Een verdunningsreeks is de basis voor kalibratiecurven, kiemgetalbepalingen, endpoint-titers, EC50/IC50-experimenten en kwantitatieve PCR. De keuze tussen een logaritmische of lineaire reeks, en tussen een seriële of parallelle bereiding, bepaalt hoeveel stamoplossing u nodig heeft, hoe robuust de reeks is tegen pipeteerfouten en of het lineaire meetbereik van uw detector goed wordt bemonsterd. In dit artikel leest u hoe u die keuzes onderbouwt, hoe u foutpropagatie voor beide reekstypen doorrekent en welke praktische vuistregels u toepast bij aanleg en controle.
Voor het snel omrekenen van C1V1 = C2V2 en het uitwerken van een seriële reeks stap voor stap kunt u onze verdunningscalculator gebruiken; dit artikel bespreekt de achtergrond die de calculator zelf niet dekt. Voor de bereiding van de stamoplossing waaruit de reeks vertrekt, verwijzen we naar het achtergrondartikel oplossingen bereiden in het laboratorium.
Een logaritmische verdunningsreeks heeft een vaste verdunningsfactor per stap: 1:2, 1:3, 1:5 of — het meest gangbaar — 1:10 (decimaal). Elke stap deelt de concentratie op dezelfde manier, waardoor de reeks meerdere ordes van grootte omspant met een beperkt aantal buizen. Toepassingen: kiemplaat en kolonietelling (decimaal, 10⁻¹ t/m 10⁻⁶), qPCR-standaardcurves (vijf tot zes decimale stappen), endpoint-titraties bij serologie en dosis-responscurves rondom een verwachte EC50.
Een lineaire verdunningsreeks zet de concentraties op gelijke afstand van elkaar: 0, 2, 4, 6, 8, 10 mg/L. Dit past bij kalibratiecurven waarin het meetsignaal binnen één orde van grootte varieert en waar de wet van Beer-Lambert of een andere lineaire detectiefunctie geldt. Toepassingen: fotometrische bepalingen, ionenchromatografie voor drinkwater, atoomabsorptiespectrometrie binnen het lineaire bereik en klassieke fotometrische assays.
Een gemengde reeks — bijvoorbeeld drie decimale stappen gevolgd door een fijne lineaire vulling rondom een specificatiegrens — is soms verstandiger dan zuiver logaritmisch of zuiver lineair. De vuistregel is: kies logaritmisch wanneer het bereik > 1 decade is of het effect vermoedelijk exponentieel verloopt; kies lineair wanneer de kalibratie een aantoonbaar rechte lijn oplevert binnen het werkgebied van de methode.
Bij dosis-responsstudies verloopt de biologische respons meestal S-vormig als functie van log(dosis), niet van de dosis zelf. Wilt u een sigmoide curve met minstens vijf punten in de lineaire steilte rond EC50, dan levert een logaritmische reeks een gelijkmatige puntdichtheid op de log-x-as; een lineaire reeks concentreert de meeste punten in de plateaus en laat het informatieve middenstuk ondergewaardeerd. Vergelijkbare overwegingen gelden voor ELISA-standaarden, waar een 4- of 5-parameter logistische fit standaard is.
Bij een seriële verdunning is buis n gemaakt uit buis n−1. Elke buis vraagt hetzelfde volume stamoverdracht (bijvoorbeeld 1 mL in 9 mL verdunningsmiddel voor een decimale reeks). Voordeel: u heeft nauwelijks stamoplossing nodig en u werkt volledig binnen het comfortabele pipeteervolume van 1 mL. Nadeel: fouten stapelen zich op. Een systematische fout van 2 % per stap wordt in de vijfde buis 2 % x 5 ≈ 10 % systematisch; toevallige fouten combineren als wortelsom van variantie's en groeien met √n.
Bij een parallelle verdunning wordt elke buis rechtstreeks vanuit de stamoplossing gepipetteerd. Voordeel: de fout in buis 5 hangt alleen af van de pipeteerfout in die ene stap. Nadeel: voor buis 5 (10⁻⁵) is een overdracht van 0,1 µL nodig, wat buiten het praktisch bereik van reguliere micropipetten valt. Onder 1 µL nemen de relatieve pipeteerfouten sterk toe; werk daarom met een tussenverdunning als opstap, bijvoorbeeld eerst een 10⁻²-stock aanleggen en van daaruit parallel verder verdunnen.
