Laboratoriumplastics zijn niet meer weg te denken uit het moderne laboratorium. Van pipetpuntjes en microcentrifugebuisjes tot PCR-platen en celkweekflessen: het overgrote deel van het dagelijkse verbruiksmateriaal is gemaakt van plastic. Maar welk plastic is geschikt voor welke toepassing? Wat betekenen de recyclingnummers op de verpakking? En welke materialen horen standaard thuis in een goed uitgerust laboratorium? In dit artikel beantwoorden we die vragen en geven we een praktisch overzicht van de meest gebruikte laboratoriumplastics en verbruiksmaterialen.
Laboratoriumplastics worden gekozen op basis van chemische bestendigheid, temperatuurbestendigheid gemeten met thermomechanische analyse, optische eigenschappen en de vereiste steriliteit. De meest gebruikte kunststoffen in het laboratorium zijn de volgende.
Polypropyleen is het meest toegepaste plastic in het laboratorium. Het is chemisch zeer bestendig, bestand tegen zuren, basen, alcoholen en de meeste organische oplosmiddelen, en kan worden geautoclaveerd bij 121 °C. PP is licht doorschijnend tot opaque en heeft een goede stijfheid bij kamertemperatuur. Toepassingen: Eppendorf-tubes, falcon tubes, centrifugebuisjes, pipetpuntjes, bekerglazen (plastic), reageerbuisjes met schroefdop, maatcilinders en spuitflessen.
Plastictype 5 op het recyclingdriehoekje verwijst naar PP. Het getal zegt niets over de chemische geschiktheid voor laboratoriumgebruik, maar helpt bij recycling en materiaalidentificatie.
Polyethyleen bestaat in twee varianten die in het laboratorium elk hun eigen toepassing hebben.
LDPE (Low Density Polyethylene, type 4) is zacht en flexibel. Het wordt gebruikt voor spuitflessen (wash bottles), zakjes en flexibele opslagcontainers. LDPE is chemisch bestendig tegen water, zuren en basen, maar minder bestendig tegen aromatische en gehalogeneerde koolwaterstoffen. Niet autoclaafbestendig.
HDPE (High Density Polyethylene, type 2) is stijver dan LDPE en heeft een hogere chemische bestendigheid. Toepassingen zijn jerrycans, opslagvaten en laboratoriumflessen voor chemicaliën. HDPE heeft een goede UV-bestendigheid en is geschikt voor opslag van lichtgevoelige stoffen.
PP en PE lijken op elkaar maar verschillen op enkele cruciale punten. PP heeft een hoger smeltpunt (160–170 °C) dan PE (90–135 °C bij HDPE) en is daardoor autoclaafbestendig, terwijl PE dat niet is. PP is ook iets stijver en harder bij kamertemperatuur. PE, met name LDPE, is flexibeler en wordt daarom verkozen voor spuitflessen en dunwandige zakjes. Beide materialen zijn bestand tegen zuren, basen en waterige oplossingen, maar PP biedt doorgaans betere bestendigheid tegen organische oplosmiddelen en oxiderende stoffen. Voor toepassingen waarbij sterilisatie door autoclaveren vereist is, is PP de juiste keuze; voor flexibele opslagmaterialen bij kamertemperatuur volstaat LDPE.
Polystyreen is helder, stijf en goedkoop te produceren. Het is optisch transparant, wat het geschikt maakt voor toepassingen waarbij visuele inspectie belangrijk is. PS is echter gevoelig voor veel organische oplosmiddelen en niet autoclaafbestendig. Toepassingen: petrischalen, celkweekflessen, microtiterplaten, disposable bekerglazen en serologische pipetten. Celkweekplastics van PS worden vaak behandeld met een speciale oppervlaktebehandeling (tissue culture treated, TC-treated) om celhechting te bevorderen.
