomgeving. Bekijk ons assortiment beschermingsmiddelen, zuurkasten en laboratoriumbenodigdheden voor een veilige werkomgeving.
Disclaimer: dit artikel geeft een toelichting op de CMR-classificatie en bijbehorende regelgeving zoals die op het moment van schrijven gangbaar zijn. De SZW-lijst wordt twee keer per jaar bijgewerkt en de SVHC-kandidatenlijst van ECHA wordt periodiek uitgebreid. Raadpleeg voor de actuele, juridisch bindende status van een stof altijd het meest recente veiligheidsinformatieblad (SDS) of de officiële uitgevende instantie (Arboportaal, ECHA, Nederlandse Arbeidsinspectie). Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor beslissingen genomen op basis van deze informatie.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.