Voor kwantitatieve PCR is de gangbare praktijk: parallelle standaarden uit één tussenstock (bijvoorbeeld 10⁻²), gevolgd door een decimale seriële verdunning voor de standaardcurve. Op die manier blijft één enkele, goed gecontroleerde pipeteerstap de kalibratie bepalen. Zie ook het artikel over real-time PCR voor de eisen aan een gevalideerde standaardcurve (helling nabij −3,32, efficiëntie 90–110 %, R² > 0,98).
Bij een seriële verdunning wordt elke volgende buis bereid uit de vorige buis, zodat een keten van stappen ontstaat met een vaste verdunningsfactor. Bij een parallelle verdunning wordt elke doelconcentratie los uit de stamoplossing (of uit één tussenstock) gepipetteerd. Seriële verdunning is materiaalzuinig en makkelijk uit te voeren over grote concentratiebereiken; parallelle verdunning is nauwkeuriger omdat pipeteerfouten niet stapelen, maar vraagt meer stamoplossing en soms extreem kleine volumes.
De onzekerheid in de eindconcentratie van een verdunningsreeks laat zich formeel afleiden uit de Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement (GUM, JCGM 100). Zie het achtergrondartikel Meetonzekerheid in de praktijk: GUM, budget en ISO 17025 voor het volledige raamwerk. Voor een verdunning geldt bij benadering:
(uc/c)² = (uVstam/Vstam)² + (uVeind/Veind)²
Bij een seriële reeks van n identieke stappen worden de relatieve varianties opgeteld:
(uc,n/cn)² = n · (ustap/cstap)²
De relatieve onzekerheid groeit dus met √n. Vijf seriële stappen met elk 1,0 % pipeteeronzekerheid leveren in buis 5 een relatieve onzekerheid van √5 x 1,0 % ≈ 2,2 %. Bij een parallelle reeks blijft de onzekerheid van elke buis gelijk aan de onzekerheid van één enkele overdracht, mits de stamoplossing zelf goed is gekarakteriseerd.
Toevallige fouten (imprecisie) middelen uit bij herhaling; systematische fouten (bias) doen dat niet. Een pipet die structureel 1,5 % te veel afgeeft, geeft in een decimale seriële reeks na vijf stappen een systematische afwijking van 1,015⁵ ≈ +7,7 % op de eindconcentratie. Bij een parallelle reeks blijft de bias per buis 1,5 %. Kalibratie van pipetten conform ISO 8655 begrenst zowel accuracy als imprecisie; voor de praktische controle van variabele pipetten zie het artikel Pipetteren in het laboratorium: technieken, typen en veelgemaakte fouten.
Bij aanvulling tot eindvolume met een maatkolf is de volumefout klein (klasse A maatkolven hebben typisch een tolerantie van < 0,1 % bij 20 °C). De grootste onzekerheid zit dan in de pipeteerstap. Bij kleine tussenverdunningen (< 100 µL in 10 mL) domineert juist de pipeteerfout. Verplaats bij twijfel de kritieke stap naar een groter volume: 1 mL in 100 mL (1:100) is nauwkeuriger dan 100 µL in 10 mL, ook al is de rekenkundige verhouding dezelfde.
Onderstaande tabel vergelijkt de gecombineerde relatieve onzekerheid uc/c aan het einde van een reeks van vijf decimale stappen, uitgaande van een u per pipeteerstap van 1,0 % (relatief). De volume-onzekerheid van het aanvulglaswerk is verwaarloosd.
Zorg voor thermische evenwicht: verdunningsmiddel en stamoplossing moeten op dezelfde temperatuur zijn als de gekalibreerde pipet, want volume-uitzetting van waterige oplossingen bedraagt circa 0,02 % per °C. Kies een verdunningsmiddel dat de analyt stabiel en volledig oplost — buffer, fysiologisch zout, mobiele fase of demiwater — en let op adsorptie: eiwitten en apolaire moleculen binden aan glas en polypropyleen. Voor spooranalyse van organische verbindingen kan het nodig zijn om een oppervlakactieve stof of drager toe te voegen, of om een minder adsorberend materiaal te kiezen; zie het artikel over laboratoriumplastics en verbruiksmaterialen.