Polystyreen is niet autoclaafbestendig: bij 121 °C vervormt PS en verliest het zijn maatnauwkeurigheid en structurele integriteit. Steriel PS-materiaal wordt daarom door fabrikanten vooraf gesteriliseerd door gammabestraling of ethyleenoxidebehandeling, en als eenmalig steriel verbruiksmateriaal geleverd. Hersterilisatie door de gebruiker via autoclaaf is niet mogelijk. Voor toepassingen waarbij zowel transparantie als autoclaafbestendigheid vereist is, is PMP (polymethylpentaan) de aangewezen keuze.
TC-treated staat voor tissue culture treated: een oppervlaktemodificatie waarbij de normaal hydrofobe PS-oppervlakte hydrofiel en licht negatief geladen wordt gemaakt door middel van plasmabehandeling of chemische oxidatie. Door deze behandeling hechten cellen beter aan het oppervlak, wat essentieel is voor de kweek van adherente cellijnen. Niet-TC-treated PS-materiaal (zoals standaard petrischalen) is niet geschikt voor celkweek omdat cellen er niet op aangroeien. TC-treated celkweekplastics zijn herkenbaar aan de vermelding "TC-treated" of "tissue culture treated" op de verpakking en zijn doorgaans iets duurder dan standaard PS-materiaal.
Polycarbonaat is een hard, glashelder en slagvast materiaal. Het is bestand tegen hoge temperaturen en kan worden gesteriliseerd, maar is gevoelig voor sterke zuren, basen en veel organische oplosmiddelen. PC wordt gebruikt voor centrifugebuisjes die hoge g-krachten moeten weerstaan, voor ultracentrifugatie-rotors en voor deksels van laboratoriumapparatuur. Plastictype 7 is een restcategorie voor kunststoffen die niet in de andere zes categorieën vallen — PC valt hier doorgaans onder.
PMP is een bijzonder plastic dat vrijwel even transparant is als glas maar veel lichter. Het is bestand tegen autoclaveren, chemicaliën en UV-straling. PMP wordt gebruikt voor maatcilinders, bekers en trechters waarbij zowel transparantie als autoclaafbestendigheid vereist is. Het is duurder dan PP of PS maar biedt een uitstekende combinatie van eigenschappen voor veeleisende laboratoriumtoepassingen.
PTFE heeft de hoogste chemische bestendigheid van alle laboratoriumkunststoffen. Het is bestand tegen vrijwel alle chemicaliën, inclusief geconcentreerde zuren, basen en organische oplosmiddelen, en bestand tegen temperaturen tot 260 °C. PTFE wordt gebruikt voor roerstaafjes, afdichtingen, slangetjes en trechters voor agressieve chemicaliën. Het is relatief duur en opaque (wit), maar onvervangbaar in toepassingen waarbij andere plastics falen.
PVC wordt in het laboratorium voornamelijk gebruikt voor slangen en verbindingsstukken. Het is flexibel, goedkoop en bestendig tegen water en milde chemicaliën, maar gevoelig voor veel organische oplosmiddelen. PVC-slangen zijn geschikt voor water- en vacuümlijnen, maar niet voor agressieve chemicaliën of hoge temperaturen.
Naast de klassieke petroleumgebaseerde kunststoffen worden in laboratoria steeds vaker bioplastics ingezet als duurzamere alternatieven voor wegwerpmateriaal. Bioplastics zijn gemaakt van hernieuwbare grondstoffen (maïszetmeel, suikerriet, cellulose) en zijn deels biologisch afbreekbaar. De twee meest relevante bioplastics voor laboratoriumgebruik zijn:
Belangrijk aandachtspunt: "biologisch afbreekbaar" betekent niet dat bioplastics bij het GFT-afval mogen. Industrieel composteerbare plastics vereisen specifieke verwerkingsinstallaties; in huishoudelijk compost breken ze nauwelijks af. Voor laboratoriumafval gelden specifieke inzamelingseisen — zie de afvalsectie hieronder.