Werk van laag naar hoog geconcentreerd wanneer u met één pipet meerdere overdrachten doet, of wissel de tip bij elke overdracht bij een seriële reeks — anders wordt de vorige, hogere concentratie mee overgedragen als contaminatie op de tip. In microbiologische toepassingen is tipwisseling verplicht bij elke stap om overdracht van kolonievormende cellen te voorkomen, zoals beschreven in het artikel Kiemplaat en kolonietelling. Meng na elke overdracht door meerdere keren op en neer te pipetteren of te vortexen; enkel omdraaien is doorgaans onvoldoende voor viskeuze oplossingen of drijvende cellen.
Voor decimale verdunningen zijn 1 mL en 10 mL de meest praktische werkvolumes. Gebruik variabele micropipetten voor het overbrengen van de stam, aangevuld tot eindvolume met maatglaswerk klasse A voor kalibratiedoeleinden, of met een dispenser voor grote series. Filtertips zijn aanbevolen bij PCR-werk (aerosolbarrière) en bij microbiologische reeksen (aseptisch pipetteren).
Bij het aflezen van volumes in maatkolven, maatcilinders en buizen brengt u uw ogen op dezelfde hoogte als de vloeistofspiegel. Kijk naar de onderkant van de meniscus — de gebogen vloeistofoppervlak — en lijn deze uit met de maatstreep. Kijkt u van bovenaf, dan lijkt het volume te laag; kijkt u van onderaf, dan lijkt het te hoog (parallaxfout). Bij doorzichtige, waterige vloeistoffen is de meniscus hol en leest u de onderkant af. Bij kwik of bepaalde organische vloeistoffen met een convexe meniscus leest u de bovenkant af; dit staat altijd in de specificatie van de analysemethode.
Voor maatkolven klasse A is de juiste afleeshouding onderdeel van de volumecertificering: de tolerantie geldt alleen bij de opgegeven temperatuur (doorgaans 20 °C) en bij correcte visuele aflezing op ooghoogte. Werkt u met volumina kleiner dan 1 mL, dan is aflezing in maatglaswerk onpraktisch; gebruik dan een gekalibreerde micropipet en controleer de ingestelde volumeaanduiding voor elke serie opnieuw.
Bij een eindvolume van 1 mL vraagt een 1:10-verdunning om 100 µL stamoplossing aangevuld met 900 µL verdunningsmiddel. Dat klinkt eenvoudig, maar bij kleine volumes neemt de relatieve pipeteerfout sterk toe. Enkele vuistregels:
Voor PCR-reacties in een eindvolume van 10–20 µL geldt dezelfde redenering: bereid de verdunningsreeks altijd in een voldoende groot tussenvolume (minimaal 100 µL per buis) en pipetteer daarna de gewenste hoeveelheid in de reactiebuis.
Meet minstens één punt van de reeks tegen een onafhankelijke referentie (bijvoorbeeld een certified reference material of een vers bereide standaard). Voor kalibratiecurves is R² > 0,99 een minimum, maar niet voldoende: kijk ook naar de residuenverdeling, de recovery per punt en de lack-of-fit-toets. Achtergrondinformatie over de aanvaardbaarheidscriteria staat in het artikel over validatie van analytische methoden en over terugvindbaarheid en recovery.
De keuze van het verdunningsmiddel is een aparte fout- en biasbron. In micro- en biochemie zijn peptone-fysiozout, Maximum Recovery Diluent (MRD) en fosfaatbuffer gangbaar; in analytische chemie hangt de keuze samen met de mobiele fase of het extractiemedium. Wijkt de matrix van de standaarden af van die van het monster, dan kunnen matrixeffecten een systematische bias veroorzaken; overweeg in dat geval standaardadditie als kalibratiestrategie. Voor spectrofotometrische metingen levert een dedicated matrix-blank in de reeks doorgaans een betere achtergrondcorrectie dan een demiwater-blank.
Voor de standaardreeks van 10⁻¹ tot 10⁻⁶ bij plaattelling wordt in de meeste toepassingen 9 mL peptone-fysiologisch zout of Maximum Recovery Diluent (MRD) gebruikt, waarbij 1 mL van de vorige verdunning wordt overgebracht. Peptone beschermt osmotisch gevoelige cellen tegen sublethale schade tijdens de overdracht. Voor psychrotrofe kiemen of kiemen uit droge matrices zijn alternatieve verdunningsmiddelen beschreven in respectievelijke ISO-normen; zie ook het artikel kweekmedia in de microbiologie.
De reeks is nooit nauwkeuriger dan de stam waaruit hij is bereid. Voor het rekenen tussen massaprocent, dichtheid en molariteit, molaliteit en normaliteit kunt u onze molariteit- en molaliteit-calculator en de m/m%-calculator gebruiken. Voor sterk geconcentreerde uitgangsoplossingen (zuren, basen) is de dichtheid en de temperatuur essentieel: 37 %-HCl heeft bij 20 °C een dichtheid van 1,19 g/mL en een molmassa van 36,46 g/mol, wat neerkomt op circa 12 M. Gebruik altijd de dichtheid bij de opgegeven temperatuur op het etiket.
Concentratie drukt uit hoeveel van een stof aanwezig is in een bepaald volume of een bepaalde massa oplosmiddel. De eenheid die u kiest, bepaalt hoe u de verdunningsformule invult en hoe u de reeks documenteert. De meest gebruikte eenheden in een laboratoriumcontext:
Bij het opstellen van een verdunningsreeks is het essentieel dat C1 en C2 in dezelfde eenheid worden uitgedrukt. Eenheidsconversies vóór het invullen van de verdunningsformule voorkomen rekenfouten. Voor de omrekening tussen molariteit, molaliteit, massapercentage en dichtheid kunt u de molariteitsomrekeningen in de kennisbank raadplegen.
De verdunningsformule C1V1 = C2V2 drukt uit dat de hoeveelheid opgeloste stof vóór en na verdunning gelijk blijft: het volume waarin die stof zit verandert, de totale mol niet. C1 is de startconcentratie, V1 het benodigde volume stamoplossing, C2 de gewenste eindconcentratie en V2 het eindvolume. Voor een 1:100-verdunning naar 250 mL uit een 1 M-stam levert de formule V1 = C2V2/C1 = 0,01 x 0,250 / 1 = 2,5 mL. De formule geldt strikt bij isotherme, additieve verdunningen; bij grote concentratieveranderingen van zuren en basen kan volumecontractie optreden en is aanvullen tot eindvolume in een maatkolf betrouwbaarder dan optellen van volumes.
De concentratie van een oplossing geeft aan hoeveel opgeloste stof aanwezig is in een bepaald volume oplosmiddel. De meest gebruikte definitie in analytische laboratoria is de molaire concentratie (ook: molariteit):
c = n / V
Hierin is c de concentratie in mol per liter (mol/L of M), n het aantal mol opgeloste stof en V het volume van de oplossing in liter. Dezelfde relatie is te schrijven als c = m / (Mr × V), waarbij m de massa in gram is en Mr de molaire massa in g/mol.
Naast mol/L zijn in laboratoriumwerk de volgende concentratie-eenheden gangbaar:
De C1V1 = C2V2-verdunningsformule hieronder werkt met elk consistent paar concentratie-eenheden: mol/L, g/L of %, mits u boven én onder de streep dezelfde eenheid hanteert. Voor het omrekenen tussen molariteit, molaliteit en massaprocent met opgegeven dichtheid kunt u de uitleg over molariteit, molaliteit en normaliteit raadplegen of direct de molariteit- en molaliteitcalculator gebruiken.
Een 10 % (v/v) oplossing bevat 10 mL oplosmiddel per 100 mL eindvolume. U pipetteert 10 mL van de vloeistof in een maatkolf van 100 mL en vult aan tot de maatstreep. Verwar dit niet met een 1:10-verdunning: bij 1:10 voegt u 1 volume toe aan 9 volumes verdunningsmiddel (totaal 10), terwijl 10 % v/v aanvullen tot eindvolume betekent. Een 1 % (v/v) oplossing bevat 1 mL per 100 mL eindvolume. Voor massa-volumeprocenten (w/v) geldt: 1 % w/v = 1 g per 100 mL. Zie ook onze gewichts-/volumepercentages-calculator.
Naast volume-volumeprocent (v/v) wordt in de laboratoriumchemie ook het massapercentage (m/m%, ook geschreven als w/w%) gebruikt. De formule is:
massapercentage = (massa opgeloste stof / massa totale oplossing) × 100%
Concreet: 5 g NaCl opgelost in 95 g water geeft een oplossing van 100 g totaal. Het massapercentage is (5 / 100) × 100% = 5% (m/m). Omdat u massa deelt door massa, is m/m% een dimensieloze grootheid die onafhankelijk is van temperatuur — een voordeel ten opzichte van v/v bij sterk geconcentreerde oplossingen waarbij de volumes niet strikt additief zijn.