De recyclingnummers 1 t/m 7 zijn geen kwaliteitsaanduiding maar een materiaalcode voor afvalscheiding. In laboratoriumcontext zijn type 4 (LDPE) en type 7 (overige, waaronder PC en PLA) het minst eenduidig. Type 7 is een restcategorie: elk plastic dat niet in de categorieën 1 t/m 6 valt, krijgt dit nummer. Bekende voorbeelden van type 7 kunststofproducten in het laboratorium zijn polycarbonaat (PC) centrifugebuisjes voor ultracentrifugatie en PLA-gebaseerd wegwerpmateriaal. Voor laboratoriuminkoop is de materiaalnaam (PP, PE, PS, PC etc.) altijd informatiever dan het recyclingnummer.
PTFE (polytetrafluorethyleen) heeft de hoogste chemische bestendigheid van alle gangbare laboratoriumplastics. Het is bestand tegen vrijwel alle zuren, basen, oxiderende middelen en organische oplosmiddelen, en verdraagt temperaturen tot 260 °C. In de praktijk hangt de juiste materiaalkeuze echter af van de specifieke chemicaliën waarmee gewerkt wordt. Voor routinewerk met zuren, basen en waterige buffers is PP doorgaans voldoende en aanzienlijk goedkoper. Voor sterk oxiderende media of gehalogeneerde oplosmiddelen waarbij PP onvoldoende bestendig is, biedt PTFE de betrouwbaarste oplossing. Altijd de chemische bestendigheidstabel van de fabrikant raadplegen voor de specifieke combinatie van plastic en chemicaliën.
Bij de keuze van laboratoriumplastics zijn autoclaafbestendigheid en chemische bestendigheid de twee meest bepalende criteria. Onderstaande tabel geeft een overzicht voor de meest voorkomende materialen.
Een goed uitgerust laboratorium beschikt over een breed scala aan verbruiksmaterialen. Hieronder geven we een overzicht van de meest voorkomende categorieën, gegroepeerd per functie.
Microcentrifugebuisjes (Eppendorf-tubes) in 0,5 ml, 1,5 ml en 2 ml zijn het meest universele verbruiksmateriaal in een moleculair of biochemisch laboratorium. Ze worden gebruikt voor het bewaren van monsters, het uitvoeren van reacties en het centrifugeren van kleine volumes. Verkrijgbaar in standaard, low-binding en safe-lock uitvoering.
Conische centrifugebuisjes (falcon tubes) van 15 ml en 50 ml zijn onmisbaar voor celkweek, microbiologie en monsterverwerking. De conische punt maakt het mogelijk om pellets na centrifugatie eenvoudig te herkennen en te verwijderen. Verkrijgbaar als steriel, DNase/RNase-vrij en met graduering.
Reageerbuisjes met schroefdop in uiteenlopende volumes zijn geschikt voor het bewaren van chemicaliën, standaardoplossingen en buffers. De schroefdop voorkomt verdamping en morsen.
Cryovials van 1,2 ml en 2 ml zijn speciaal ontworpen voor langdurige opslag bij −80 °C of in vloeibare stikstof. Het materiaal is bestand tegen extreme kou en de dop sluit luchtdicht.
Steriel verbruiksmateriaal is vrij van alle levende micro-organismen en hun sporen. Dit wordt bereikt door gammabestraling, ethyleenoxidebehandeling of autoclaveren tijdens de fabricage. Steriel materiaal is vereist voor celkweek, microbiologisch werk, moleculaire toepassingen waarbij contaminatie het resultaat zou beïnvloeden, en klinisch-diagnostisch gebruik. Niet-steriel materiaal is voldoende voor toepassingen waarbij biologische contaminatie geen rol speelt, zoals routinematige volumemetingen, opslag van niet-biologische chemicaliën of gebruik in niet-kritische analysen. Naast steriel worden kritische verbruiksmaterialen ook aangeboden als DNase-vrij, RNase-vrij en pyrogeenvrij. Deze aanduidingen staan los van steriliteit: een steriel buisje kan nog altijd DNase bevatten dat RNA-analyses verstoort.
PCR-buisjes van 0,2 ml zijn dunwandig voor optimale warmteoverdracht in de thermocycler. Verkrijgbaar individueel, als 8-strips of als 96-wells plaat. Voor high-throughput genotypering worden skirted 96-wells PCR-platen gebruikt, die stabiel staan in robotische handlers. Optisch heldere afdichtfolie sluit de plaat af zonder het fluorescentiesignaal bij real-time PCR te verstoren.
Pipetpuntjes zijn in volumes verkrijgbaar van 0,1 µl tot 1250 µl en zijn afgestemd op specifieke pipetmerken of universeel inzetbaar. Filterpipetpuntjes met aerosolbarrière zijn essentieel bij PCR-werk en werk met infectieus materiaal: het filter voorkomt dat aerosolen de pipet contamineren. Low-binding pipetpuntjes zijn behandeld om adsorptie van eiwitten en nucleïnezuren aan de wand te minimaliseren — belangrijk bij werken met lage concentraties.
Celkweekflessen (T-flessen) in T-25, T-75 en T-175 formaat zijn het standaardmateriaal voor het kweken van adherente cellijnen. Ze zijn gemaakt van TC-treated polystyreen voor optimale celhechting. Petrischalen worden gebruikt voor zowel microbiologie (bacterieel werk op vaste voedingsbodems) als celkweek. Multiwell-platen in 6-, 12-, 24-, 48- en 96-wells formaat worden gebruikt voor assays en screeningexperimenten.
LDPE spuitflessen zijn onmisbaar voor het afspoelen van glaswerk, het toedienen van water of oplosmiddelen en het reinigen van werkoppervlakken. PP of HDPE laboratoriumflessen met schroefdop worden gebruikt voor de opslag van buffers, reagentia en chemicaliën. Voor lichtgevoelige stoffen zijn bruine of ondoorzichtige flessen beschikbaar.
Spuitfilters (syringe filters) met een poriegrootte van 0,2 µm of 0,45 µm worden gebruikt voor sterilfiltratie van kleine vloeistofvolumes. Ze zijn verkrijgbaar met membranen van PES, PVDF, nylon of PTFE, elk met een specifiek chemisch bestendigheidsprofiel. Filtreerpapier van verschillende porositeiten wordt ingezet voor gravimetrische analyses, voorbereiding van voedingsbodems en filtratie van neerslag.
Nitril wegwerphandschoenen zijn de standaard in vrijwel elk laboratorium. Ze bieden bescherming tegen chemicaliën, biologische agentia en zijn poedervrij om contaminatie van monsters te voorkomen. Latexhandschoenen worden minder ingezet vanwege het allergeenrisico. Poetspapier en wipes voor het reinigen van werkoppervlakken zijn verkrijgbaar in laagpluizende kwaliteit voor gebruik in cleanrooms en moleculaire labs.
Plastic verbruiksmateriaal heeft glaswerk in veel toepassingen vervangen, maar glaswerk blijft de voorkeur verdienen in een aantal specifieke situaties. Ten eerste bij werk met sterke organische oplosmiddelen zoals dichloormethaan, tetrahydrofuraan (THF) of aceton in grote volumes: deze tasten PS, PC en PE aan en zijn alleen inert ten opzichte van PP en PTFE, maar glaswerk is hier doorgaans goedkoper en robuuster. Ten tweede bij verhitting boven de bestendigheidsgrenzen van plastic, bijvoorbeeld in een ovendroogstoof of bij directe vlamberhitting. Ten derde bij spectrofotometrische metingen in het UV-gebied: plastic cuvetjes absorberen onder circa 300 nm, terwijl kwartsglas tot 200 nm transparant is. Ten vierde bij kwantitatieve analyse waarvoor gecertificeerd gekalibreerd glaswerk (klasse A) wettelijk of normatief vereist is. In alle andere gevallen biedt plastic het voordeel van breekvastheid, lager gewicht en — bij disposable gebruik — het vermijden van kruiscontaminatie door reinigingsstappen.