Het verschil met massa-volumeprocent (w/v%) is wezenlijk: bij w/v% deelt u de massa van de opgeloste stof door het volume van de eindoplossing in mL en vermenigvuldigt u met 100. Zo bevat een 1% (w/v) NaCl-oplossing 1 g NaCl per 100 mL oplossing — een gebruikelijke definitie voor fysiologisch zout. Controleer in elk protocol welke definitie wordt gehanteerd; verwisseling van m/m% en w/v% leidt tot een concentratiefout.
Om vanuit een commercieel zuur of base (opgegeven als m/m% met dichtheid) de molariteit te berekenen, gebruikt u: c = (10 × w × ρ) / Mr, waarbij w het massapercentage is, ρ de dichtheid in g/mL en Mr de molaire massa in g/mol. De gewichts-/volumepercentages-calculator neemt u deze omrekening uit handen.
Het massapercentage (m/m%) geeft aan hoeveel gram opgeloste stof aanwezig is per 100 gram oplossing:
m/m% = (massa opgeloste stof / massa oplossing) × 100
Een 37 % (m/m) zoutzuuroplossing bevat 37 g HCl per 100 g oplossing. Anders dan v/v-procenten is m/m% onafhankelijk van temperatuur en volumecontractie, en daardoor de voorkeurseenheid op etiketten van geconcentreerde zuren en basen. Om van m/m% naar molariteit om te rekenen heeft u ook de dichtheid nodig: een 37 % HCl-oplossing met dichtheid 1,19 g/mL heeft een molariteit van circa 12 mol/L. Gebruik voor deze omrekening de molariteitsformule en dichtheidsomrekening in de kennisbank.
Vergelijk de meest gebruikte concentratie-uitdrukkingen:
Een enkelvoudige verdunning brengt een stamoplossing in één stap naar één doelconcentratie, bijvoorbeeld 1 mL in 99 mL voor een 1:100-verdunning. Een verdunningsreeks bestaat uit meerdere verdunningen die samen een aaneengesloten concentratiebereik bestrijken. Die reeks kan serieel zijn — elke buis bereid uit de vorige — of parallel, waarbij elke buis zelfstandig vanuit de stamoplossing wordt gepipetteerd. Enkelvoudige verdunningen gebruikt u voor routinemonsters; een reeks heeft u nodig voor kalibratiecurven, kiemgetalbepalingen, dosis-responsexperimenten of qPCR-standaardcurves.
Niet elke verdunning is een veelvoud van 10. Met de formule C1V1 = C2V2 en de volumeverhouding Vtotaal/Vstam werkt u elke gewenste verdunningsfactor uit. Hieronder staan drie praktische voorbeelden.
5-voudige verdunning (1:5) U wilt 10 mL eindvolume. Vstam = 10 mL / 5 = 2 mL. Pipetteer 2 mL stamoplossing in een buis of maatkolf en vul aan tot 10 mL met verdunningsmiddel. De verhouding 1 op 5 betekent: 1 deel stam op 4 delen verdunningsmiddel, totaal 5 delen — de concentratie daalt met factor 5.
1:50-verdunning Wilt u 25 mL eindvolume: Vstam = 25 mL / 50 = 0,5 mL. Pipetteer 500 µL stamoplossing en vul aan tot 25 mL. Alternatief via twee seriële stappen: eerst 1:10 (1 mL in 9 mL), dan 1:5 (2 mL in 8 mL) — 10 × 5 = 50.
1:200-verdunning Direct: Vstam = eindvolume / 200. Voor 10 mL eindvolume is dat 50 µL — een volume dat pipeteerfouten vergroot. Maak in dat geval liever een tussenverdunning: eerst 1:10 (1 mL in 9 mL) en dan 1:20 vanuit de tussenstap (1 mL in 19 mL). Zo blijven beide pipeteervolumes comfortabel boven 1 mL en loopt de gecombineerde onzekerheid minder snel op. Hetzelfde principe geldt voor andere grote verdunningsfactoren zoals 1:100 in 1 mL eindvolume: verplaats de kritieke stap naar een groter volume.
De verdunningscalculator rekent deze volumes automatisch uit voor elke combinatie van verdunningsfactor en eindvolume.
Een 1 op 5-verdunning (notatie 1:5) betekent dat u 1 volumedeel stamoplossing toevoegt aan 4 volumedelen verdunningsmiddel, zodat het totale volume 5 is. De concentratie daalt daardoor naar een vijfde van de beginwaarde: de verdunningsfactor is 5. Enkele rekenvoorbeelden:
Bereken het benodigde volume stamoplossing altijd via C1 × V1 = C2 × V2. Wilt u een reeks van vijfvoudige verdunningen aanleggen, gebruik dan elke buis als uitgangspunt voor de volgende stap: 1 mL → buis 1 (1:5) → 1 mL → buis 2 (1:25) → 1 mL → buis 3 (1:125). Vijfvoudige seriële reeksen worden toegepast als een decimale reeks (factor 10) te grof is en een halvering (factor 2) te fijn voor het gewenste concentratiebereik.
De verdunningsverhouding beschrijft de verhouding van stamoplossing tot eindvolume: bij 1:10 voegt u 1 volume stamoplossing toe aan 9 volumes verdunningsmiddel, zodat het totale volume 10 is. De verdunningsfactor is de factor waarmee de concentratie daalt: bij een 1:10-verdunning is de verdunningsfactor 10. In de praktijk worden beide termen door elkaar gebruikt, maar in berekeningen is het onderscheid relevant: een verdunningsfactor van 100 (twee decimale stappen) bereikt u met een verdunningsverhouding van 1:100, niet 1:10. Controleer in elk protocol welke definitie wordt bedoeld.
De verdunningsfactor is ook direct uit de gebruikte volumes te berekenen, zonder dat u de concentraties hoeft te kennen:
verdunningsfactor = Vtotaal / Vstam
Hierin is Vtotaal het totale eindvolume na verdunnen en Vstam het volume stamoplossing dat u heeft toegevoegd. Voorbeeld: u pipetteert 2 mL siroop in een maatkolf en vult aan tot 10 mL. De verdunningsfactor is 10 / 2 = 5. De concentratie van de siroop is dus 5 keer lager geworden.
Deze formulering is equivalent aan C1V1 = C2V2: de verdunningsfactor verbindt immers C1 en C2 via de verhouding Vtotaal/Vstam. Het praktische voordeel van de volume-formulering is dat u in één stap kunt nagaan of de volumes die u heeft afgemeten overeenkomen met de beoogde verdunningsfactor — een snelle consistency check voordat u de reeks uitvoert.
Let op: Vstam is het volume stamoplossing, niet het volume verdunningsmiddel. Als u 1 mL stam toevoegt aan 9 mL verdunningsmiddel, dan is Vtotaal = 10 mL en de verdunningsfactor 10 — niet 9.
De verdunningsregel stelt dat de hoeveelheid opgeloste stof vóór en na verdunning gelijk blijft. Uitgedrukt als formule:
C1 × V1 = C2 × V2
waarbij C1 de beginconcentratie is, V1 het volume stamoplossing dat u gebruikt, C2 de gewenste eindconcentratie en V2 het totale eindvolume. Door meer oplosmiddel toe te voegen neemt het volume toe, daalt de concentratie proportioneel en blijft de hoeveelheid opgeloste stof (mol of massa) onveranderd. De verdunningsregel geldt voor wél mengende, niet-reagerende systemen bij constante temperatuur; bij sterk geconcentreerde zuren of basen kan volumecontractie optreden, waardoor aanvullen tot eindvolume in een maatkolf betrouwbaarder is dan optellen van volumes. Zie ook de verdunningscalculator voor directe toepassing van deze regel.
Geconcentreerde stockoplossingen zoals 10× PBS, 20× SSC of 5× laadkleurstof verdunt u met de formule C1V1 = C2V2. Voor 50 mL werkoplossing van 1× uit een 20×-stock: V1 = (1 × 50) / 20 = 2,5 mL stock, aanvullen tot 50 mL met verdunningsmiddel. Voor 1 mL eindvolume: 50 µL stock + 950 µL verdunningsmiddel. Let op dat bij zeer kleine eindvolumes (< 200 µL) de pipeteerfout procentueel toeneemt; gebruik dan een tussenverdunning of een pipet met een kleiner nominaal bereik.