Een laboratorium is doorgaans functioneel ingedeeld in vier zones, elk met eigen eisen aan materialen en apparatuur:
Laboratoria worden ingedeeld naar werkgebied en veiligheidsniveau:
Goede laboratoriumspraktijken, in het Engels Good Laboratory Practice (GLP), zijn een kwaliteitssysteem voor de planning, uitvoering, registratie en rapportage van niet-klinisch veiligheidsonderzoek — met name toxicologisch en milieuonderzoek ten behoeve van wettelijke registraties (bijv. geneesmiddelen, bestrijdingsmiddelen). GLP is vastgelegd in de OECD GLP-principes en in Nederland geïmplementeerd via het GLP-besluit. Buiten deze strikte regulatoire definitie wordt "goede laboratoriumspraktijken" in bredere zin ook gebruikt als verzamelterm voor hygiëne, veiligheid, nauwkeurig pipetteren, correcte etikettering, traceerbaarheid van monsters en ordelijk werkruimtebeheer. Voor verbruiksmaterialen betekent GLP in de praktijk: gebruik gecertificeerde, traceerbare materialen, bewaar verpakkingen met lotnummers voor archivering, werk met gekalibreerde meetinstrumenten en leg alle afwijkingen van het protocol schriftelijk vast. Gerelateerde kwaliteitsnormen zijn ISO 17025 voor testlaboratoria en ISO 15189 voor medische laboratoria.
Laboratoriumonderzoek wordt ingedeeld naar doel en methode. De belangrijkste typen zijn klinisch-chemisch onderzoek (bloedwaarden, urineanalyse), microbiologisch onderzoek (kweek en identificatie van micro-organismen), moleculair diagnostisch onderzoek (PCR, sequencing, genotypering), pathologisch onderzoek (weefseldiagnostiek), toxicologisch onderzoek (gifstoffenanalyse) en milieuchemisch onderzoek (water- en bodemkwaliteit). Elk type onderzoek stelt zijn eigen eisen aan verbruiksmaterialen en apparatuur.
In een chemisch laboratorium zijn de volgende instrumenten en apparaten standaard aanwezig: analytische balans, pH-meter, magnetische roerder met verwarmingsplaat, terugvloeikoeler, rotatie-evaporator, spectrofotometer (UV/Vis), gaschromatograaf (GC), vloeistofchromatograaf (HPLC), zuurkast en centrifuge. Voor moleculair biologisch werk worden hier thermocycler, elektroforeseapparaat en microcentrifuge aan toegevoegd.
Alle gangbare laboratoriumplastics zijn slechte warmtegeleiders: ze functioneren als thermisch isolator. Dit heeft directe gevolgen voor toepassingen waarbij warmteoverdracht een rol speelt, zoals PCR-thermocycling, autoclaveren en verhittingsexperimenten. De thermische geleidbaarheid wordt uitgedrukt als de lambda-waarde (λ) in W/(m·K). Ter vergelijking: koper heeft een λ-waarde van circa 400 W/(m·K) en roestvast staal circa 15 W/(m·K); alle hieronder genoemde plastics liggen tussen 0,10 en 0,52 W/(m·K).
Van de gangbare laboratoriumplastics heeft HDPE met 0,45–0,52 W/(m·K) de hoogste thermische geleidbaarheid, gevolgd door LDPE met circa 0,33 W/(m·K). PP heeft een λ-waarde van 0,10–0,22 W/(m·K); de dunwandige uitvoering van PCR-buisjes is dan ook bewust gekozen om de thermische weerstand zo laag mogelijk te houden en snelle temperatuurwisselingen in de thermocycler mogelijk te maken.
PTFE heeft een λ-waarde van circa 0,25 W/(m·K): laag voor een materiaal dat temperaturen tot 260 °C verdraagt. De amorfe structuur en de sterke C–F-bindingen beperken moleculaire trillingsoverdracht sterk, waardoor PTFE thermisch isoleert. Dit maakt PTFE geschikt als afdichting en slangmateriaal rondom verwarmde systemen, maar ongeschikt als warmtegeleidend element.
De waarden gelden voor ongevulde polymeren bij kamertemperatuur. Als vuistregel neemt de thermische geleidbaarheid van plastics in het traject 0–100 °C slechts enkele procenten toe. Voor toepassingen waarbij warmteoverdracht kritisch is, biedt glaswerk of metalen apparatuur een veelvoud aan geleidingscapaciteit.
Om de getallen in perspectief te plaatsen: alle plastics zijn extreem slechte warmtegeleiders vergeleken met metalen en zelfs met glas. Onderstaande tabel toont de lambda-waarden van materialen die in en rondom het laboratorium voorkomen.
Het thermocycler-blok van aluminium geleidt warmte dus ruwweg duizend keer beter dan het PP-buisje dat erin staat. Dat buisje fungeert feitelijk als een dunne thermische weerstand tussen het blok en de reactie-inhoud — vandaar dat wanddikte bij PCR-buisjes zo bepalend is voor de cyclussnelheid. Borosilicaatglas geleidt warmte circa vijf keer beter dan het beste laboratoriumplastic, wat mede verklaart waarom glazen reactievaten bij verhitting gelijkmatiger opwarmen dan plastic equivalenten.
Bij het kiezen van het juiste plastic verbruiksmateriaal zijn de volgende overwegingen doorslaggevend. Controleer eerst de chemische bestendigheid: PP en PTFE zijn de veiligste keuze voor werk met agressieve chemicaliën; PS is geschikt voor waterige oplossingen maar niet voor oplosmiddelen. Overweeg vervolgens of autoclaveren nodig is: kies dan voor PP of PMP. Voor optische toepassingen waarbij transparantie vereist is, biedt PS of PC de beste doorlaatbaarheid. Voor celkweek is TC-treated PS de standaard. Gebruik bij werk met lage DNA- of eiwitconcentraties altijd low-binding materiaal om adsorptieverliezen te minimaliseren. En controleer bij kritisch werk altijd of het materiaal gecertificeerd is als DNase-vrij, RNase-vrij en pyrogeenvrij.
Laboratoria waar met biologische agentia wordt gewerkt, zijn ingedeeld in vier bioveiligheidsniveaus (BSL-1 t/m BSL-4), conform de WHO-richtlijnen voor laboratoriumbioveiligheid en de Europese Richtlijn 2000/54/EG. Het niveau bepaalt welke verbruiksmaterialen, persoonlijke beschermingsmiddelen en infrastructuur vereist zijn:
De keuze van verbruiksmaterialen is direct gekoppeld aan het BSL-niveau: bij BSL-2 en hoger zijn steriele, autoclaafbestendige materialen (PP, PC) en biologische inactivatie van afval (autoclaveren vóór afvoer) verplicht.
Laboratoriumafval wordt in vier hoofdcategorieën ingedeeld, elk met eigen inzameling en verwerking:
Dit hangt af van het type plastic en de mate van besmetting. Schoon, niet-chemisch en niet-biologisch besmet PP- en PE-materiaal (lege pipetpuntendozen, schone flacons, niet-verontreinigde buisjes) mag in principe bij de plasticrecycling, mits vrij van etiketten met gevaarsstofinformatie en volledig leeggemaakt. Biologisch of chemisch besmet laboratoriumplastic mag nooit bij het reguliere plastic afval: het valt onder gevaarlijk of besmettelijk afval en moet via de juiste afvalstroom worden afgevoerd. Hard, gemengd laboratoriumplastic van typen als PC, PTFE en PMP is niet geschikt voor standaard plasticrecyclingstromen en moet via een gespecialiseerde inzameling of de chemischeafvalstroom worden afgevoerd. Controleer altijd de afvalregels van uw instelling of gemeente, omdat deze kunnen afwijken van de algemene richtlijnen.