Bij OD600-metingen in bacteriologie geldt het lineaire meetbereik van 0,1–0,8; boven 0,8 treedt meervoudige verstrooiing op en overschat de meting de werkelijke celdichtheid. Verdun een monster boven dit bereik altijd serieel (1:2, 1:5 of 1:10) in hetzelfde groeimedium en vermenigvuldig de gemeten OD met de verdunningsfactor. Meet, indien mogelijk, twee verdunningen en controleer of de teruggerekende OD-waarden lineair schalen — doen ze dat niet, dan zit de meting nog buiten het lineaire bereik. Vergelijkbare adviezen gelden voor UV/Vis-analyten die te sterk absorberen; zie het artikel over UV/Vis-spectrofotometrie.
Voor qPCR-standaardcurves is een decimale seriële reeks over vijf tot zes stappen gebruikelijk, met duplo- of triplometingen per punt. Voor kolonietelling volgens ISO 4833-1 geldt een decimale reeks tot een concentratie die tussen 30 en 300 kolonies per plaat oplevert. De verdunningsfactor telt rechtstreeks door in het eindresultaat — een fout van 5 % in het uitgezaaide volume of in de laatste pipeteerstap veroorzaakt een fout van 5 % in het gerapporteerde kiemgetal. Voor de rekenkundige verwerking en telbereik-check kunt u onze kiemgetal-calculator (ISO 4833) gebruiken; voor de complete werkwijze zie het artikel Kiemplaat en kolonietelling.
Voor een kalibratiecurve zijn minimaal vijf niveaus plus een blanco de gangbare eis (ICH Q2, Eurachem/CITAC), verdeeld over het verwachte werkbereik. Voor logaritmische reeksen worden doorgaans zes decimale stappen aangehouden bij onbekende monsters (10⁻¹ t/m 10⁻⁶), zodat minstens één plaat in het telbereik van 30–300 kolonies valt. Voor dosis-responscurves zijn acht tot twaalf punten in halve of derde log-stappen gebruikelijk, met concentraties die minimaal twee ordes onder en boven de verwachte EC50 lopen.
Elke reeks krijgt in het lab-notitieboek of ELN een unieke identificatie, de stambatch, het lot van het verdunningsmiddel, de gebruikte pipet met kalibratiedatum, de temperatuur en de bereidingsdatum. Voor GLP- en GMP-omgevingen is de traceerbaarheid van elke buis in de reeks een expliciete eis; zie de artikelen over GLP en GLP en labverbruiksartikelen: CoA, traceerbaarheid en lotbeheer. Voor de statistische toetsing van de curve en de detectie van uitschieters is het artikel over statistiek en data-analyse in het lab een nuttig vertrekpunt.
Invriezen en ontdooien introduceert twee foutbronnen: (1) concentratieverschillen door ijsvorming die opgeloste stoffen naar de vloeibare fase drijft, en (2) verandering van het volume door thermische krimp en uitzetting. Bij eiwitten, cellen en labiele analyten komt daar denaturatie of degradatie bij. Voor kalibratieoplossingen geldt daarom de vuistregel: bereid vers, of gebruik gestabiliseerde standaarden met een gedocumenteerde houdbaarheid. Zie ook het artikel over koelen en vriezen in het lab voor het effect van vries-dooicycli op oplossingen.
Naast dit achtergrondartikel biedt de Labvakhandel Kennisbank de verdunningscalculator (waaronder een tabblad voor seriële verdunningen), de molariteit- en molaliteit-calculator, de gewichts-/volumepercentages-calculator en de kiemgetal-calculator (ISO 4833). Voor de theoretische onderbouwing van foutbudgetten, dekkingsfactoren en uncertainty budgets zie het artikel over meetonzekerheid. De officiele GUM (JCGM 100) is vrij downloadbaar via het BIPM.
Bij het bereiden van verdunningsreeksen in microbuizen of conische buizen is de keuze van het buismateriaal — PP standaard, steriel of DNase/RNase-vrij — afhankelijk van de toepassing. De centrifugebuis keuzewijzer ondersteunt bij die materiaalkeuze.
Voor het aanleggen van betrouwbare verdunningsreeksen heeft u pipetten, pipetpunten, maatglaswerk en reageerbuizen nodig; bekijk het assortiment of neem contact op voor advies.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.