Plastic is op zichzelf geen chemisch afval — het materiaal zelf (PP, PE, PS) is niet als gevaarlijke stof geclassificeerd. Wat plastic tot chemisch afval maakt, is de besmetting ermee: een lege PP-fles die oplosmiddelen heeft bevat, een pipetpunt die contact heeft gehad met een CMR-stof, of een centrifugebuisje met restanten van een toxische buffer vallen wél onder gevaarlijk afval. De inhoud of besmetting bepaalt de afvalcategorie, niet het plastic materiaal zelf. Schoon, niet-besmet laboratoriumplastic van PP of PE dat alleen waterige oplossingen heeft bevat en grondig is leeggemaakt, valt in de meeste gevallen onder niet-gevaarlijk afval en mag — afhankelijk van de regels van de instelling en gemeente — bij de plasticrecycling. Twijfelt u, behandel het dan als gevaarlijk afval: dat is altijd de veiligere keuze.
Chemicaliënopslag volgt de compatibiliteitsregels van gevaarsklassen:
Overgebleven of niet langer benodigde chemicaliën mogen nooit via het riool of het gewone afval worden afgevoerd. De eerste stap is bepalen of de stof nog bruikbaar is: houd een actuele voorraadregistratie bij en bied restanten aan bij collega's of andere afdelingen via een interne ruilbeurs voordat u tot afvoer overgaat. Is de stof verlopen, verontreinigd of niet meer in gebruik: sorteer dan op afvalstroom. Organische oplosmiddelen, gehalogeneerde stoffen, zuren, basen, zware-metaaloplossingen en CMR-stoffen moeten elk in een eigen, geëtiketteerd inzamelingsvat worden verzameld, gescheiden op compatibiliteit (nooit zuren bij basen, nooit oxiderende stoffen bij brandbare vloeistoffen). Kleine hoeveelheden (< 1 liter) van sterk verdunde waterige oplossingen van niet-toxische zouten mogen in sommige gevallen via het riool worden afgevoerd, mits de lokale lozingsvergunning dit toestaat — raadpleeg altijd de milieudienst of de instellingscoördinator gevaarlijke stoffen. Voor afvoer van grotere hoeveelheden of toxische stoffen schakelt u een gecertificeerde chemischeafvalverwerker in met een geldige VIHB-vergunning.
Laboratoria zijn grote verbruikers van éénmalig plastic: een gemiddeld onderzoekslaboratorium verbruikt honderden kilogrammen plastic verbruiksmateriaal per jaar. De vijf methoden om plasticafval te beheersen (conform de afvalhiërarchie: Reduce, Reuse, Recycle, Recover, Dispose):
Waarom mag hard plastic niet bij het plastic afval? Bij huishoudelijk plasticrecycling worden alleen specifieke typen ingezameld (doorgaans PE en PP van verpakkingen). Hard, gemengd of chemisch besmet laboratoriumplastic verstoort het recyclingproces. Bovendien zijn PC, PTFE, PMP en andere technische kunststoffen niet geschikt voor standaard plasticrecyclingstromen en moeten via de chemischeafvalstroom of gespecialiseerde inzameling worden afgevoerd.
Bekijk het assortiment laboratoriumplastics en verbruiksmaterialen van Labvakhandel, of neem contact op voor advies over de juiste materialen voor uw toepassing.
Disclaimer: De informatie in dit artikel is bedoeld als algemene technische toelichting. Canidae Seal B.V. / Labvakhandel.nl aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de toepassing van deze informatie in specifieke analytische, klinische of industriële situaties. Raadpleeg voor uw eigen toepassing altijd de geldende normen, vakliteratuur en de documentatie van fabrikant en apparatuur.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.